Deuteronomium 24:14-22
I. Aan meesters wordt hier bevolen recht vaardig te wezen voor hun arme dagloners vers 14, 15.
1. Zij moeten hen niet verdrukken, hetzij door hen te overladen met werk, hen op onredelijke en onbillijke wijze te bestraffen, of hun hun loon te onthouden. Een dienstknecht, al is hij ook een vreemdeling voor het burgerschap Israëls, moet niet mishandeld worden. "Want gij zijt een knecht geweest in het land, waar gij een vreemdeling waart, vers 18, en ge weet hoe hard het is om door een aandrijver verdrukt te worden, en in dankbaarheid aan God, die u bevrijd heeft en u gevestigd heeft in uw eigen land, zult gij de dienstknecht, of dagloner, niet verdrukken." Meesters moeten geen tirannen wezen voor hun dienstknechten want hun Meester is in de hemel, zie Job 3i: 13.
2. Zij moeten trouw en stipt hun loon betalen. Op zijn dag zult gij zijn loon geven, hem niet slechts ten volle betalen en zonder bedrog er bij te plegen, maar ook op tijd, en zonder uitstel. Zodra hij zijn dagwerk heeft verricht, moet hij, zo hij het verlangt, zijn loon hebben, zoals de arbeiders, van wie gesproken wordt in Mattheus 20:8, als het avond geworden is. Hij, die voor dagloon werkt, wordt verondersteld van de hand in de tand te leven, en hij kan het brood voor morgen niet hebben voor zijn gezin, vóór hem zijn dagloon is uitbetaald. Wordt hem zijn loon onthouden, dan zal dit:
a. Verdriet zijn voor de dienstknecht, want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar, hij begeert ernstiglijk het loon van zijn werk, Job 7:2, en hij rekent er op als de gave van Gods voorzienigheid tot onderhoud van zijn gezin. Een medelijdend meester zou de verwachting van zijn arme dienstknecht niet willen teleurstellen, die er zich zo op verheugt zijn loon te ontvangen, al zou dit de meester ook wellicht een weinig ongelegen komen, maar dat is nog niet het ergste.
b. Het zal in de meester zonde zijn. "De benadeelde dienstknecht zal tegen u roepen tot de Heere, daar hij niemand anders heeft, tot wie hij zich kan wenden, zal hij appèl aantekenen bij het hof des hemels, en het zal zonde in u zijn." Of, indien hij niet klaagt, zal de zaak voor zichzelve spreken: "Het loon van de werklieden, welke van u verkort is, roept", Jakobus 5:4. Het is een grotere zonde dan de meeste mensen denken, en zal in de groten dag aldus bevonden worden, om arme dienstknechten, dagloners en werklieden, die wij gebruiken, te verdrukken en hun hun loon te onthouden. God zal hun recht doen, al doen de mensen het niet.
II. Aan overheidspersonen en rechters wordt geboden rechtvaardig te zijn in hun bedeling van het recht.
1. Voor criminele zaken wordt hier een blijvende regel vastgesteld, namelijk dat de vaders niet gedood zullen worden voor de kinderen, noch de kinderen voor de vaders, vers 16. Indien de kinderen zich blootstellen aan de straffen van de wet, zo laat hen de straf lijden, maar laat niet de ouders voor of met hen lijden, het is reeds smart genoeg voor hen om hun kinderen te zien lijden. Indien de ouders schuldig zijn, zo laat hen sterven om hun eigen zonde, maar hoewel God, de vrijmachtige Heere des levens, soms de ongerechtigheid van de vaderen, inzonderheid de zonde van afgoderij bezoekt aan de kinderen, laat Hij toch aan de mensen niet toe om dit te doen. Dienovereenkomstig bevinden wij, dat Amazia de kinderen spaarde, wier vaders ter dood werden gebracht omdat zij de koning hadden verslagen, 2 Koningen 14:6. Het was een buiten gewoon geval, en ongetwijfeld door de bijzondere leiding des hemels dat Sauls zonen gedood werden om het misdrijf huns vaders, en zij stierven veeleer als offers dan als kwaaddoeners, 2 Samuël 21:9, 14.
2. In gewone of civiele zaken tussen partij en partij moet grote zorg worden gedragen dat iemand, wiens zaak recht was, geen onrecht zou lijden vanwege zijn zwakheid, of omdat hij geen vrienden had om voor hem op te komen, zoals vreemdelingen, wezen en weduwen, vers 17. Gij zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, aan de weduwe niet dwingen tot haar klederen toe te pand te geven, omdat haar recht is onthouden. Rechters moeten voorspraken zijn van hen, die voor zichzelf niet kunnen spreken, en geen vrienden hebben om voor hen te spreken.
III. Aan de rijken wordt bevolen vriendelijk en barmhartig te zijn voor de armen. Op velerlei wijze wordt hun dit door de wet van Mozes geboden. Het bijzondere voorbeeld van barmhartigheid, hier bevolen, is dat zij niet gierig moeten zijn bij het inzamelen van hun oogst van koren, druiven en olijven, zodat zij bevreesd zijn om er iets van achter te laten maar liever iets moeten vergeten of voorbijzien en laat de nalezing voor de armen, vers 19-22.
1. Zeg niet: "het is alles van mij en waarom zou ik het dan niet hebben?" maar leer een edelmoedige minachting hebben voor de eigendom in zulke geringe zaken. Een paar vergeten garven zullen er u niet armer om maken aan het einde van het jaar, en het zal iemand goed doen, zo gij het niet hebt."
2. Zeg niet: "Als ik iets geef wil ik weten aan wie ik het geef, waarom zou ik het laten opzamelen door ik weet niet wien, die mij er dus ook nooit voor zal danken?" Maar vertrouw op Gods voorzienigheid in het beschikken over uw weldadigheid, die haar misschien aan de meest- nooddruftigen ten goede zal doen komen. "Of: Gij kunt met reden denken, dat wat gij laat liggen in handen zal komen aan de vlijtige, die ijverig zijn om te zoeken en op te zamelen wat deze wet voor hen verordineerd heeft."
3. Zeg niet: "Wat moeten de armen met druiven en olijven doen? Voor hen is het genoeg om brood en water te hebben", want daar zij dezelfde zintuigen hebben als de rijken, "waarom zouden zij dan ook niet eens iets hebben dat voor die zintuigen aangenaam is?" Boaz gaf bevel om opzettelijk iets voor haar uit de bundels te trekken en voor Ruth te laten liggen, en God heeft hem gezegend Alles wat achtergelaten wordt is niet verloren.