Jesaja 1:2-9
Wij willen hopen dat wij een lieflijker en aangenamer toneel te zien zullen krijgen, voor wij aan het einde zijn van dit boek, maar hier aan het begin ervan, heeft alles een donker, ja zeer donker aanzien voor Juda en Jeruzalem. Wat is de woestijn van deze wereld, indien de kerk de wijngaard, zo'n treurig voorkomen heeft. als hier beschreven wordt!
I. De profeet, hoewel sprekende in de naam van God, wanhoopt eraan om gehoor te verkrijgen bij de mensen, bij de kinderen van zijn volk, en daarom wendt hij zich tot de hemel en de aarde, en vraagt om hun aandacht vers 2. Hoort, gij hemelen, en neem ter ore gij aarde! Eerder zullen de onbezielde schepselen horen, die de wet waarnemen en aan het doel beantwoorden van hun schepping, dan dit stompzinnige, gevoelloze volk. Laat het licht des hemels hun duisternis beschamen, en de vruchtbaarheid van de aarde hun onvruchtbaarheid, en de stiptheid van beide voor hun tijd hun onregelmatigheid. Mozes begint aldus zijn rede, Deuter. 32:1, waarnaar de profeet hier verwijst, te kennen gevende dat nu de tijd gekomen was, die Mozes daar voorzegd had Deuteronomium 31:29. Of wel, dit is een beroep op hemel en aarde, op engelen, en dan op de inwoners van de boven- en de benedenwereld, laat hen richten tussen God en Zijn wijngaard, kan iemand hunner zo'n voorbeeld van ondankbaarheid tonen? God zal gerechtvaardigd worden als Hij spreekt, en hemel en aarde zullen Zijn gerechtigheid verkondigen, Micha 6:1, 2, Psalm 50:7.
II. Hij beschuldigt hen van lage ondankbaarheid, een zeer zware misdaad, noem iemand ondankbaar, en gij kunt hem bij geen slechter naam noemen: laat hemel en aarde horen en zich verbazen over:
1. Gods genadige handelingen met zo'n gemelijk, tergend volk, als zij waren. "Ik heb hen gevoed en grootgebracht als kinderen, zij werden goed gevoed en wel onderwezen," Deuteronomium 32:6. "Ik heb hen groot gemaakt en verhoogd, heb hen niet slechts laten opgroeien, maar hen groot gemaakt, hen niet slechts onderhouden, maar bevorderd, hen niet slechts opgevoed, maar hen opgeheven." De voortduur van ons leven, onze genietingen en al onze voorspoed zijn wij verschuldigd aan Gods vaderlijke zorg over ons en Zijn goedheid jegens ons.
2. Hun slecht gedrag tegenover Hem, die zo teder en liefdevol voor hen was. " Zij hebben tegen Mij overtreden," of zoals sommigen het lezen, "zij zijn van mij afgevallen, zij zijn deserteurs geweest, ja verraders tegen Mijn kroon en waardigheid." Al de blijken van Gods gunst jegens ons als de God van onze natuur en de God, die ons voedt en onderhoudt, verzwaren ons verraderlijk verlaten van Hem en ons hoogmoedig tegenstaan van Hem, kinderen, en toch rebellen!
III. Hij schrijft dit toe aan hun onwetendheid en onnadenkendheid, vers 3. "Een rund kent zijn eigenaar, maar Israël heeft] geen inzicht" 1.
Merk op:
1. De schranderheid van de os en de ezel, die niet slechts redeloze schepselen zijn, maar van de domste soort van dieren zijn, toch heeft de os nog zo'n besef van plicht, dat hij zijn eigenaar kent, en hem dient, en zich onderwerpt aan zijn juk. De ezel heeft zo'n besef van zijn eigen belang, dat hij de krib kent van zijn heer, waaraan hij gevoederd wordt, en er bij blijft, hij zal er uit zichzelf heengaan als hij losgemaakt wordt. De mens is er voorzeker fraai aan toe, als hij zelfs in kennis en verstand door deze domme dieren beschaamd wordt gemaakt, en niet alleen bij hen ter scholing wordt gezonden, Spreuken 6:6, 7 maar in een lagere klasse dan zij geplaatst wordt, Jeremia 8:7. Geleerder dan de beesten van de aarde, Job 35:11, en toch minder wetende.
