1 Samuël 26:13-20
David, veilig weggekomen zijnde uit Sauls leger, en genoegzame bewijzen medegenomen hebbende, dat hij er geweest was, stelt zich op een geschikte plaats, zó dat zij hem wel konden horen, maar niet bereiken, vers 13, en dan begint hij met hen te spreken over hetgeen voorgevallen is.
I. Hij spreekt ironisch met Abner, drijft openlijk de spot met hem. David wist wel dat het door de alvermogende kracht Gods was dat Abner en de overige wachten in zo'n diepe, vaste slaap waren geraakt, en dat Gods hand daarin was. Maar hij smaadt Abner als onwaardig om de kapitein van de lijfwacht te wezen daar hij kon slapen terwijl de koning, zijn heer, aan zo'n gevaar bloot lag.
Hieruit blijkt dat de hand Gods hen in deze diepe slaap hield gekluisterd, dat, zodra David buiten gevaar was, een kleinigheid hen deed ontwaken namelijk Davids stem op een grote afstand, vers 14. Abner stond op-wij kunnen onderstellen dat het vroeg was op een zomermorgen en vroeg wie het was, die riep en de koning in zijn slaap stoorde. "Ik ben het", zegt David, en verwijt hem te hebben geslapen toen hij had behoren te waken. Misschien heeft Abner David beschouwd als een gering vijand, van wie zij geen gevaar hadden te vrezen en had hij daarom verzuimd wachten uit te zetten, maar in elk geval had hij zelf waakzamer moeten wezen. Om hem te beschamen, zegt David hem:
1. Dat hij zijn eer had verloren, vers 15. Zijt gij niet een man? een beambte, door uw ambt gehouden en verplicht om het krijgsvolk te inspecteren? Hebt gij de naam niet van een dapper man te zijn? Daarvoor wilt gij gehouden worden, een man van zodanigen moed en beleid, dat u niemand gelijk is, maar nu zijt gij voor altijd te schande gemaakt. Een luiaard, die zich een generaal noemt!"
2. Dat hij verdiend heeft zijn hoofd te verliezen, vers 16 Gijlieden zijt naar de krijgswet, kinderen des doods, omdat gij niet gewaakt hebt, toen gij de koning slapende in uw midden had.
"Ecce signum-Ziet dit teken". Ziet waar de spies des konings is, in de hand van hem, die het de koning zelf behaagt zijn vijand te achten. Zij, die deze hebben weggenomen, hadden even gemakkelijk en veilig hem het leven kunnen benemen.
Ziet nu, wie des konings beste vrienden zijn, gij, die hem veronachtzaamt en hem aan gevaar blootstelt, of ik, die hem beschermd heb, toen hij aldus aan gevaar was blootgesteld. Gij vervolgt mij, als waardig te sterven, en zet Saul tegen mij op, maar wie is het nu die des doods waardig is?" Zij, die onrechtvaardiglijk anderen veroordelen, worden soms terecht overgelaten, om zelf onder veroordeling te komen.
II. Ernstig en liefdevol redeneert hij met Saul. Deze was nu zo ten volle ontwaakt, dat hij hoorde wat er gezegd werd, en onderscheiden kon wie sprak, vers 17 : Is dit uw stem mijn zoon David? Op diezelfde wijze had hij vroeger de vertedering van zijn gemoed te kennen gegeven, Hoofdstuk 24:17.
Hij had zijn vrouw aan een ander gegeven, en toch noemt hij hem zoon, hij dorstte naar zijn bloed, en toch is hij blij zijn stem te horen. Diegenen zijn in waarheid slecht, die nooit eens overtuigingen van goed hebben, voor geen goede indrukken vatbaar zijn. En nu heeft David een even goede gelegenheid om Sauls geweten te bereiken, als hij zo even gehad heeft om hem het leven te benemen. Deze gelegenheid grijpt hij aan, hoewel hij geweigerd had van de andere gebruik te maken, en met klem van redenen spreekt hij hem van de vijandschap, die hij hem nog altijd bleef betonen en poogt hem te bewegen om van zijn vervolging af te laten en met hem verzoend te zijn.
1. Hij klaagt over de zeer treurigen toestand, waarin hij door de vijandschap van Saul gekomen was. Twee dingen betreur" hij:
a. Dat hij verdreven was van zijn heer en van zijn dienst. Waarom vervolgt mijn heer zijn knecht, vers 18. Hoe gaarne zou ik u evenals vroeger gediend hebben, zo mijn dienst ware aangenomen, maar instede van erkend te zijn als een dienstknecht, word ik vervolgd als een rebel, en mijn heer is mijn vijand, en dwingt mij om voor hem te vluchten, die ik met eerbied zou willen volgen.
b. Dat hij verdreven was van zijn God en van zijn Godsdienst, en dit was een veel grotere grief dan de vorige, vers 19 : dewijl zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des HEEREN, hebben Kanaän, het bewoonde gedeelte er van tenminste, een gevaarlijk verblijf voor mij gemaakt, en mij gedwongen in woestijnen en op bergen te verwijlen en weldra zullen zij mij dwingen het land te verlaten".
En wat hem ontroerde was niet zozeer dat hij uit zijn eigen erfdeel verdreven was, maar dat hij uit het erfdeel des HEEREN was verstoten, uit het heilige land.
Het moet ons troostrijker wezen te denken aan Gods recht op onze bezittingen, dan aan ons eigen recht er op, dat wij er Hem mee mogen eren, dan dat wij er onszelf mee kunnen onderhouden.
