Jesaja 66:1-4
Hier wordt:
I. De tempel gering geacht in vergelijking met een begenadigde ziel, vers 1, 2. De Joden ten tijde van de profeet, en ook later in de dagen van Christus, roemden zeer op de tempel en beloofden zich daarvan heerlijke dingen. Om hen derhalve te vernederen en hun ijdele verwachtingen te schokken, voorzegden beide de profeten en Christus de verwoesting van de tempel, dat God hem zou verlaten en dat hij spoedig verstoord zijn worden. Nadat hij door de Chaldeën was verwoest, is hij spoedig herbouwd en werden de ceremonieële diensten er in hersteld, maar de Romeinen verwoestten hem voor goed en daarmee was de ceremonieële dienst uitgeroeid. Opdat de wereld daarop mocht voorbereid worden, werd hun dikwijls gelijk hier, voorzegd van hoe weinig waarde de tempel was voor God.
1. God had hem niet nodig. De hemel is de troon van Zijn heerlijkheid en heerschappij, daar zetelt Hij oneindig verheven boven alle andere waardigheid en regering, boven allen lof en prijs. De aarde is de voetbank van Zijn voeten, op welke Hij staat alle dingen regerende overeenkomstig Zijn wil. Indien Gods troon zo heerlijk en Zijn voetbank zo groot is, waar is dan het huis dat de mensen voor God zouden kunnen bouwen, dat de woonplaats van Zijn majesteit zou kunnen zijn en de plaats van Zijn rust? Hoe kan de eeuwige Geest voldaan worden door een huis, dat door mensenhanden gemaakt is? Welke behoefte heeft Hij die nooit moede of mat wordt, die nooit sluimert of slaapt, aan een huis, waarin Hij, gelijk wij, kan rusten? Of, indien Hij dat nodig had dan zou Hij het ons nog niet zeggen, Psalm 50:13, want Zijn eigen hand heeft al deze dingen, de hemelen en hun voorhoven gemaakt, evenals de aarde en al wat zij bevat, en al de heirscharen van beide. Al deze dingen zijn er geweest: hebben een begin gehad door de macht van God, die eeuwig gelukzalig was ook voor zij bestonden, en daarom kunnen zij Hem ook geen zegen toebrengen. Al deze dingen bestaan, zo lezen sommigen de woorden, en zij blijven bestaan, in stand gehouden door dezelfde macht die hen gemaakt heeft, zodat onze goedheid niet tot Hem geraakt. Indien Hij voor zichzelf een huis nodig had om daarin te wonen, dan zou Hij zelf het gemaakt hebben toen Hij de wereld schiep, en indien Hij er een gemaakt had, dan zou het evenals alle andere schepselen tot op deze dag zijn blijven bestaan volgens Zijn ordinantie, zodat Hij in geen geval behoefte had aan een tempel met handen gemaakt.
2. Hij acht de tempel niet zo hoog als een nederig, berouwhebbend en Godvrezend hart. Hij heeft een hemel en een aarde, die Hij zelf schiep, en een tempel die mensen maakten maar Hij ziet dat alles over het hoofd, om in gunst neer te zien op de arme van geest, die nederig en ernstig, zelfvernederend en zelfverloochenend is. wiens hart waarlijk een afkeer heeft van de zonde, er berouw over gevoelt en er vergeving voor zoekt en die beeft voor Gods woord, niet gelijk Felix, die er even door ontroerd werd maar niet langer dan zolang het hem verkondigd werd, maar met blijvend ontzag voor Gods majesteit en heiligheid, en bestendige vrees voor Gods gerechtigheid en toorn. Zulk een hart is een levende tempel Gods. Hij woont daarin en dat is de plaats van Zijn rust, het is gelijk hemel en aarde, Zijn troon en Zijn voetbank.
II. Slachtoffers worden veracht indien zij door onheilige handen aangeboden worden. De offerande des goddelozen is niet alleen onaannemelijk, maar zij is een gruwel in Gods ogen, Spreuken 15:8. Dit wordt hier in het brede aangetoond, vers 3 en 4.