2. De zotheid en domheid van Israël. God is hun eigenaar, hun bezitter, Hij heeft ons gemaakt, en wij zijn Zijn meer dan ons vee het onze is, Hij heeft goed voor ons voorzien, de voorzienigheid is de krib van onze Heer maar velen, die het volk van God genoemd worden, weten het niet en willen het niet bedenken of verstaan, maar vragen: "Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? Hij is niet onze eigenaar, en wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanroepen? Hij heeft geen krib voor ons om er aan gevoederd te worden." Hij had geklaagd, vers 2, over de hardnekkigheid van hun wil, zij hebben tegen Mij gerebelleerd. Hier gaat Hij er de oorzaak van na: "zij hebben daarom tegen Mij gerebelleerd, omdat zij geen kennis hebben, zij verstaan niet." Het verstand is verduisterd, en daarom is de ziel vervreemd van het leven Gods, Efeziers 4:18. Israël heeft geen kennis, hoewel hun land een land was van licht en kennis, God is bekend in Juda, maar omdat zij niet leven naar hetgeen zij weten, is het in werkelijkheid alsof ze` niets wisten. Zij hebben kennis, maar hun kennis doet hun geen goed, omdat zij niet verstaan wat zij weten, zij passen het niet toe op hun toestand, geven er hun gedachten niet aan. Zelfs onder hen, die belijden Gods volk te zijn, die de voorrechten hebben van Zijn volk en onder de verplichtingen ervan zijn, zijn er velen, die zeer zorgeloos en onverschillig zijn omtrent de aangelegenheden van hun ziel. Het niet bedenken wat wij weten is even verderfelijk voor ons in de godsdienst, als onwetendheid omtrent hetgeen wij behoren te weten. De mensen vallen af van God en rebelleren tegen Hem, omdat zij niet weten of bedenken wat zij in gehoorzaamheid en dankbaarheid aan God en in hun eigen belang aan Hem verplicht zijn.
IV. Hij betreurt de algemene verdorvenheid van hun kerk en hun koninkrijk, de ziekte van de zonde was epidemisch, en personen van allerlei rang en stand waren er door aangetast. Wee hel zondige volk, vers 4. De profeet beweent hen, die niet over zichzelf wilden wenen. Wee hun! Hij spreekt met heilige verontwaardiging over hun ontaarding, en hij vreest de gevolgen ervan. Zie hier:
1. Hoe hij hun zonde verzwaart, en er de boosaardigheid van aantoont, vers 4.
A. De goddeloosheid was algemeen, zij waren een zondig volk, de massa van het volk was verdorven en onheilig, zij waren dit in hun nationale hoedanigheid, in het behandelen van hun openbare verbintenissen met het buitenland, en in de openbare rechtspleging in hun eigen land, zij waren verdorven. Het staat slecht met een volk als de zonde nationaal wordt.
B. Zij was zeer zwaar en snood in haar aard. Zij waren beladen met ongerechtigheid, de schuld ervan, en door die schuld nam de vloek toe, lag zeer zwaar op hen, het was een zeer zware beschuldiging, die tegen hen werd ingebracht, waarvan zij zich nooit konden zuiveren, hun goddeloosheid was als een plant van lood op hen, Zacheria 5:7, 8. En hun zonde, die hen lichtelijk omringde, en waartoe zij maar al te zeer geneigd waren, was een last op hen, Hebreeën 12:1.
C. Zij waren van een slechte afkomst, zij waren het zaad van de boosdoeners, ontrouw zat hun in het bloed, hetgeen de zaak nog zoveel te erger maakte, nog meer tergend en minder geneeslijk, zij zijn opgestaan in de plaats van hun vaderen, en traden in hun voetstappen, om alzo de mate van hun ongerechtigheid vol te doen worden, Numeri 32:14, zij waren een geslacht van rebellen.
D. Zij, die zelf verdorven waren, deden wat zij konden om anderen te verderven, zij zijn niet slechts verdorven kinderen, die besmet geboren zijn, maar verdervende kinderen, die de ondeugd voortplanten en er anderen mee besmetten, niet slechts zondaren, maar verleiders, niet slechts aangepord door Satan, maar als zijn agenten hem dienende. Indien zij, die kinderen worden genoemd, Gods kinderen, die beschouwd worden als behorende tot Zijn gezin, slecht en goddeloos zijn, dan is hun voorbeeld van de allerslechtste invloed.
E. Hun zonde was een trouweloos afwijken van God, zij weken af van hun trouw, zij hebben de Heer verlaten, aan wie zij zich hadden verbonden, zij zijn achterwaarts gegaan, zij hebben zich vervreemd van God, zich van Hem afgescheiden, Hem hun rug toegekeerd, zij zijn ontrouw geworden aan hun vaandel, hebben de dienst verlaten, toen zij gedrongen werden om voorwaarts te gaan, gingen zij achterwaarts, zij waren onhandig als een onhandige koe, Hosea 4:16. Het was een onbeschaamd en vermetel tarten van Hem, zij hebben de Heilige Israëls tot toorn verwekt moedwillig en met voorbedachte rade, zij wisten wat Hem tot toorn zou verwekken, en dat deden zij. Het afwijken van hen, die de godsdienst hebben beleden, beleden hebben dat zij in betrekking staan tot God, is zeer bijzonder tergend voor Hem.
