Psalm 35:11-16
Twee zeer goddeloze dingen legt David hier zijn vijanden ten laste, om zijn beroep op God tegen hen te rechtvaardigen: meineed en ondankbaarheid.
I. Meineed, vers 11 Toen Saul David in staat van beschuldiging wilde stellen wegens hoogverraad ten einde hem vogelvrij te verklaren, deed hij dit misschien met de formaliteiten van een wettige vervolging, bracht hij getuigen voor, die onder ede verklaarden hem verraderlijke woorden te hebben horen spreken, of wel dat hij zich aan openlijke daden van verraad had schuldig gemaakt; en daar hij zelf niet tegenwoordig was, om zich te zuiveren (indien hij het wel ware geweest, het zou toch niet gebaat hebben), verklaarde Saul hem voor een verrader. Hierover klaagt hij hier als over de grootst mogelijke onrechtvaardigheid. Valse getuigen stonden er op, vers 11 die alles wilden zweren wat men verlangde. zij legden mij dingen ten laste, waarvan ik niets weet, of waaraan ik ooit gedacht heb. Zie hoe de eer, de bezitting, de vrijheid en het leven zelfs van de beste mensen in de macht zijn van de slechtsten, tegen wier valse eden de onschuld zelf geen beschutting is; en hoeveel reden wij hebben om met dankbaarheid te erkennen dat God macht heeft over het geweten, zelfs van slechte mensen, waaraan wij het te danken hebben, dat er niet nog meer kwaad gedaan wordt dan er gedaan wordt. Dit onrecht, hier aan David gedaan, had zijn vervulling in de Zoon David's, tegen wie valse getuigen zijn opgestaan Mattheus 26:60 Als wij te enigertijd beschuldigd worden van hetgeen, waaraan wij onschuldig zijn, laat ons het dan niet vreemd achten, alsof ons wat nieuws overkwam, aldus hebben zij de profeten, ja zelfs de groten Profeet vervolgd.
II. Ondankbaarheid. Noem iemand ondankbaar, en gij kunt hem bij geen erger naam noemen, dit was het karakter van David's vijanden, vers 12. Zij vergelden mij kwaad voor goed. Zeer veel goede diensten heeft David zijn koning bewezen, getuige zijn harp, getuige Goliaths zwaard, getuigen de voorhuiden van de Filistijnen, en toch zwoer zijn koning hem de dood, en kan hij niet langer in het land blijven. Dit is de beroving van zijn ziel; deze lage onvriendelijke behandeling berooft hem van zijn troost, heeft hem diep gegriefd, meer dan wat het ook zij.
Ja, hij had zich niet alleen verdienstelijk gemaakt jegens het publiek, maar zelfs jegens de personen, die nu zo bitter tegen hem waren. Waarschijnlijk was het toen wel bekend wie hij bedoelde, misschien wel Saul zelf, voor wie men hem liet komen om hem te dienen, als hij droefgeestig en ziek, en aan wie hij dan goede diensten bewees door de boze geest te verdrijven, niet met zijn harp, maar met zijn gebeden. Aan de hovelingen had hij waarschijnlijk eerbied en achting betoond zolang hij aan het hof was, en deze waren nu meer dan alle anderen beledigend voor hem. Hierin was hij een type van Christus, jegens wie deze boze wereld zeer ondankbaar was, Johannes 10:32, "Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader, om welk van die stenigt gij Mij?" David toont hier aan:
1. Met hoeveel tere, hartelijke liefde hij zich jegens hen gedragen had in hun beproeving, vers 13, 14 Als zij ziek waren. Zelfs de paleizen en hoven van vorsten zijn niet vrijgesteld van het rechtsgebied van de dood en de bezoeking van ziekte. Wanneer nu deze lieden ziek waren:
a. Treurde David om hen, had hij medegevoel met hen in hun smart. Zij waren niet aan hem verwant, hij had geen verplichting aan hen; hun dood zou voor hem geen verlies zijn, misschien zou hij er eerder door winnen, en toch gedroeg hij zich, alsof zij zijn naaste bloedverwanten waren uit zuiver medelijden en menselijkheid. David was een krijgsman, had een kloekmoedige aard, en toch was hij zo gevoelig voor de indrukken van de sympathie, vergat hij de dapperheid van de held, en scheen een en al liefde en medelijden; het was een zeldzame vereniging van stoutheid en tederheid, van moed en mededogen in hetzelfde gemoed.
