Handelingen 7:42-50
Wij hebben twee dingen in deze verzen.
I. Stefanus verwijt hun de afgoderij hunner vaderen, waaraan God hen heeft overgegeven als straf voor hun vroegtijdige verzaking van Hem in hun aanbidding van het gouden kalf, en het was de treurigste straf voor die zonde, evenals van de afgoderij van de Heidenwereld, dat God hen heeft overgegeven in een verkeerden zin. Toen Israël vergezeld was met de afgoden, vergezeld met het gouden kalf, en niet lang daarna met Baäl-Peor, zei God: Laat hen varen, laten zij voortgaan, vers 42, toen keerde God zich en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden. Hij heeft hen bijzonder gewaarschuwd, dat zij het niet zouden doen, en gaf hun de redenen op waarom zij het niet moesten doen, maar toen zij er hun zinnen op hadden gezet, heeft Hij hen overgegeven in het goeddunken huns harten, onthield Hij hun Zijne weerhoudende genade, en toen wandelden zij naar hun eigen raad, en waren zo ergerlijk verzot op hun afgoden, als nooit enig volk geweest is. Vergelijk Deuteronomium 4:19 met Jeremia 8:2. Hiertoe haalt hij de Schriftuurplaats Amos 5:25 aan. Want het was minder verbitterend voor hen, om hun door een Oud-Testamentische profeet hun aard en karakter te laten voorhouden, en hun oordeel aan te laten zeggen. Deze profeet bestraft hen:
1. Wegens hun niet offeren aan hun eigen God in de woestijn, vers 42, Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij geofferd, veertig jaren in de woestijn? Neen, gedurende al dien tijd was dit nagelaten, zij hebben na het tweede jaar niet eens het pascha gehouden. Het was Gods toegevendheid voor hen, dat Hij er gedurende hun ongevestigden staat niet op aandrong. Maar laten zij dan nu bedenken, hoe slecht zij Hem dit vergolden hebben door offeranden te offeren aan afgoden, als God hen vrij stelde van er Hem te offeren. Dit is ook ene bestraffing van hun ijver voor de zeden, die Mozes hun overgeleverd heeft, en hun vrees van ze veranderd te zien door dezen Jezus, dat zij, terstond nadat zij hun overgeleverd waren, ze veertig jaren lang als nutteloze zaken in onbruik lieten.
2. Wegens hun offeren aan andere goden, toen zij in Kanaän kwamen, vers 43. Gij hebt opgenomen den tabernakel Molochs. Moloch was de afgod van de kinderen Ammons, waaraan zij op barbaarse wijze hun eigene kinderen opofferden, dat zij niet konden doen zonder smart en afgrijzen voor hen zelven en voor hun gezin, toch zijn zij tot die onnatuurlijke afgoderij vervallen, toen God hen overgaf, dat zij het heir des hemels dienden, zie 2 Kronieken 28:3. Het was voorzeker de ergste begoocheling, waar ooit een volk aan overgegeven was, en het grootste voorbeeld van de macht van Satan in de kinderen der ongehoorzaamheid, en daarom wordt hier met zoveel nadruk gezegd: ja, gij hebt opgenomen den tabernakel Molochs, zelfs daaraan hebt gij u onderworpen, en de aanbidding van het gesternte uws gods Remfan. Sommigen denken, dat het de maan betekent, zoals Moloch de zon betekent, anderen houden het voor Saturnus, want in de Syrische en Perzische talen is die planeet Remfan genoemd. De Septuaginta stelt het voor Kijun, als een naam, die meer algemeen bekend is. Zij hadden beelden, die de ster voorstelden, zoals de zilveren tempeltjes voor Diana, hier genoemd, de afbeeldingen, die zij gemaakt hebben om die te aanbidden. Dr. Lightfoot denkt, dat zij afbeeldingen hadden, die den gehelen sterrenhemel voorstelden met al de constellaties en de planeten, en dezen worden Remfan genoemd "de hoge voorstelling", zoals de hemelglobe. Een armzalig ding om er een afgod van te maken, en toch nog beter dan een gouden kalf! Deswege nu komt de bedreiging: Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylonië. In Amos is het boven Damascus, bedoelende naar Babylon, het land van het Noorden. Maar Stefanus verandert dit met het oog op de gevangenschap der tien stammen, die weggevoerd werden in Assyrië aan de rivier Gozan en in de steden der Meden, 2 Koningen 17:6. Laat het hun dus niet vreemd toeschijnen, om van de verwoesting dier plaats te horen, want zij hadden het menigmaal gehoord van de profeten van het Oude Testament, welke door niemand deswege als lasteraars aangeklaagd werden dan door de slechte heersers. Bij de bespreking van Jeremia's zaak werd opgemerkt, dat Micha niet ter verantwoording werd geroepen, hoewel hij geprofeteerd had: Zion zal als een akker geploegd worden, Jeremia 26:18, 19.