Merk op: A. Hoe verwerpelijk hun offeranden voor God waren. De vleselijke Joden, na hun terugkeer uit de gevangenschap, vervielen wel niet opnieuw tot afgoderij, maar werden zeer zorgeloos en onachtzaam in de dienst van God, zij brachten het verminkte, en het lamme en het zieke ten offer, Maleachi 1:8, 13, en dat maakte hun dienst afschuwelijk voor God, zij hechtten niet aan hun offeranden, en hoe konden zij dan verwachten dat God op hen acht sloeg? De ongelovige Joden nadat het Evangelie hun was verkondigd en daarin kennis gegeven dat de grote ware offerande geschied was, waardoor aan alle ceremonieële diensten een einde was gekomen, gingen voort met offeranden te brengen, alsof de wet van Mozes nog van kracht was, en volmaken kon degenen die daar toegaan, en dat was verwerpelijk. Hij die een os slacht voor zijn eigen gebruik, is daarin vrij, maar hij die de os nu slacht voor Gods altaar, staat gelijk met die een man doodslaat-het is een even grote belediging voor God als een moord. Hij die dat doet, zet in werkelijkheid het offer van Christus ter zijde, vertreedt het bloed des Nieuwen Testaments, en maakt zich schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren, door meer op te richten hetgeen Christus door Zijn dood afgeschaft heeft Hij die een lam offert, indien dat gebrekkelijk is en geen mannetje uit zijn kudde, het beste dat hij heeft, indien hij God meent tevreden te stellen met zo iets, beledigt Hem, inplaats van Hem te behagen, hij is gelijk een die een hond de hals breekt. Geen beest was in de wet zo veracht als de hond, een ezel kon gelost worden, maar de prijs van een hond mocht niet in de schatkist gebracht worden, Deuteronomium 23:18. Hij, die spijsoffer brengt, spijsoffer of drankoffer, is als hij die tracht verzoening te verkrijgen door zwijnenbloed, bloed van een schepsel, dat niet mocht gegeten of aangeraakt worden, en waarvan het sap een gruwel was, Hoofdstuk 65:4, hoeveel te meer het bloed. Hij, die wierook brandt ten gedenkoffer, en daardoor zijn verachting voor de wierook van Christus' voorbede toont, is als hij die een afgod zegent, het was een belediging van God even groot als de verering van valse goden. Huichelarij en verachting en ontheiliging zijn even tergend als afgoderij.
B. Welke hun goddeloosheid was, waardoor hun offers zo verwerpelijk waren. Het was dat zij hun eigen wegen verkozen hadden de wegen van hun eigen goddeloze harten-en zij daarin niet alleen wandelen, maar ook hun ziel lust had aan hun verfoeiselen. Zij waren slecht en onzedelijk in hun omgang, verkozen de weg van de zonden boven die van Gods geboden, en stelden vermaak in hetgeen God tergde. daardoor werden hun offeranden zo beledigend voor God, Hoofdstuk 1:11. Zij, die voorgeven God te vereren door een belijdenis van de godsdienst en toch goddeloos leven werpen een smaad op Hem alsof Hij een beschermer van de zonden ware. En hetgeen hun goddeloosheid nog verergerde, was dat zij er in volhardden, niettegenstaande zij gedurig tot berouw en bekering geroepen werden, zij hielden zich doof voor alle waarschuwingen van de goddelijke gerechtigheid en al de aanbiedingen van de goddelijke genade. Wanneer Ik riep antwoordden zij niet, gelijk in Hoofdstuk 65:12. Hetzelfde volgt ook hier: Zij deden dat kwaad is in Mijn ogen. Zij waren doof voor hetgeen Hij sprak, gaven niets om hetgeen Hij zei, maar verkozen hetgeen waarvan zij wisten dat Hij er geen lust in had. Hoe konden zij verwachten dat Hij lust had in hun verering terwijl zij geen zorg droegen Hem te behagen in hun wandel, maar integendeel besloten waren Hem te tergen?
C. Het vonnis, dat over hen geveld wordt. Zij verkozen hun eigen wegen, en daarom zegt God, zal Ik verkiezen het loon hunner handelingen. Zij hebben hun keus gedaan, nu doe Ik de Mijne, zij hebben Mij naar hun zin behandeld nu zal Ik met hen de weg houden die Mij behaagt. Ik zal hun het loon geven voor hun handelingen, of volgens sommigen, voor hun inbeelding en bespotting. Zij hebben God bespot en onteerd door hun goddeloosheid, nu zal God hen overgeven aan hun vijanden, die hen onder de voet treden en beledigen zullen. Of: zij zullen bedrogen worden door hun ijdele verwachtingen, waarmee zij zichzelf misleid hebben. God zal hun zonde tot hun straf maken, ze zullen geslagen worden met hun eigen stok en door hun eigen toedoen in het verderf lopen. God zal hun vrezen over hen brengen, dat is Hij zal over hen brengen hetgeen een grote verschrikking voor hen zal zijn, en hetgeen zij altijd als het ergste gevreesd en getracht hebben door hun zonden te ontkomen. Ongelovige harten en ongereinigde, onbevredigde gewetens hebben niets anders nodig om hen ellendig te maken dan dat God hun eigen vrezen over hen brengt.