Psalm 63:4-7
Hoe spoedig zijn Davids klachten en gebeden in lof- en dankzeggingen verkeerd! Na twee verzen, die spreken van zijn begeerte om God te zoeken, zijn hier enige, die spreken van zijn vreugde en voldoening in Hem gevonden te hebben. Gelovige gebeden kunnen spoedig in blijde lofzeggingen veranderd worden, tenzij wij dit door eigen schuld verhinderen. "Het hart van wie de Heere zoeken, verblijde zich" Psalm 105:3, en laat hen Hem loven, omdat Hij deze begeerten in hen gewerkt heeft, en hun de verzekering geeft dat Hij ze zal vervullen. David was nu in een woestijn, en toch was zijn hart verruimd in het loven van God. Zelfs in beproeving ontbreekt het ons niet aan stof om God te loven, zo wij er slechts een hart voor hebben.
Merk op:
I. Waar David God voor wil loven, vers 4. Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven, dan levens, leven en al de genoegens van het leven, leven in de beste toestand, lang leven en voorspoed. Gods goedertierenheid is in zichzelve en in de schatting van al de heiligen beter dan het leven. Het is ons geestelijk leven, en dat is beter dan tijdelijk leven Psalm 30:6. Het is beter, duizendmaal beter, te sterven in Gods gunst dan te leven onder Zijn toorn. Door troostrijke ervaring bevindt David in de woestijn dat Gods goedertierenheid beter is dan het leven, en daarom, (zegt hij) zullen mijn lippen U prijzen. Het hart, dat verkwikt werd door Gods gunst, moet nu verruimd worden in Zijn lof. Zeer veel reden hebben wij om God er voor te loven, dat wij betere bezittingen hebben dan de rijkdom van deze wereld ons verschaffen kan, en dat wij in de dienst van God en in gemeenschapsoefening met Hem betere bezigheden en kostelijker genietingen hebben dan wij in het werk en de omgang van de wereld hebben kunnen.
II. Hoe hij God zal loven, en hoe lang, vers 5. Hij besluit een leven te leiden van dankbaarheid aan God en van vertrouwen op Hem.
Merk op:
1. Zijn wijze van God te loven: "Alzo zou ik U loven, alzo, gelijk ik nu begonnen ben, de tegenwoordige Godvruchtige aandoeningen zullen niet voorbijgaan als een morgenwolk, maar al meer en meer schijnen en schitteren als de morgenzon." Of, "ik zal U loven met dezelfde vurigheid van geest, waarmee ik tot U gebeden heb."
2. Zijn voortgaan en volharden hierin: ik zal U loven terwijl ik leef, vers 5. God te loven moet het werk wezen van geheel ons leven wij moeten steeds een dankbaar besef hebben van Zijn vroegere gunsten, en onze dankzeggingen er voor herhalen-wij moeten Hem iedere dag danken voor de weldaden, waarmee wij dagelijks worden overladen. Wij moeten God danken in alles en niet buiten de stemming er voor gebracht worden door de beproevingen van deze tegenwoordige tijd. Welke dagen wij ook beleven hoe somber ook en hoe bewolkt-al komen de dagen, van welke wij zeggen: Wij hebben geen lust in dezelve, toch moet iedere dag een dankdag zijn, zelfs tot op de dag toe van ons sterven. In dit werk moeten wij onze tijd doorbrengen, omdat wij in dit werk een zalige eeuwigheid hopen door te brengen. 3. Zijn voortdurend en bij alle gelegenheden zien op God, waarmee zijn loven van Hem gepaard zal gaan: in Uw naam zal ik mijn handen opheffen. Wij moeten het oog hebben op Gods naam, op al hetgeen, waardoor Hij zich bekend gemaakt heeft, in al onze gebeden en lofzeggingen, die ons geleerd zijn te beginnen met: Uw naam worde geheiligd, en te eindigen met: van Uw is de heerlijkheid. Daarop moeten wij in ons werk en onze strijd het oog hebben, wij moeten onze handen opheffen tot onze plicht en tegen onze geestelijke vijanden in de naam van God, in de kracht Zijns Geestes en van Zijn genade, Psalm 71:16, Zacheria 10:12. Wij moeten in de naam van God al onze geloften doen, tegenover Hem moeten wij ons verbinden en in vertrouwen op Zijn genade. En als wij de handen, die slap neergehangen hebben, opheffen in vertroosting en blijdschap, dan moet dit wezen in de naam van God-van Hem moet onze vertroosting komen, alles wat ons lieflijk en aangenaam is, en aan Hem moet het gewijd zijn. In God roemen wij de gehele dag.
