Ezra 10:1-5
Hier wordt ons gezegd:
I. Welke goede indruk door Ezra's verootmoediging en belijdenis van zonde op het volk teweeg was gebracht. Niet zodra liep het gerucht in de stad dat hun nieuwe landvoogd, in wie zij zich verheugden, zelf in droefheid was en wel in zo hoge mate, om hen en hun zonde, of terstond verzamelde zich tot hem een zeer grote gemeente, om te zien wat er van de zaak was en hun tranen met de zijne te vermengen, vers 1. Ons wenen over de zonden van anderen kan misschien diegenen zelf aan het wenen er over brengen, die anders ongevoelig en zonder berouw zouden gebleven zijn. Zie welk een gelukkige invloed het goede voorbeeld van de aanzienlijken op de minderen kan hebben. Toen Ezra, een schriftgeleerde, een man van grote kennis, een man, die onder de koning met het hoogste gezag bekleed was, het openbare bederf zo diep betreurde, kwamen zij tot de gevolgtrekking dat het dan ook heel erg moest wezen, want anders zou hij er niet zo om geweend hebben, en dit ontlokte tranen aan ieder oog, mannen, vrouwen en kinderen weenden met groot geween toen hij aldus weende.
II. Welk een goed voorstel door Sechanja gedaan werd bij deze gelegenheid. De plaats was Bochim, een plaats van wenenden, maar, voorzover blijkt, heerste een diep stilzwijgen onder hen, zoals onder de vrienden van Job, die geen woord tot hem spraken, want zij zagen dat de smart zeer groot was, totdat Sechanja, (één van Ezra's metgezellen op zijn reis naar Babel, Hoofdst. 8, 3, 5) opstond en tot Ezra een rede hield, waarin hij:
1. De nationale zonde erkent, geheel Ezra's belijdenis samenvat in één woord en er zijn zegel op zet, dat het waar was: "Wij hebben overtreden tegen onze God, en wij hebben vreemde vrouwen genomen, vers 2, de zaak is te duidelijk om ontkend te worden en te slecht om te worden verontschuldigd." Het blijkt niet dat Sechanja zelf schuldig was in deze zaak-indien hij de balk in zijn eigen oog had, hij kon niet zo helder gezien hebben om hem uit het oog van zijn broeder te rukken- maar zijn vader was er schuldig aan, en ook verscheidenen van het huis van zijn vader, zoals blijkt in vers 26, en daarom rekent hij zichzelf onder de overtreders, ook verontschuldigt of bemantelt hij de zonde niet, hoewel sommigen van zijn eigen bloedverwanten eraan schuldig waren, maar in de zaak Gods, "zegt hij" evenals Levi, ik "zie hem niet," Deuteronomium 33:9. Misschien is de vreemde vrouw, die zijn vader gehuwd had, een onrechtvaardige, onvriendelijke stiefmoeder voor hem geweest, had zij kwaad gesticht in het gezin, en veronderstelde hij dat anderen evenzo gedaan hadden, hetgeen hem zoveel ijveriger maakte om tegen dit bederf op te treden. Indien dit zo was, dan was het niet de enige maal, dat door de voorzienigheid Gods persoonlijke grieven dienstbaar gemaakt werden aan het algemene welzijn.
2. Hij moedigt zichzelf en anderen aan te hopen dat, hoewel de zaak slecht was, er verbetering in gebracht kon worden: "Maar nu, daar is" "hoop voor Israël," (voor wie zou er hoop zijn, zo niet voor Israël? Zij, die vervreemd zijn van dat burgerschap, worden gezegd geen hoop te hebben, Efeziers 2:1 "deze aangaande." De zaak is treurig, maar zij is niet wanhopig, de ziekte is gevaarlijk, maar niet ongeneeslijk. Er is hoop, dat het volk hervormd zal worden de schuldigen teruggebracht zullen worden van hun boze weg, de besmetting tot staan zal worden gebracht, aldus kunnen de oordelen, die de zonde verdient, afgewend worden, en dan zal alles wel wezen. Nu is er hoop, nu de ziekte ontdekt is, is zij half genezen. Nu de alarmklok gehoord is, begint het volk besef te krijgen van het kwaad en het te betreuren, een geest van berouw schijnt over hen uitgestort te zijn, en nu zij er zich allen om verootmoedigen voor God, is er hoop, dat God zal vergeven, en genadig zal zijn. Het dal Achor, dat is: het dal van de droefenis, is de "deur van de hope," Hosea 2:14, want de zonde, waarover wij in waarheid bedroefd zijn, zal ons niet ten verderve brengen. Er is hoop nu Israël zo'n wijs, vroom en ijverig landvoogd heeft als Ezra is, om deze zaak in orde te brengen. In treurige tijden moeten wij zien en letten op hetgeen voor ons is, zowel als op hetgeen tegen ons is. Er kan goede hoop zijn door genade, zelfs waar men zich van grote schuld voor God bewust is. Waar zonde gezien en betreurd wordt, en goede maatregelen worden genomen tot hervorming, moeten zelfs zondaren worden bemoedigd. Zelfs grote heiligen moeten dankbaar goede, gepaste raad en vertroosting aannemen van hen, die in vele opzichten hun minderen zijn, zoals Ezra van Secharja.
