19. Wij hebben Hem lief (liever: laat ons, die toch van alle vrees en pijn wensen verlost te worden, Hem liefhebben), omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, omdat Hij het eerst door Zijn liefde ons heeft getrokken, ons daarin voorgekomen is (
Vers 10,
16).
De liefde is het gevoel van inwendig verbonden zijn, de gehele overgave, het opensluiten van mijn persoon voor een ander; de vrees is het gevoel van het ontbreken van overeenstemming, van daar het vluchten voor, het sluiten van mijn ik voor een ander. De liefde komt voort uit het gevoel, dat God voor ons is; de vrees uit het gevoel dat Hij tegen ons is. Het is dus duidelijk, dat die beide begrippen elkaar uitsluiten, zoals de apostel zegt: "er is in de liefde geen vrees". Ja, zo weinig komen die overeen, dat integendeel, waar de liefde is, zij de kracht en het streven heeft om de vrees te verdrijven; de liefde drijft de vrees buiten, hetgeen zij dan alleen kan, als zij een volmaakte, is, d. i. geheel het leven en zijn van de mens doordringt en vervult. Dat de liefde de vrees moet buiten drijven, verzekert de apostel daardoor, dat de vrees, pijn heeft. "
Als hij er vervolgens bijvoegt: "en die vreest is niet volmaakt in de liefde", dan denken wij aan datgene, wat volgens Hoofdstuk 1:4 zijn doel bij zijn lezers was, namelijk dat hun blijdschap volkomen zou zijn. En is nu zo'n volkomen vreugde, volgens hetgeen hij hier heeft ontwikkeld, niets anders dan het gevoel van gemeenschap met God, dat zelfs in het aangezicht van het laatste oordeel bevestigd wordt, dan is het te verklaren, hoe hij van hier voortgaat tot de vermaning in het negentiende vers.
Het kan zijn, dat waar de gemeenschap van de liefde met God reeds begonnen is, toch nog wankelingen plaats vinden, uit de vroegere verhouding van knecht voortspruitende en de vrees zich weer verheft. De apostel stelt echter een toppunt van Christelijk leven voor, waarop de liefde zozeer het overwegende geworden is, dat de vrees daardoor geheel verbannen is, zonder dat daarom elke heilige eerbied zou verbannen zijn, die de mens, die in het bewustzijn van de hem nog steeds aanklevende zonde leeft, dringt om over zichzelf te waken en alles te vermijden wat de gemeenschap met God in hem kan schaden. De macht van de liefde zal dit alles van hem verwijderd houden en er zal op dit toppunt van het Christelijk leven, waar de liefde alles kan doen, geen smart meer Zijn.
Geef mij die vrees, die blijft en de liefde niet verdrijft en door de liefde niet verdreven wordt; maar ontneem mij mijn beangstigdheid, mijn zondige beangstigdheid, opdat ik uw liefde geloven en liefhebben kan, zoals nodig is, opdat ik vrijmoedigheid heb in de dag des oordeels en mij verheug tegen de dag van de dood en van het oordeel!