Merk op: hij treurde als over een broeder, of een moeder, hetgeen aanduidt dat het ons wel betaamt om de ziekte, de smart of de dood van onze naaste bloedverwanten te betreuren, er smart over te gevoelen in ons hart. Zij, die dat niet doen, worden terecht geschandmerkt als zijnde zonder natuurlijke liefde.
b. Hij bad voor hem; hij toonde niet slechts de tere genegenheid van een mens, maar de Godvruchtige liefde van een heilige. Hij was bezorgd voor hun kostelijke ziel, en daar hij hen op geen andere wijze kon helpen, hielp hij hen met zijn gebeden tot God om genade en barmhartigheid; en de gebeden van een man, die zoveel invloed had in de hemel, waren van grotere waarde dan zij misschien wisten of beseften. Met zijn gebeden liet hij verootmoediging gepaard gaan, hij kwelde zijn ziel met vasten bekleedde zich met een zak, om aldus uitdrukking te geven aan zijn smart niet alleen over hun beproeving, maar over hun zonde, want dit was de wijze van doen van een boetvaardige. Wij moeten treuren over de zonden van hen, die er zelf niet over treuren. Zijn vasten zette ook kracht bij aan zijn gebed en was een uitdrukking van zijn vurigheid van geest zodat hij tijd noch lust had om te eten. Mijn gebed keerde weer in mijn boezem; ik had de vertroosting van mijn plicht gedaan te hebben en mijn hartelijke liefde voor hen getoond te hebben, ofschoon ik hen er niet door kon winnen voor mij, hen daardoor niet tot mijn vrienden kon maken. Wij zullen niets verliezen door de goede diensten, die wij aan anderen gedaan hebben, want onze roem zal deze zijn, namelijk de getuigenis van ons geweten.
2. Hoe laaghartig en onbeschaamd en met wat ruwe vijandschap zij zich tegen hem gedroegen, vers 15, vers 16
a. Als ik hinkte waren zij verblijd. Als hij onder het misnoegen was van Saul, van het hof was verbannen, als een misdadiger werd vervolgd, dan waren zij blij, zij verheugden zich in zijn leed en kwamen bijeen op hun dronkemanspartijen om zich en elkaar vrolijk te maken over de ongenade, waarin deze grote gunsteling was gevallen. Wel mocht hij hen verworpelingen, verachtelijke lieden noemen, vers 15, want niets kon meer laag of gemeen zijn, dan om te juichen in de val van een man van zo onbevlekte eer en uitnemende deugd. Maar dit was nog niet alles. Zij scheurden hem verscheurden onbarmhartig zijn goede naam zeiden alle mogelijke kwaad van hem en wierpen al de smaad op hem, die hun gevloekt vernuft slechts kon bedenken.
b. Zij knarsen met hun tanden over mij ; spraken nooit anders dan met de heftigste toorn over hem, alsof zij, indien zij konden, hem opgegeten zouden hebben. Onder de huichelachtige, spotachtige tafelbroeders was David het onderwerp van de gesprekken, zij bespotten en beschimpten hem. Dat is dikwijls het harde lot geweest van de beste mensen. De apostelen zijn een schouwspel geworden van de wereld. David werd met kwaadwilligheid aangezien om geen andere reden, dan omdat hij door het volk geliefkoosd werd. Het is een kwelling des geestes, dat zelfs een recht werk de mens nijd aanbrengt van zijn naaste, Prediker 4:4; en wie "zal voor jaloersheid bestaan?" Spreuken 27:4