II. Hij beantwoordt inzonderheid de beschuldiging, die tegen hem was ingebracht met betrekking tot den tempel: hij houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats, vers 44-50. Hij werd in staat van beschuldiging gesteld, omdat hij gezegd had, dat Jezus deze heilige plaats zal verwoesten. "En gesteld eens, dat ik dit gezegd heb", zegt Stefanus, "de heerlijkheid van den heiligen God is niet verbonden aan de heerlijkheid van deze heilige plaats, zij kan onaangetast blijven, al is het ook, dat die heilige plaats in het stof wordt gelegd", want
1. Het was niet voordat onze vaderen in de woestijn kwamen, op hun weg naar Kanaän, dat zij ene bepaalde plaats ter Godsverering hadden, en toch hebben de aartsvaders eeuwen te voren God op Hem welbehaaglijke wijze aangebeden bij de altaren, welke zij bij hun tenten in de open lucht hadden opgericht-subdio, en Hij, die zonder ene heilige plaats aangebeden werd in de eerste, en beste, en reinste tijden der Oud-Testamentische kerk, kan en zal aldus aangebeden worden, als deze heilige plaats verwoest zal wezen, zonder enige vermindering van Zijne eer en heerlijkheid.
2. De heilige plaats was in het eerst slechts een tabernakel, gering, en beweegbaar, en niet bestemd om bestendigd te worden. Waarom zou dan deze heilige plaats, al is zij ook van steen gebouwd, niet op betamelijke wijze tot haar einde gebracht kunnen worden, om plaats te maken voor iets beters, evengoed als dit met die andere geschiedde, welke van gordijnen geformeerd was? Gelijk het gene oneer, maar ene ere was, voor God, dat de tabernakel plaats heeft gemaakt voor den tempel, zo is het ook nu, dat de stoffelijke tempel plaats maakt voor den geestelijken tempel, en zo zal het zijn, als ten laatste de geestelijke tempel plaats maakt voor den eeuwigen tempel.
3. Die tabernakel was een tabernakel der getuigenis, ene afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, Hebr. 9:9, ene schaduw der toekomende goederen, van den waren tabernakel, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens, Hebr. 8:2. Het was de heerlijkheid, beide van den tabernakel en van den tempel, dat zij opgericht waren als een getuigenis van dien tempel Gods, die in de laatste dagen in den hemel geopend zal worden, Openbaring 11:10, en van Christus' tabernakelen op aarde (zoals het woord is in Johannes 1:14) en van den tempel van Zijn lichaam.
4. Die tabernakel was geformeerd, zoals God het geordineerd had, en naar de wijze, die aan Mozes op den berg getoond was, hetgeen duidelijk te kennen geeft, dat hij ene schaduw was van toekomende goederen, zijne oprichting hemels zijnde, was ook zijne betekenis en strekking hemels, en daarom was het gene verkleining van zijne heerlijkheid te zeggen, dat deze tempel, met handen gemaakt, verwoest zal worden, ten einde een anderen te bouwen, die niet met handen gemaakt is, hetgeen de misdaad was van Christus, Markus 14:58, en van Stefanus.
5. Die tabernakel was het eerst opgericht in de woestijn, hij is niet ontstaan in uw land, (waaraan gij hem voor eeuwig verbonden waant,) maar werd in de volgende eeuw door onze vaderen, die kwamen na hen, welke hem het eerst hadden opgericht, gebracht in de bezitting der Heidenen, het land Kanaän, dat gedurende langen tijd in het bezit was geweest van de ten verderve gewijde volken, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen. En waarom zou God zijn geestelijken tempel niet kunnen oprichten, zoals Hij den stoffelijken tabernakel had opgericht in de landen, die de Heidenen bezaten? Die tabernakel werd gebracht door hen, die met Jezus, dat is: Jozua, gekomen zijn. Ik ben van mening, dat duidelijkheidshalve, en om vergissing te voorkomen, die naam hier, zowel als in Hebr. 4:8, aldus gelezen moet worden. Doch in deze vermelding hier van Jozua-in het Grieks Jezus, kan ene stilzwijgende aanduiding zijn, dat, gelijk de Oud-Testamentische Jozua dezen typischen tabernakel in het land gebracht heeft, de Nieuw-Testamentische Jozua den waren tabernakel in het bezit der Heidenen brengen zou.