Als een arm zondaar één met Christus geworden is en de vergevende liefde van God kent, kan het niet anders, of hij zal God wederkerig liefhebben. Toen de verloren zoon naar het vaderlijke huis terugkeerde, en zijn vader hem om de hals viel en hem kustte, toen voelde hij de liefde voor die vader in zijn hart ontbranden. Als de zomerzon haar volle stralen op de zee neerschiet, doet zij de dampen naar de wolken opstijgen. Zo doen ook de stralen van de Zon der gerechtigheid, als zij in de ziel neerdalen in haar wederkerig telkens nieuwe opwellingen van liefde tot Hem opkomen. Sommigen onder u wensen God te kunnen liefhebben. Komt dan in Zijn liefde. Gelooft dan, dat Hij u liefheeft, hoewel u onwaardig bent in u zelf. Het is beter door Hem geliefd te worden dan Hem te beminnen en het is ook de enige weg om Hem te leren liefhebben. Voordat het licht van de zon op de maan valt, is deze duister en onbehaaglijk, maar de maan vangt het licht op en geeft het dan weer van zich. Laat zo ook de liefde van God in uw hart schijnen en u zult haar weer op Hem overdragen. De liefde van Christus dringt ons. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Het enige geneesmiddel voor een liefdeloos hart is, het hart van Christus te leren kennen. Velen onder u voelen geen liefde voor God in zich, omdat zij een afgod liefhebben. U kunt verzekerd zijn, dat u nooit tot Zijn liefde gekomen bent, dat de vloek op u rust: "als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking! Maran-atha! "
Nog altijd wordt in onze tijd getwist en gestreden over de vraag wat eigenlijk het wezen van het Christendom, de onveranderlijke hoofdinhoud van het Evangelie van de zaligheid heten mag. Maar zou het, dus mag men vragen, wel mogelijk zijn de wezenlijke kern van de Christelijke heils- en levensleer beide korter, juister en treffender samen te vatten, dan in dit woord van Johannes geschiedt? Het opmerkzaam herlezende, zien wij weer het treffelijk woord van een schriftverklaarder van onze dagen gestaafd. Johannes is als een groot en rijk heer op reis, die slechts met grote muntstukken uitbetaalt. Betrekkelijk weinig zijn de woorden en begrippen, die onophoudelijk in zijn schrijven terugkeren, zoals licht, liefde, geloven en weten, aanschouwen en getuigen, maar men beproeft het eens de oneindige rijkdom van de diepe gedachtewereld te peilen, die zich in een enkel van deze woorden verbergt en slechts van lieverlede voor de opmerkzame blik zich onthult! "God is liefde", dat drietal woorden, tot tweemaal toe in ditzelfde Hoofdstuk gebruikt, het heeft meer licht over het heerlijk wezen van de hoge Godheid verspreid, dan al de orakelspreuken van de heidense wijsgeren samen; en waar, waar was de denker, de dichter, de prediker, die zichzelf immer in de ontvouwing van dit onuitputtelijk woord kon voldoen? En nu, die God heeft ons eerst liefgehad, ziedaar het kort begrip van de geloofsleer, zoals Johannes die voorstelt. "Wij hebben" zoals er in het oorspronkelijke nog algemener staat- "wij hebben lief, Hem zelf in de eerste plaats, maar dan ook en om Hem, de broeder, ziedaar het kort begrip van zijn zedenleer. Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, ziedaar de natuurlijke, juist daardoor onverbrekelijke schakel, die het een aan het ander vasthecht. Ja, dat is wel echt het Evangelie in zijn verheven eenvoud en zijn harmonische reinheid, maar ook in zijn onnaspeurlijke rijkdom en alles overwinnende kracht. Dit is het Evangelie, waarbuiten er geen ander is, ondoorgrondelijk in zeker opzicht, maar tevens hoogst voor God waardig, naar de onveranderlijke behoeften van de mens en de zondaar berekend. Niet: wij hebben Hem lief en willen dit zoveel mogelijk tonen, opdat Hij, daardoor bewogen, ons weer liefhebben zou. Dat is het kort begrip van alle godsdienst zoals die door de mensen voor mensen uitgedacht en uitgelegd is, zo natuurlijk mogelijk, maar zo wanhopig tevens. Want wat zal de mens geven tot lossing van zijn ziel en hoe zou de zondaar, door het ontrust geweten van zijn Maken gescheiden, er immer toe komen om uit zichzelf Hem, de vlekkeloos Heilige, lief te hebben, Hem nog wel eerst en onvoorwaardelijk lief te hebben? Ach, het bedenken van het vlees is, blijkens de ervaring van iedere dag, geen liefde, maar vijandschap veeleer tegen God. Ja, de verrassende, de bedwelmende en