III. Met welk een genot en verlustiging hij God zal loven, vers 6.
1. Met innerlijk welbehagen. Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, niet alleen als met brood, dat voedzaam is, maar als met vettigheid, dat aangenaam en lieflijk is Jesaja 25:6. David hoopt dat hij wederom het genot zal mogen smaken van Gods inzettingen bij te wonen, en dan zal hij aldus verzadigd worden, en het genot zal zoveel lieflijker zijn wijl hij er zolang van verstoken is geweest. Of, indien niet, dan zal hij toch in Gods goedertierenheid en in zijn gemeenschapsoefening met Hem in de eenzaamheid aldus verzadigd zijn. Er is in een genadig God en in gemeenschapsoefening met Hem datgene, hetwelk overvloedige voldoening geeft aan de ziel, Psalm 36:9, 65:5. En er is in een godvruchtige ziel datgene, hetwelk overvloedige voldoening smaakt in God en in gemeenschapsoefening met Hem. De heiligen hebben tevredenheid in God, zij begeren niets meer dan Zijn gunst om hen gelukkig te maken, en zij hebben een alles overtreffend welbehagen in God, in vergelijking daarmee zijn al de genietingen van de zinnen droog, zonder geur of smaak, als modderig water in vergelijking met de wijn van deze vertroosting.
2. Met uitwendige uitdrukkingen van deze voldoening: hij zal God loven met vrolijk zingende lippen. Hij zal Hem loven:
a. Openlijk, zijn mond en zijn lippen zullen God prijzen. Als de mens met het hart gelooft en dankbaar is, dan moet de mond van beide belijdenis doen tot eer en heerlijkheid Gods. Niet dat het spreken van de mond Gode welgevallig is zonder het hart, Mattheus 15:8, maar uit de overvloed des harten moet de mond spreken Psalm 45:2, beide tot opwekking van onze eigen godsvrucht en tot stichting van anderen.
b. Blijmoedig, wij moeten God loven met vrolijk zingende lippen, wij moeten ons hiertoe en tot andere plichten van de godsdienst begeven met grote blijmoedigheid, en de lof van God verkondigen uit een beginsel van heilige vreugde. Lovende lippen moeten vrolijke lippen wezen.
IV. Hoe hij zich met gedachten aan God zal bezighouden, als hij het meest in afzondering is, vers 7, ik zal U loven, als ik U gedenk op mijn legerstede. Wij moeten God loven bij iedere herinnering aan Hem. Nu David van de openbare inzettingen was buitengesloten, was hij zoveel overvloediger in verborgen gemeenschapsoefening met God, en zo heeft hij iets gedaan om zijn gemis te vergoeden. Merk hier op:
1. Hoe David zich bezighield met herdenken aan God. God was in al zijn gedachten, hetgeen het tegenovergestelde is van de aard des goddelozen, Psalm 10.3 De gedachten aan God kwamen geleidelijk bij hem op. "ik gedenk uw als ik ga denken, vind ik U aan mijn rechterhand, tegenwoordig voor mijn geest." Dit onderwerp moet zich het meest aan ons voordoen, als hetgeen wij niet kunnen vergeten of voorbijzien. En die gedachten waren vast, bestendig in hem, ik peins aan U. Gedachten aan God moeten geen vluchtige, voorbijgaande gedachten zijn, maar blijvende gedachten, die in het hart verwijlen.
2. Wanneer David zich aldus bezighield op zijn legerstede en in de nachtwaken. David was nu omzwervende, maar overal waar hij kwam bracht hij zijn godsdienst mede. Op mijn legerstedenzo lezen het sommigen. Gejaagd en vervolgd zijnde door Saul, lag hij zelden twee nachten achtereen op dezelfde legerstede, maar waar hij ook lag, als hij, evenals Jakob, op de koude grond lag met een steen voor hoofdkussen, dan lagen goede gedachten aan God bij hem. David had de gehele dag zoveel te doen met te zorgen voor zijn veiligheid, dat hij nauwelijks de tijd had voor plechtige, gezette oefeningen van de godsvrucht, en daarom heeft hij, veeleer dan er in het geheel geen tijd voor te hebben, zich de nodige slaap ontzegd. Hij was nu in voortdurend levensgevaar, zodat wij kunnen veronderstellen dat zorg en vrees zijn ogen menigmaal wakende gehouden hebben, en hem moeizame nachten hebben bezorgd, maar dan hield hij zich bezig en vertroostte hij zich met gedachten aan God. Soms vinden wij David in tranen op zijn bed, Psalm 6:7, maar aldus heeft hij zijn tranen afgewist. Als door pijn of lichaamskrankheid, of door ontroering van ons gemoed, de slaap wijlt van onze ogen, dan kan onze ziel door aan God te denken vrede en rust genieten. Een uur van vrome overdenking kan ons wellicht meer goeddoen, dan een uur slapen ons gedaan zou hebben. Zie Psalm 16:7, 17:3, 4:5, 1-19 :62. Er werden in de tabernakel nachtwaken gehouden om God te loven, Psalm 134:1, en waarschijnlijk heeft David, als hij er de vrijheid toe had, zich dan bij de Levieten gevoegd, maar nu hij zich daartoe niet met hen op dezelfde plaats kon geven, wilde hij er toch dezelfde tijd voor waarnemen en wenste hij slechts zich onder hen te kunnen bevinden.