3. Hij raadt aan dat snelle en krachtige maatregelen genomen zullen worden voor het wegzenden van de vreemde vrouwen. De zaak is duidelijk, wat verkeerd gedaan is, moet ongedaan worden gemaakt, zover als dit mogelijk is, niets minder dan dat is waar berouw. Laat ons al die vrouwen en wat van haar geboren is doen uitgaan, vers 3. Ezra wist dat dit het enige middel was om dit kwaad weg te nemen, maar heeft misschien gedacht dat het niet uitvoerbaar was, en wanhoopte er aan om het volk daar toe te brengen, hetgeen hem in die verbazing bracht, waarin wij hem gezien hebben in het vorige hoofdstuk. Maar Secharja, die meer omgang had met het volk dan hij, verzekerde hem dat de zaak gedaan kon worden, zo zij met wijsheid te werk gingen. Wat ons thans betreft, het is zeker dat de zonde weggedaan moet worden, er moet een scheidbrief aan worden gegeven, met het vaste besluit om er nooit meer iets mee te doen te hebben, al is zij ook zo dierbaar als de huisvrouw van uw schoot, ja als een rechteroog of een rechterhand, want anders is er geen vergeving, geen vrede. Wat onrechtmatig verkregen werd, kan niet rechtmatig worden gehouden, maar moet teruggegeven worden, maar voor het geval waar een ander juk is aangetrokken met de ongelovigen, dat is: waar een huwelijk werd aangegaan met ongelovigen, mag Sechanja's raad, die hem toen zo duidelijk recht was, thans niet worden gevolgd, het is zeker dat zulke huwelijken zondig zijn, en niet gesloten hadden moesten zijn, maar zij zijn niet ongeldig. Onze regel onder het Evangelie is: Quod fieri non debuit, factum valet-Hetgeen niet had behoren gedaan te worden, moet, als het gedaan is blijven. Indien "enige broeder een ongelovige vrouw heeft, en die tevreden is bij hem te" "wonen, dat hij ze niet verlate," 1 Corinthiers 7:12.
4. Hij geeft hun een goede methode aan, om deze reformatie tot stand te brengen, en toont hun niet slechts dat het gedaan moet worden, maar hoe het gedaan moet worden.
a. Laat Ezra en allen, die tegenwoordig waren in deze vergadering, overeenkomen in een besluit, dat dit gedaan moet worden, laat er over gestemd worden en het zal nemine contradicente- eenstemmig aangenomen worden, opdat gezegd kan worden dat het gedaan werd naar de raad mijns heren, vers 3, de president van de vergadering, met de algemene instemming van hen, die beven voor het gebod van onze God, waardoor zij werden aangeduid, die tot hem vergaderd waren, vers 9. Verklaar het als het gevoelen van alle sobere, ernstige lieden onder ons, het kan niet anders of dit moet groten invloed uitoefenen op Israëlieten.
b. Laat het gebod Gods, dat Ezra in zijn gebed herhaald heeft, het volk voorgelegd worden, en laat hen zien dat het gedaan wordt naar de wet, die geeft ons er volmacht toe, ja meer, zij gebiedt het ons, het is geen toevoegsel van ons aan de wet Gods maar de noodzakelijke uitvoering er van. c. Laat ons, terwijl wij in een goede gezindheid zijn, ons verbinden door een plechtige gelofte en verbond, dat wij het doen zullen, als wij de tegenwoordige indruk laten verflauwen dan blijft de zaak ongedaan. Laat ons ons verbinden om, niet alleen als wijzelf vreemde vrouwen hebben ze weg te doen, maar om, zo wijzelf ze niet hebben, anderen te verplichten om de hun weg te doen.
d. Laat Ezra zelf de leiding van deze zaak in handen nemen, hij is door de lastbrief van de koning gemachtigd om te onderzoeken of de wet Gods in Juda en Jeruzalem behoorlijk wordt nagekomen, Hoofdst. 7:14, en laat ons allen besluiten er hem in bij te staan, vers 4. Sta op, wees sterk en doe het. Wenen om deze zaak is goed, maar hervormen is beter. Zie wat God in een soortgelijk geval tot Jozua gezegd heeft, Jozua 7:10, 11.
III. Tot welk een goed besluit zij op dit goede voorstel gekomen zijn, vers 5. Zij stemden er niet alleen in toe dat het gedaan zou worden, maar verbonden zich met een eed dat het gedaan zou worden naar dit woord. Wie zich in goeddoen vast verbinden, zullen er zich wèl bij bevinden.