2. Hoe hij dit duidelijk maakt door een vergelijking met een door ziekte ondermijnd lichaam geheel bedekt met melaatsheid, of, zoals Jobs lichaam, met zweren en etterbuilen, vers 5, 6.
A. De ziekte heeft de levensdoelen aangetast, en dreigt dus dodelijk te zijn. Krankheden van het hoofd en het hart zijn het gevaarlijkst, nu is het hoofd, het gehele hoofd, ziek, het hart, het gehele hart is mat, zij waren verdorven in hun oordeel, de melaatsheid was in hun hoofd, zij waren geheel en al onrein, hun genegenheid voor God en godsdienst was koud, verdwenen, wat overig was was op het punt van te sterven, Openbaring 3:2.
B. De ziekte heeft zich verspreid over het gehele lichaam, en wordt uiterst walgelijk, van de voetzool af tot het hoofd toe, van de geringste boer tot de voornaamste rijksgrote, is er niets geheels, geen goed beginsel, geen godsdienst (want dat is de gezondheid van de ziel), niets dan wonden en etterbuilen, schuld en bederf de droeve uitwerkselen van Adams val, walglijk voor de heiligen God, pijnlijk voor de gevoelige ziel. Zij waren dit voor David, toen hij klaagde, Psalm 3:3,4 Mijne etterbuilen stinken, zij zijn vervuild vanwege mijn dwaasheid, Psalm 32:3, 4. Geen pogingen werden gedaan om tot een reformatie te komen, of, indien zij gedaan werden, bleken zij zonder kracht of uitwerking te wezen. De zweren waren niet uitgedrukt, de wonden niet verbonden, noch met olie verzacht. Zolang er geen berouw is van de zonde, zijn de wonden niet gepeild, niet gereinigd, het hoogmoedige vlees er in is niet weggesneden, en terwijl zij bijgevolg niet vergeven werd, zijn de wonden niet verzacht en niet verbonden, is er niets gedaan om ze te genezen, de noodlottige gevolgen ervan te voorkomen.
V. Diep treurt hij over de oordelen Gods, die zij over zich gebracht hadden door hun zonden en hun onverbeterlijkheid onder die oordelen.
1. Hun koninkrijk was bijna ten ondergang gebracht, vers 7. Zij waren zo diep rampzalig, dat beide hun steden en hun land verwoest waren, en zij waren zo stompzinnig, dat het nodig was hun dit te zeggen, dat het hun werd aangetoond. "Zie hoe het is, uw aardrijk is een verwoesting, de grond ligt braak uit gebrek aan inwoners om hem te bebouwen, daar de dorpen verlaten zijn, Richteren 5:7. En zo zijn de velden en wijngaarden een woestijn gelijk geworden, geheel opgeschoten van distels, Spreuken 24:31. Uw steden zijn met vuur verbrand, door de vijanden, die in uw land zijn gevallen, " (vuur en zwaard gaan gewoonlijk samen) "en wat betreft de vruchten van uw land, die uw gezinnen tot voedsel moesten verstrekken, vreemden verteren ze, en tot nog grotere kwelling en ergernis voor u, doen zij het voor uw ogen, en gij kunt het niet beletten of voorkomen, gij verhongert, terwijl uw vijanden zich oververzadigen met hetgeen u tot onderhoud moest strekken. De verwoesting van uw land is als een verwoesting door de vreemden, het wordt door de aanvallende vijanden behandeld, zoals men verwachten kon dat het door vreemden behandeld zou worden." Jeruzalem zelf, die als de dochter was van Zion, (de tempel, gebouwd op Zion, was een moeder, een voedstermoeder voor Jeruzalem) of Zion zelf, de heilige berg, die aan God dierbaar is geweest als een dochter, was nu verloren, verlaten, open en bloot, als een hutje in de wijngaard, waarin, als de wijnoogst voorbij is, niemand woont, en waarvoor niemand zorgdraagt, en ziet er even ellendig en verachtelijk uit als een nachthutje in de komkommerhof, en iedereen is bevreesd om er nabij te komen, en zorgt er voor om wat hij er in heeft, er uit te verwijderen, alsof het een belegerde stad was, vers 8. En sommigen denken dat het de rampspoedige toestand van het koninkrijk is, die vergeleken wordt bij een ziek lichaam, vers 6. Deze leerrede werd waarschijnlijk gehouden onder de regering van Achaz, toen Juda aangevallen werd door de koningen van Syrië en Israël, de Edomieten en de Filistijnen, die velen met het zwaard hebben gedood en velen gevankelijk weggevoerd, 2 Kronieken 28:5, 17, 18. Nationale goddeloosheid en onzedelijkheid brengen nationale verwoesting. Kanaän, de roem van alle landen, de berg Zion, de vreugde van de gehele aarde, zijn beide een smaad en een verderf geworden, en zij zijn dit geworden door de zonde, deze grote kwaaddoenster.
