Psalm 72:18-20
Een doorluchtige profetie, zoals die in de voorafgaande verzen, van de Messias en Zijn koninkrijk, kan gevoeglijk, zoals hier, eindigen met hartelijke gebeden en lofzeggingen.
1. De psalmist is hier verruimd in dankzegging voor de profetie en belofte, vers 18,19. Zo gewis is ieder woord van God, en met zoveel blijdschap en voldoening kunnen wij er op steunen, dat wij reden genoeg hebben om God te danken voor hetgeen Hij heeft gezegd, hoewel het nog niet geschied is. Wij moeten erkennen dat God voor al de grote dingen, die Hij gedaan heeft voor de wereld, voor de kerk, voor de kinderen van de mensen, voor Zijn eigen kinderen, in het rijk van de voorzienigheid, in het rijk van de genade, voor al de macht, die Hij in de handen van de Verlosser gegeven heeft, waardig is om geloofd en geprezen te worden. Wij moeten ons en al wat binnen ons is opwekken om Hem te loven op de beste wijze, en begeren dat ook anderen dit zullen doen. Geloofd zij de Heere, dat is: geloofd zij Zijn heerlijke naam, want het is alleen in Zijn naam, dat wij iets kunnen bijdragen tot Zijn eer, en toch is ook die verhoogd boven allen lof en prijs. Laat hem tot in eeuwigheid geloofd worden, hij zal tot in eeuwigheid geloofd worden, hij verdient tot in eeuwigheid geloofd te worden, en wij hopen dat wij hem tot in eeuwigheid zullen loven. Hier wordt ons geleerd de naam van Christus te loven, en God te loven in Christus voor alles wat Hij door Hem voor ons gedaan heeft. Wij moeten Hem loven:
a. Als de Heere God, als een uit zichzelf bestaand, zelfgenoegzaam Wezen, en onze soevereine Heere.
b. Als de God van Israël in verbond met dat volk en door hen aangebeden en die dat is om Jakob de trouw en Abraham de goedertierenheid te geven.
c. Als de God die alleen wonderen doet in de schepping en de voorzienigheid, inzonderheid dit werk van de verlossing, dat ze alle overtreft. De werken van de mensen zijn kleine, alledaagse, beuzelachtige dingen, die zij echter zonder Hem niet zouden kunnen doen. Maar God doet alles door Zijn eigen kracht, en het zijn wonderwerken, die Hij doet, die de eeuwige bewondering zullen opwekken van heiligen en engelen.
2. Hij is vurig in zijn gebed voor de vervulling van deze profetie en belofte. De gehele aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld, zoals zij zijn zal, als de koningen van Tarsis en de eilanden Hem geschenken zullen aanbrengen. Het is treurig te denken hoe ledig de aarde is van de heerlijkheid Gods, hoe weinig dienst en eer Hij ontvangt van een wereld, voor welke Hij zo'n milddadige weldoener is. Allen dus die het wel menen met de eer Gods en het welzijn van de mensheid, kunnen niet anders begeren dan dat de aarde vervuld zal zijn van de openbaringen van Zijn heerlijkheid, en dat ieder Hem daarvoor de verschuldigde lof en dankzegging zal toebrengen. Laat ieder hart, en iedere mond, en elke vergadering vervuld zijn van de hoge lof van God. Wij zullen zien hoe vurig David is in dit gebed, hoezeer zijn hart er in is, als wij opmerken:
a. Hoe hij het gebed afsluit met een dubbel zegel, "Amen, ja Amen, wederom en nog eens zeg ik het, en laat alle anderen hetzelfde zeggen: zo zij het, Amen op mijn gebed, Amen op de gebeden van al de heiligen, die deze strekking hebben: Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome.". b. Hoe hij zelfs zijn leven besluit met dit gebed, vers 20. Dat was de laatste psalm, die hij ooit geschreven heeft, hoewel hij niet het laatst in deze verzameling geplaatst is, hij schreef hem op zijn sterfbed, en daarmee blies hij de laatste adem uit. "Laat God verheerlijkt worden, laat het koninkrijk van de Messias worden opgericht en in stand gehouden in de wereld, dan heb ik genoeg, meer begeer ik niet. Laat hiermede de gebeden van David, de zoon van Isaï, een einde hebben. Amen, Heere Jezus, kom, ja kom haastelijk."