toch zo onbeschrijfelijk troostrijke openbaring, dat de driemaal Heilige ons, ellendige zondaren, liefgehad, eerst liefgehad, zo liefgehad heeft, wij zouden, onder de macht van het geweten eer geneigd zijn haar te verwerpen, dan aan te nemen; wij geloven haar dan eerst, als God zelf deze waarheid zo dicht aan de ziel heeft gebracht, dat wij ons eindelijk gewonnen geven, door zoveel liefde vertederd. Maar is eenmaal dat woord, nee, dat feit: "God heeft ons eerst liefgehad", zoals het gezien wordt in Christus, voor ons het feit zonder weerga geworden, dat innerlijk alles verder voor ons geloof en leven beslist, nee, dan behoeft het ons niet eenmaal met zoveel woorden gezegd te worden: "heb toch lief"; dan heeft, ook zonder dat, de hoogste openbaring van de liefde haar heerlijkst werk in de kleine wereld daarbinnen verricht. De liefde heeft wederliefde verwekt, de vonk heeft vlammen doen opschieten: "wij hebben werkelijk lief, omdat, Hij ons eerst liefgehad heeft. " Waar innerlijk deze eerste liefde van God is verstaan en ervaren, daar wordt nog altijd het woord van het lied van de liefde vervuld: Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden haar niet kunnen verdrinken (Hooglied 8:7); en daarom is er zoveel bitterheid en haat in de harten, omdat de mens, van zijn innerlijke verkeerdheid en onbeminnelijkheid maar al te goed zich bewust, niet geloven kan, dat hij nochtans het voorwerp is van een oneindige liefde, die tot ons ontfermend en zoekend zich neerbuigt. "Als de duivel", zegt een kerkvader, "dat woord: God is liefde, echt geloven kon, hij zou stellig gered zijn. " Danken wij, dat we het kennen en bidden we, dat wij het echt leren en blijven geloven, want daartoe is soms niet weinig nodig, als het oog goed geopend is voor menige afgrond daarbinnen. Maar spreken we dan ook niet langer van ons geloof, zo lang innige, werkzame wederliefde, beide tot de Vader en de broeders, niet de hoorbare grondtoon van ons leven geworden is. Van de Christen moet niet slechts gezegd kunnen worden: hij heeft, hij toont, maar hij is liefde, naar het beeld van de hoogste liefde vernieuwd. En dan, laat ons moed houden; de haat kan sterven, zelfs onze wederliefde kan kwijnen, maar de eerste liefde van God blijft onvergankelijk, de laatste grond van onze hoop en dit goddelijk Evangelie van zijn liefde moet zegepralen, zolang het rusteloos mensenhart zonder een eindeloze liefde onmogelijk gelukkig kan zijn.
De planeet bezit geen licht dan hetgeen van de zon afstraalt; evenzo is er geen ware liefde tot Jezus in het hart dan die, die van de Heere Jezus zelf afdaalt. Uit deze overvloeiende bron van de oneindige liefde van God moet al onze liefde tot God ontspringen. Deze moet immer de grote en zekere waarheid zijn, dat wij Hem om geen andere reden liefhebben, dan omdat Hij ons eerst liefgehad heeft, onze liefde tot Hem is het heerlijke uitwerksel van Zijn liefde tot ons. Ieder kan een koude bewondering voelen, wanneer hij de werken van God gadeslaat, maar het vuur van de liefde kan alleen door Gods Geest in het hart ontstoken worden. Hoe groot is niet het wonder, dat zulke als wij zijn ooit tot enige liefde voor Jezus gebracht zijn geworden! Hoe wonderbaar dat Hij, toen wij tegen Hem opstonden, door de openbaring van zo'n aanbiddelijke liefde ons wilde terugvoeren. Nee! nooit zouden wij een greintje liefde tot God in ons hart gehad hebben; als zij niet door het liefelijke zaad van Zijn liefde tot ons in ons was gezaaid, onze liefde zo heeft tot oorzaak, de liefde van God in het hart uitgestort; maar nadat zij op deze wijze goddelijk ontstaan is, moet zij goddelijk gevoeld worden. Die liefde is een uitheemse plant; zij kan niet natuurlijk in de menselijke grond groeien, zij moet van boven bevochtigd worden. De liefde tot Jezus is een tedere bloem en ontving zij geen andere voeding dan die, die uit de rots van onze harten getrokken wordt, zij zou snel verwelken. Zoals de liefde van boven komt, zo moet zij ook met hemels brood gevoed worden. Zij kan niet bestaan in de woestijn, tenzij zij door het manna uit de hemel gevoed wordt. Liefde moet door liefde leven. De ware ziel en het leven van onze liefde tot God is Zijn liefde tot ons.
Ik dank het U, dat `k U mag minnen; Want in mij zelf woont geen goed. U woudt Uw werk in mij beginnen, Nu leef ik bij Uw liefdegloed.