Psalm 1:4-6
1. Hier hebben wij de beschrijving van de goddelozen, vers 4.
a. In het algemeen, zij zijn het tegenovergestelde van de rechtvaardigen zowel in aard als in toestand. Alzo zijn de goddelozen niet. De LXX herhalen dit met nadruk: niet aldus de goddelozen, zij zijn niet zo, zij worden geleid door de raad van de goddelozen op de weg van de zondaren, naar het gestoelte van de spotters, zij hebben geen lust in Gods wet, denken er zelfs niet aan, zij brengen geen vruchten voort, maar wijndruiven van Sodom, zij beslaan onnuttelijk de aarde.
b. In het bijzonder, terwijl de rechtvaardigen als nuttige, vruchtbare bomen zijn, zijn zij de goddelozen als het kaf, dat de wind henendringt, het allerlichtste van het kaf, het stof, dat de eigenaar van de dorsvloer weggedreven wenst te zien, daar het tot niets nut is. Wilt gij een schatting van hen maken? Wilt gij hen wegen? Zij zijn als het kaf, in Gods schatting van hoegenaamd geen waarde, hoe hoog zij zichzelf ook schatten mogen. Wilt gij hun gemoedsaard kennen? Zij zijn licht en ijdel, er is geen substantie in hen, geen degelijkheid, zij worden gemakkelijk door iedere wind en elke verzoeking heen en weer gedreven zij hebben geen vastheid. Wilt gij weten wat hun einde is? De toorn Gods zal hen heendrijven in hun goddeloosheid, zoals de wind het kaf henendrijft, dat nooit meer vergaderd of gezocht zal worden. Het kaf kan voor een wijle onder het koren zijn, maar Hij komt, "wiens wan In Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren'" Zij, die door hun eigen zonde en dwaasheid zich als kaf maken, zullen aldus bevonden worden voor de wind en het vuur des Goddelijken toorns, Psalm 35:5. even onmachtig om er voor te bestaan als om er aan te ontkomen, Jesaja 17:13.
2. Het oordeel over de goddelozen uitgesproken, vers 5..
a. Zij zullen na hun gerechtelijk verhoor als schuldig-verklaarde verraders uitgeworpen worden, zij zullen niet bestaan in het gericht, zij zullen schuldig worden bevonden, zij zullen van schaamte het hoofd laten hangen en al hun verontschuldigingen zullen als beuzelachtig worden afgewezen. Er is een toekomend oordeel, waarin ieders tegenwoordige aard en werk, hoe kunstmatig en zorgvuldig ook verborgen of bemanteld, volkomen ontdekt en in het licht gesteld zullen worden, in hun ware kleuren worden gezien, en dan zal ieders toekomende staat door een onherroepelijk vonnis voor de eeuwigheid worden vastgesteld. De goddelozen moeten verschijnen voor dat gericht om te ontvangen naar in het lichaam geschied is. Zij kunnen hopen er wel goed, ja met eer, te zullen afkomen, maar in die hoop zullen zij teleurgesteld worden, zij zullen niet bestaan in het gericht, zo helder en duidelijk zal het getuigenis tegen hen zijn, en zo onpartijdig en rechtvaardig zal het oordeel wezen.
b. Zij zullen voor eeuwig buitengesloten zijn van het gezelschap van de gelukzaligen, zij zullen niet bestaan in de vergadering van de rechtvaardigen, in het oordeel, volgens sommigen, in dat hof, waarin de heiligen als bijzitters met Christus de wereld zullen oordelen, deze heilige myriaden, waarmee Hij zal komen "om gericht te houden tegen allen", 1 Corinthiers 6:2. Of, in de hemel, daar zal weldra een algemene vergadering gezien worden van de gemeente van de eerstgeborenen, een vergadering van de rechtvaardigen, en van geen anderen dan heiligen, van volmaakte heiligen, een vergadering, zoals er nooit een op aarde gezien was, 2 Thessalonicenzen 2:1. In die vergadering zullen de goddelozen geen plaats hebben. In het Nieuwe Jeruzalem zal geen onreine, geen ongeheiligde binnenkomen. Zij zullen de rechtvaardigen zien ingaan in het koninkrijk, en zelf tot hun eeuwige kwelling zijn buitengeworpen, Lukas 13:27. De goddelozen en onheiligen in deze wereld hebben de rechtvaardigen en hun vergadering bespot, hen veracht en hun gezelschap niet begeerd, rechtvaardiglijk zullen zij dus voor eeuwig van hen gescheiden zijn. Geveinsden in deze wereld kunnen zich onder de dekmantel van een schoonschijnende belijdenis indringen in de vergadering van de rechtvaardigen en er ongehinderd en onontdekt blijven, maar Christus kan niet bedrogen worden, al kunnen Zijn dienstknechten het wel, de dag komt wanneer Hij de schapen van de bokken, het onkruid van de tarwe zal scheiden, zie Mattheus 13:41, 49. Die grote dag zo noemt het de Chaldeer zal een dag van ontdekking, een dag van onderscheiding en een dag van eindverdeling zijn. Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, Maleachi 3:18, hetgeen hier soms moeilijk te zien is.
3. De reden gegeven voor die verschillenden staat van de Godvruchtigen en goddelozen, vers 6..
a. God moet al de eer hebben van de voorspoed en de gelukzaligheid van de rechtvaardigen. Zij zijn zalig, omdat de Heere hun weg kent, Hij heeft er hen toe verkoren, en hen geneigd om hem te verkiezen, Hij leidt en bestuurt hen in die weg, bevestigt er hun gangen op.
b. Zondaren moeten al de schuld dragen van hun verderf. De goddelozen vergaan omdat de weg, waarop zij verkozen hebben te wandelen, regelrecht ten verderve voert, en daarom moeten zij daar noodzakelijkerwijs in eindigen. Of we kunnen het aldus nemen: de Heere keurt de weg des rechtvaardigen goed, heeft er een welbehagen in, en daarom zal hij onder de invloed van Zijn vriendelijke, goedkeurende blikken voorspoedig zijn en goed eindigen, maar Hij is toornig op de weg van de goddelozen, alles wat zij doen is Hem aanstotelijk, en daarom zal hun weg vergaan en zij er mede. Het is zeker dat ieders oordeel voortkomt van de Heere, en het staat goed of slecht met ons, en zal waarschijnlijk in alle eeuwigheid zo blijven, al naar wij de Heere welbehagelijk of niet welbehagelijk zijn. Laat dit de kwijnende moed van de rechtvaardigen ophouden, dat de Heere hun weg kent, hun hart kent, Jeremia 12:3, hun gebed in de binnenkamer ziet en hoort, Mattheus 6:6, hun karakter kent, in hoe zwarte kleuren het ook door de smaad van de mensen afgeschilderd wordt, en dat Hij weldra hen en hun weg openbaar zal maken voor de wereld, tot hun onvergankelijke eeuwige blijdschap en eer. Laat dit ook de vrolijkheid en gerustheid benevelen van de zondaars, dat hun weg, hoe aangenaam die nu ook is, ten laatste zal vergaan.
Laat ons, terwijl wij deze verzen zingen en biddend overdenken, een heilige vrees koesteren voor het deel des goddelozen, en het met een vaste, en levendige verwachting van het toekomend oordeel afbidden, en onszelf opwekken om er voor bereid te zijn, en ons met een heilige zorgvuldigheid Gode in alles aangenaam maken en van ganser harte bidden om Zijn gunst.