Markus 4:1-20
Het voorgaande hoofdstuk begint met Christus' ingaan in de synagoge, vers 1, dit hoofdstuk begint met Christus' leren bij de zee. Aldus bracht Hij afwisseling in Zijne methode, opdat, zo mogelijk, allen bereikt en bearbeid zouden worden. Om genoegen te doen aan de meer beschaafde klasse der maatschappij, de lieden die plaatsen, voorgestoelten, hadden in de synagoge, en niet gaarne elders naar ene prediking zouden luisteren, heeft Hij niet altijd bij de zee gepredikt, maar de vrijheid daartoe hebbende, ging Hij dikwijls in de synagoge en leerde aldaar. Om echter ook de armen, het gemene volk, dat geen plaats in de synagoge kon krijgen, genoegen te doen, heeft Hij daar niet altijd gepredikt, maar begon Hij te leren omtrent de zee, waar zij onder Zijn gehoor konden komen. Alzo zijn wij beiden wijzen en onwijzen schuldenaars, Romeinen 1:14. Er schijnt nu een nieuwe gerieflijkheid bedacht te zijn, waarvan tevoren geen gebruik was gemaakt, hoewel Hij tevoren reeds bij de zee gepredikt had, Hoofdstuk 2:13, en dat was, dat Hij stond in een schip, terwijl Zijne hoorders op het land waren, en daar die binnenzee van Tiberias geen getij had, was er ook geen eb en vloed, die stoornis onder hen kon teweegbrengen. Mij dunkt dat dit prediken van Christus in een schip, een voorteken geweest is van Zijn heenzenden van het Evangelie naar de eilanden der volken, en het wegvoeren van het koninkrijk Gods van het Joodse volk naar een volk, dat er meer vruchten van zou voortbrengen. Merk nu op:
1. De manier van leren, door Christus gebruikt voor de schare, vers 2. Hij leerde hen vele dingen, maar het was door gelijkenissen, hetgeen hen uitlokte tot horen, want de mensen hebben gaarne, dat men tot hen spreekt in hun eigen taal, en onverschillige hoorders worden allicht getroffen door ene gelijkenis, ontleend aan de gewone dingen van het dagelijkse leven. Dat zullen zij dan onthouden, als zij de waarheid, die er door opgehelderd moet worden, uit het oog hebben verloren, of haar wellicht nooit hadden gevat. Maar, tenzij zij zich de moeite geven om die waarheid te verstaan, zal de gelijkenis hun slechts tot enig vermaak dienen, want dan zullen zij ziende zien, en niet bemerken, vers 12, en zo was dit dan, terwijl hun nieuwsgierigheid werd bevredigd, de straf voor hun stompzinnigheid. Zij hebben hun ogen moedwillig gesloten voor het licht, en daarom heeft Christus het verborgen in gelijkenissen, die als lantarens zijn met een lichte en een donkere zijde. De lichte zijde werd gekeerd tot hen, die het op zich zelven toepassen en er zich door wilden laten leiden, maar voor hen, die slechts gewillig waren om er voor een wijle als mede te spelen, gaf die lantaren slechts nu en dan ene flikkering van licht, maar liet hen over het geheel in het duister. Het is rechtvaardig in God, te zeggen dat zij, die niet willen zien, ook niet zullen zien, en voor de ogen van hen, die slechts met onverschilligheid om zich heen zien, en nooit met belangstelling en zorg zien op de dingen, die tot hun vrede dienen, die dingen dan ook te verbergen.
II. Zijne wijze van verklaring voor de discipelen, Als Hij alleen was, hebben niet slechts de twaalven, maar ook degenen, die omtrent Hem waren met de twaalven, de gelegenheid waargenomen, om Hem naar de betekenis der gelijkenis te vragen, vers 10. Zij vonden het goed en aangenaam omtrent Christus te zijn, hoe dichter hoe beter, goed, om met de twaalven te zijn, om te gaan met hen, die gemeenzaam omgingen met Hem. En Hij zei hun welk een voorrecht het voor hen was, om bekend gemaakt te worden met de verborgenheid van het koninkrijk Gods, vers 11. De verborgenheid des Heeren was voor hen. Zij werden onderricht door hetgeen, waardoor anderen slechts werden vermaakt, en hun werd het gegeven toe te nemen in kennis door iedere gelijkenis, die zij hoorden, en meer te verstaan van de wijze, waarop Christus Zijn koninkrijk in de wereld bedoelde op te richten, terwijl anderen weggezonden werden zonder meer licht of kennis te hebben ontvangen. Zij, die de verborgenheid van het koninkrijk der hemelen verstaan, moeten erkennen dat het hun gegeven is te verstaan, zij ontvangen zowel het licht als het gezicht van Jezus Christus, die, na Zijne opstanding, beide de Schrift heeft uitgelegd en het verstand heeft geopend. Lukas 24, 27, 45.. Wij hebben hier in het bijzonder:
1. De gelijkenis van den zaaier, zoals wij haar gehad hebben in Mattheus 13:3 en verder. Hij begint, vers 3, met :Hoort toe, en besluit, vers 9, met :Wie oren heeft om te horen, die hore. De woorden van Christus eisen aandacht, en zij, die in Zijn naam spreken, mogen die aandacht gebieden en moeten haar opwekken. Zelfs op hetgeen wij nog niet ten volle verstaan, of nog niet recht verstaan, moeten wij nauwkeurig letten, gelovende dat het verstaanbaar en van groot aanbelang is, en wij het ten laatste ook zullen verstaan. Wij zullen in Christus gezegden meer vinden, dan er eerst in scheen te zijn.
2. De verklaring er van aan de discipelen. Wij hebben hier ene vraag, die Christus hun stelde, eer Hij hun die verklaring gaf, vers 13. Weet gij deze gelijkenis niet? Weet gij er de betekenis niet van? Hoe zult gij al deze gelijkenissen verstaan?
a. "Indien gij deze niet weet, die zo eenvoudig en duidelijk is, hoe zult gij dan andere gelijkenissen verstaan, die moeilijk en duister zijn? Indien gij door deze in verlegenheid wordt gebracht, die zo duidelijk den verschillenden uitslag aanduidt van het gepredikte woord, de uitwerking, die het heeft op de hoorders, die gij zelven gemakkelijk kunt waarnemen, hoe zult gij dan de gelijkenissen verstaan, die later spreken zullen van de verwerping der Joden en de roeping der heidenen, hetgeen iets is, waarvan gij geen denkbeeld hebt?" Het behoort ons op te wekken tot gebed, ons aan te sporen om kennis te verkrijgen, dat er zoveel is, waarbij wij belang hebben om het te weten, en zo wij de eenvoudige waarheden van het Evangelie niet verstaan, hoe zullen wij dan tot de kennis komen van die, welke zoveel moeilijker zijn? Het leven is kort, de kunst is lang. Als wij met de voetgangers hebben gelopen, en zij ons moede gemaakt hebben. hoe zullen wij ons dan mengen met de paarden? Jeremia 12:5.