6. Die tabernakel is eeuwen lang in stand gebleven, tot de dagen David's toe, meer dan vier honderd jaren dus, eer er aan gedacht werd om een tempel te bouwen, vers 45. David, voor God genade gevonden hebbende, heeft wel ook nog deze gunst begeerd, voor God een huis te mogen bouwen, ene woonstede te vinden voor den God Jakobs, een blijvenden tabernakel, voor de Shechina, of het teken van Gods tegenwoordigheid. Zij, die voor God genade vinden, behoren zich te beijveren om de belangen Zijns koninkrijks onder de mensen te bevorderen.
7. God had zo weinig Zijn hart gezet op een tempel, of op zulk ene heilige plaats, als waarvoor zij zo ijverden, dat, toen David begeerde er een te bouwen, hem dit verboden werd. God had daar geen haast mede, zoals Hij tot David zei, 2 Samuël 7:7, en daarom was hij het niet, maar zijn zoon Salomo, die enige jaren later, Hem een huis bouwde. David heeft al die liefelijke gemeenschap met God gesmaakt in den openbaren eredienst, waarvan wij lezen in de psalmen, voordat er een tempel gebouwd was.
8. God heeft dikwijls verklaard, dat tempelen met handen gemaakt, Zijne verlustiging niet waren, noch dat zij iets aan de volkomenheid Zijner rust en Zijner blijdschap konden toedoen. Toen Salomo den tempel inwijdde, erkende hij, dat God niet woont in tempelen met handen gemaakt, Hij heeft ze niet nodig, wordt er niet door beweldadigd, kan er niet toe beperkt worden. De gehele wereld is Zijn tempel, waarin Hij alomtegenwoordig is, en dien Hij vervult met Zijne heerlijkheid, welke behoefte heeft Hij dan aan een tempel, om er zich in te openbaren? De voorgewende goden der Heidenen hadden wel tempels nodig met handen gemaakt, want zij waren goden, met handen gemaakt, vers 41, en zij hadden gene andere plaats om er zich in te openbaren, dan hun eigene tempels, maar de enig ware en levende God heeft geen tempel nodig, want de hemel is Zijn troon, waar Hij rust, en de aarde is Zijne voetbank, waarover Hij regeert, vers 49, 50, en daarom: Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, dat vergeleken kan worden met hetgeen Ik reeds heb? Of welke is de plaats Mijner rust? Welke behoefte heb Ik aan een huis, hetzij om er in te rusten, of er Mij zelven in te tonen? Heeft niet Mijne hand alle deze dingen gemaakt? En dezen tonen Zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid, Romeinen 1:20, zij tonen zich aan geheel het mensdom, opdat diegenen niet te verontschuldigen zouden zijn, die andere goden aanbidden. En gelijk de wereld aldus Gods tempel is, waarin Hij is geopenbaard, zo is hij ook Gods tempel, waarin Hij aangebeden wil worden. Gelijk de aarde vol is van Zijne heerlijkheid, en daarom Zijn tempel is, Jesaja 6:3, zo is ook de aarde, of zal zij zijn, vol van Zijn lof, Habakuk 3:3, en alle einden der aarde zullen Hem vrezen, Psalm 67:8, te dien opzichte is zij Zijn tempel. Het was dus volstrekt geen blaam, die op deze heilige plaats werd geworpen-al houden zij dit er ook voor-om te zeggen: Jezus zal dezen tempel verwoesten, en een anderen oprichten, waarin alle volken zullen toegelaten worden, Hoofdstuk 16, 16, 17. En het kon niet vreemd schijnen aan hen, die nadachten over de Schriftuurplaats, door Stefanus hier aangehaald, Jesaja 66:1-3, die, gelijk zij sprak van Gods- vergelijkenderwijze- minachting voor het uitwendige deel van Zijn eredienst, ook duidelijk de verwerping voorzegt van de ongelovige Joden, en het welkom in de kerk aan de Heidenen, die verslagen van geest zijn.