Het was ook niet zozeer zijn droefheid, dat hij gedwongen was onder vreemdelingen te wonen, als dat hij genoodzaakt was onder de aanbidders van vreemde goden te wonen, en daardoor in verzoeking gebracht te zijn om zich met hen te verenigen in hun afgoderij.
Het was even goed, alsof zijn vijanden hem heengezonden hadden om andere goden te gaan dienen, en misschien had hij gehoord, dat sommigen van hen in dier voege van hem gesproken hebben.
Zij, die ons beletten Gods inzettingen bij te wonen, doen wat zij kunnen om ons van God te vervreemden en heidenen van ons te maken.
Indien David niet een man was van buitengewone genade en standvastige trouw aan zijn Godsdienst, dan zou de slechte behandeling, hem aangedaan door zijn eigen vorst en volk, die Israëlieten waren en aanbidders van de weren God, hem bevooroordeeld hebben tegen de Godsdienst, die zij beleden, en hem er toe gebracht hebben om in gemeenschap te komen met afgodendienaars.
"Als dit Israëlieten zijn", had hij kunnen zeggen, "zo laat mij leven en sterven met de Filistijnen", aan hen lag het niet, dat het niet alzo geweest is, die uitwerking niet gehad heeft.
Wij moeten datgene het grootste kwaad achten, dat ons gedaan kan worden, hetwelk ons blootstelt aan zonde. Van hen, die David aldus in verzoeking hebben gebracht, zegt hij hier: Zij zijn vervloekt voor het aangezicht des HEEREN. Diegenen vallen onder een vloek, welke hen uitwerpen, die door God worden ontvangen, en pogen hen naar de duivel te zenden, die Gode dierbaar zijn.
2. Hij legt de nadruk op zijn onschuld. Wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijn hand? vers 18. Hij had het getuigenis van zijn geweten, dat hij nooit kwaad gedaan of voorgenomen had te doen tegen de persoon, de eer of de regering van zijn vorst, noch tegen de belangen van zijn land, onlangs heeft hij Sauls eigen getuigenis gehad, Hoofdstuk 24:17, 18 : Gij zijt rechtvaardiger dan ik. Het was zeer onredelijk en slecht van Saul, hem te vervolgen als een misdadiger, die hij geen misdaad ten laste kon leggen.
3. Hij tracht Saul er van te overtuigen, dat zijn vervolgen van hem niet slechts verkeerd was, maar ook laag, zeer beneden hem, de koning van Israël, wiens waardigheid groot is, en die veel ander werk te doen heeft, is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt, vers 20. Een armzalig wild om jacht op gemaakt te worden door de koning Israëls!
Hij vergelijkt zich bij een veldhoen, een zeer onschuldige, onschadelijke vogel, die, als men hem het leven wil benemen, tracht te vluchten maar geen weerstand biedt. En zal nu Saul de bloem zijns legers te velde brengen, alleen maar om opeen arm veldhoen jacht te maken? Welk een verkleining is dit voor zijn eer! Welk een schandvlek op zijn nagedachtenis! Een zo zwak en geduldig, zowel als onschuldig vijand te vertreden, Jakobus 5:6 "Gij hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet".
4. Hij wenst dat naar het eigenlijke van de twist een onderzoek zal worden ingesteld en een geschikt middel gebruikt zal worden om er een einde aan te maken, vers 19. Saul zelf kon niet zeggen dat de gerechtigheid hem dreef om David aldus te vervolgen, of dat hij er om de wille van de openbare veiligheid toe verplicht was.
David wilde niet zeggen dat Sauls eigen afgunst en boosaardigheid hem er toe dreven (hoewel dit maar al te waar was) en daarom besluit hij dat het of toegeschreven moest worden aan het rechtvaardig oordeel Gods of aan de onrechtvaardige bedoelingen van boze mensen.
a. Indien de Heere u tegen mij aanport, hetzij in misnoegen op mij (mij op die wijze straffende voor mijne zonden tegen Hem, hoewel ik tegenover u onschuldig ben, of in misnoegen op u) indien het de uitwerking is van die bozen geest van de Heere, die u benauwt, zo laat Hem het spijsoffer rieken, laat ons ons verenigen om met God verzoend te worden, vrede met Hem te hebben, wat geschieden kan door offerande, en dan hoop ik dat de zonde waarin die ook moge bestaan, vergeven zal worden en de twist, die zo groot een kwelling is voor u en voor mij, tot een einde zal komen". Zie hier de rechte methode van vrede te maken: laat ons eerst door Christus, het grote offer, God tot onze vriend maken, en dan zal alle vijandschap gedood zijn, Efeziers 2:16, Spreuken 16:7. Maar:
b. Indien het mensenkinderen zijn, die u tegen mij aanporren, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht des HEEREN, dat is: het zijn slechte mensen, en het is voegzaam dat zij als zodanig verlaten worden, buitengesloten van des konings hof en raadsvergaderingen. Hij geeft de schuld aan boze raadslieden, die de koning aanrieden hetgeen onbillijk en oneerlijk was, en dringt er op aan dat deze verwijderd zullen worden van zijn omgeving, uit zijn tegenwoordigheid gebannen, als mannen, die vervloekt zijn voor het aangezicht des Heeren, en dan hoopte hij zijn bede verhoord te zien welke is, vers 20 mijn bloed valle niet op de aarde, zoals gij gedreigd hebt, want het is voor het aangezicht des HEEREN, die kennis zal nemen van het onrecht en het zal wreken". Zo aandoenlijk pleit David bij Saul voor zijn leven en, opdat dit gespaard worde, om zijn gunstige mening van hem.