b. "Indien gij dit niet weet, dat bestemd is om u ten richtsnoer te zijn bij het horen des woords, opdat gij er nut en voordeel van zult hebben, hoe zult ge dan uw voordeel kunnen doen met hetgeen gij nog verder zult horen? Deze gelijkenis moet u leren acht te geven op het woord, er door bewogen te worden, opdat gij het moogt verstaan. Indien gij dit niet ontvangt, dan zult gij ook den sleutel niet weten te gebruiken, die u opening moet geven van al het overige". Indien wij de regelen n iet verstaan, die wij hebben te volgen om van het woord te kunnen profiteren, hoe zullen wij dan van enigen anderen regel nut en voordeel trekken. Merk op, dat Christus, eer Hij de gelijkenis verklaart, hun aantoont hoe treurig de toekomst was van hen, die niet ingeleid waren in de betekenis van de leer van Christus: Het is u gegeven, maar niet aan hen. Het zal ons helpen om de voorrechten te waarderen, die wij genieten als discipelen van Christus, als wij denken aan den beklagenswaardigen toestand van hen, die deze voorrechten missen, inzonderheid, omdat zij zich buiten den gewonen weg der bekering bevinden, opdat zij zich niet te eniger tijd bekeren, en hun de zonden vergeven worden, vers 12. Alleen aan hen, die bekeerd zijn, zijn hun zonden vergeven, en het is de ellende van onbekeerde zielen, dat zij onder schuld liggen, die niet vergeven is. Hij toont hun welk een schande het was, dat zij zo bijzondere uitlegging nodig hadden van het woord, dat zij hadden gehoord, en in het eerst niet hadden begrepen. Zij, die willen toenemen in kennis, moeten zich bewust worden van hun onwetendheid. Hen aldus er voor toebereid hebbende, geeft Hij hun de verklaring der gelijkenis van den zaaier, gelijk wij die in Mattheus gehad hebben. Laat ons hier opmerken: Ten eerste. Dat op den groten akker der kerk het woord Gods aan allen, zonder onderscheid, uitgedeeld wordt. De zaaier is die het woord zaait, vers 14, het zaait op goed geluk, aan alle wateren, Jesaja 32:20, in allerlei soort van grond, niet wetende waar het vallen zal, of welke vruchten het zal voortbrengen. Hij strooit het uit om het te doen vermenigvuldigen. Voor een wijle heeft Christus zelf gezaaid, toen Hij rondtrok om te leren en te prediken, thans zendt Hij Zijne dienaren en zaait door hun hand. Evangeliepredikers zijn zaaiers, zij hebben de bekwaamheid en voorzichtigheid nodig van den landman, Jesaja 28:24-26, zij moeten niet zien op wind en wolken, Prediker 11:4, 6, zij moeten opzien tot God, die het zaad den zaaier verleent, 2 Corinthiërs 9:10.
Ten tweede. Dat er van de velen, die het woord des Evangelies horen en lezen, en er mede bekend zijn, vergelijkenderwijs slechts weinigen zijn, die het ontvangen en er de vruchten van voortbrengen. Hier is er van de vier slechts een met wie het goed gaat. Het is treurig te denken, hoeveel van het kostelijke zaad van het woord Gods verloren gaat, tevergeefs wordt gezaaid, maar er komt een dag, wanneer er van verloren leerredenen rekenschap gegeven moet worden. Aan velen, die Christus zelf in hun straten hebben horen prediken, zal hiernamaals gezegd worden van Hem te wijken. Zij dus, voor wie al hun Godsdienst bestaat in horen, alsof dat alleen genoeg is om hen te verlossen en zalig te maken, bedriegen zich zelven en hun verwachting is op zand gebouwd, Jakobus 1:22.
Ten derde. Er zijn velen, die voor het ogenblik zeer getroffen worden door het woord, maar er toch geen blijvend nut van ontvangen. De gewaarwordingen hunner ziel, opgewekt door hetgeen zij horen, zijn slechts flikkeringen, en als het geluid van doornen onder een pot. Wij lezen van geveinsden, dat zij lust hebben aan de kennis van Gods wegen, Jesaja 58:2, van Herodes, dat hij Johannes gaarne hoorde, Hoofdstuk 6:20, van anderen, dat zij zich verheugden in zijn licht, Johannes 5:35 :van hen, voor wie Ezechiël was als een lied der minne, Ezechiël 33:32. En zij, die hier voorgesteld worden door den steenachtigen grond, ontvingen het woord met vreugde, en toch liep het voor hen op niets uit.
Ten vierde. De reden, waarom het woord geen allesbeheersenden, blijvenden indruk maakt op het gemoed des volks, is dat hun hart niet behoorlijk bereid is om het te ontvangen. De schuld ligt aan hen, niet aan het woord. Sommigen zijn zorgeloze, vergeetachtige hoorders, en dezen ontvangen geen goeds uit het woord, het gaat het ene oor in en het andere oor uit. Bij anderen worden hun overtuigingen gesmoord en tot zwijgen gebracht door hun bederf, en zo verliezen zij den goeden indruk, dien het woord op hen gemaakt heeft, zodat er geen blijvend goed uit voortkomt.
Ten vijfde. De duivel houdt zich zeer bezig met loszinnige, zorgeloze hoorders, zoals de vogelen des hemels heen vliegen naar het zaad, dat boven den grond ligt. Als het hart, gelijk de weg, onbeploegd is, niet verootmoedigd, als het open en bloot ligt, om door elke voorbijganger te worden vertreden, zoals het hart van hen, die veel wereldsen omgang hebben, dan is de duivel gelijk de vogelen, hij komt snellijk en draagt het woord weg uit hun hart, eer zij het weten of vermoeden. Wanneer dus die vogelen afkomen op het offer, dan moeten wij er zorg voor dragen, evenals Abram, om ze weg te jagen, Genesis 15:11, opdat, hoewel wij ze niet kunnen beletten om boven ons hoofd te zweven, wij ze toch niet toelaten nesten te maken in ons hart.
Ten zesde. Er zijn velen, die wel niet openlijk geërgerd zijn, zodat zij hun belijdenis verzaken, gelijk die van den steenachtigen grond, maar in het verborgen is de kracht en uitwerking van het woord verstikt, zodat het niets uitricht. Zij volharden in hun onvruchtbare, huichelachtige belijdenis, die niets teweegbrengt, en zo gaan zij even gewis, hoewel onder een meer schonen schijn, afwaarts, naar de hel.
Ten zevende. Indrukken, die niet diep zijn, zijn ook niet duurzaam, zij zullen in tijden van lijden e n beproeving uitslijten, gelijk voetstappen op het zand aan den oever der zee, die uitgewist worden zodra de hoge vloed der vervolging daar is. Als de ongerechtigheid vermenigvuldigd wordt, zal de liefde van velen voor de wegen Gods verkouden. Velen, die in dagen van helderen zonneschijn aan hun belijdenis vasthouden, laten haar los in den storm, en doen als zij, die slechts voor hun genoegen op zee gaan, zodra de wind opsteekt komen zij terug. Het is het verderf, de ondergang der geveinsden, dat zij geen wortel hebben, zij leven niet uit een vast en levend beginsel, zij slaan geen acht op het hartewerk, en zonder dat is de Godsdienst van nul en gener waarde, want hij alleen is een Christen, die het met zijn hart is.
Ten achtste. Velen worden door hun overvloed in de wereld verhinderd om nut en voordeel te trekken uit het woord Gods. Menige goede les van ootmoed, barmhartigheid, zelfverloochening en hemelsgezindheid gaat verloren door dat overwegend behagen in de wereld, waartoe zij zo licht geneigd zijn, aan wie de wereld toelacht. Zo zijn er vele belijders, die anders wel tot iets hadden kunnen komen, maar blijken te zijn als Farao's magere koeien en dunne aren.
Ten negende. Zij, die niet bezwaard en belemmerd worden door de zorgen dezer wereld en de bedrieglijkheid van den rijkdom, kunnen toch het nut en voordeel hunner belijdenis verliezen door de begeerlijkheden der andere dingen. Dit is hier in Markus bijgevoegd, door een ongeregelden lust naar de dingen, die de zinnen behagen en de verbeelding prikkelen. Zij, die slechts weinig van de wereld bezitten, kunnen zich ten verderve brengen door toegeven aan het lichaam.
Ten tiende. Vrucht is hetgeen God verwacht en eist van hen, die van het Evangelie genieten, vrucht overeenkomstig het zaad, ene gemoedsgesteldheid en ene wijze van leven in overeenstemming met het Evangelie, Christelijke genadegaven in dagelijkse beoefening, Christelijke plichten naar behoren volbracht. Dit is vrucht, die ons overvloedig ten goede zal komen.
Eindelijk, Goede vrucht wordt niet anders verwacht dan van goed zaad. Indien het zaad in de goede aarde gezaaid wordt, indien het hart nederig, heilig en hemelsgezind is, dan zal er goede vrucht zijn, en soms zal het zelfs honderdvoudig voortbrengen, een oogst zoals Izaak ingezameld heeft, Genesis 26:12.