2. Toch hebben zij zich volstrekt niet verbeterd, en daarom dreigt God nog andere maatregelen met hen te zullen nemen, vers 5. Waarom zou gij meer geslagen worden met enigerlei verwachting van er u goed mee te doen, als gij des afvalt des te meer maakt naarmate uw bestraffingen meerder wordend. Gij zult al meer en meer rebelleren, zoals inzonderheid Achaz gedaan heeft, die ten tijde als men hem benauwde, de overtredingen tegen de Heer nog meer maakte, 2 Kronieken 28:22. Zo zal de arts, als hij ziet dat de ziekte van de patiënt ongeneeslijk is, hem niet meer lastig vallen met medicijnen, en de vader besluit zijn kind niet meer te kastijden als hij bevindt dat het zich geheel verhard heeft, maar onterft het. Er zijn van de zodanigen, die slechter gemaakt worden door de methodes, die God aanwendt om hen beter te maken, hoe meer zij geslagen worden hoe meer zij rebelleren, hun bederf, in plaats van te worden gedood, wordt geprikkeld, zij worden door hun beproevingen verbitterd, en hun hart verhardt zich. In de weg van een rechtvaardig oordeel laat God soms af van hen te bestraffen en te kastijden, die zich gedurende lange tijd onverbeterlijk hebben betoond, en die Hij daarom besluit te verderven. Het verworpen zilver zal niet in de smeltkroes worden geworpen, maar op de mesthoop, Jeremia 6:29, 30. Zie Ezechiël 24:13, Hosea 4:14. Die vuil is, dat hij nog vuil worde.
Vl. Hij vertroost zich met de overweging, dat er een overblijfsel is, dat een gedenkteken zal worden van Gods genade en goedertierenheid, niettegenstaande het algemene bederf en de verwoesting, vers 9. Zie hier:
1. Hoe nabij zij er aan toe waren om volkomen uitgeroeid te worden. Zij zijn bijna als Sodom en Gomorra geworden, beide ten opzichte van zonde en van verderf, zij waren bijna zo slecht geworden, dat er geen tien onder hen gevonden konden worden, en bijna zo rampzalig, dat niemand in het leven was gebleven en hun land in een zwavelachtige zee was verkeerd. De goddelijke gerechtigheid zei: Maak hen als Adama, stel hen als Zeboim, maar de goedertierenheid zei: Hoe zou Ik dit doen? Hosea 11:8, 9.
2. Wat het was, dat hen er voor behoedde. De Heer der heerscharen had hun een weinig overblijfsel gelaten, dat was vrijgehouden van de algemenen afval en behouden bleef tegen de komende algemene rampen. Dit wordt aangehaald door de apostel, Romeinen 9:27, en toegepast op die weinigen uit het Joodse volk, die in zijn tijd het christendom hebben omhelsd, terwijl de massa van het volk het bleef verwerpen, en in wie de beloften, gedaan aan de vaderen vervuld werden. In de ergste tijden is er nog een overblijfsel, dat behoed wordt tegen de ongerechtigheid en behouden wordt voor genade, zoals Noach en zijn gezin in de zondvloed, Lot en zijn gezin in de verwoesting van Sodom. De goddelijke genade triomfeert in te onderscheiden door een daad van vrijmacht. Dit overblijfsel is dikwijls zeer klein, in vergelijking met het zeer grote aantal van rebellerende, ten verderve gaande zondaren. De menigte, het grote getal, is geen kenmerk van de ware kerk, Christus heeft slechts een kleine kudde. Het is Gods werk om sommigen te heiligen en te behouden, terwijl anderen overgelaten worden om in hun onreinheid om te komen, het is het werk van Zijn macht als de Heer van de heerscharen, als Hij ons dat overblijfsel niet had gelaten, er zou niemand overgebleven zijn, de verdervers, vers 4, deden alles wat zij konden, om allen te verderven, en de verwoesters, vers 7, om alles te verwoesten, en zij zouden overmocht hebben, indien God zelf niet tussenbeiden ware getreden om zich een overblijfsel te behouden, dat nu gehouden en verplicht is om Hem al de eer te geven. Het is goed voor een volk, dat er voor bewaard bleef om geheel en al ten verderve te gaan, om terug te zien en te bespeuren hoezeer nabij zij er toe geweest zijn, man de rand van het verderf waren gekomen, en dan te zien, hoeveel zij aan enkele godvruchtige mensen te danken hebben, die in de bres hebben gestaan, en dat dit te danken was aan God, die hun deze godvruchtige mensen had overgelaten. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn.