Jesaja 58:8-12
Hier zijn kostelijke beloften voor hen, die op de Gode welbehagelijke wijzen vasten, om door het geloof vrijmoedig en van harte zich te verblijden. Hun wordt meegedeeld wat God voor hen doen zal.
Hier is:
I. Een verdere opsomming van de plichten, die wij vervullen moeten om aan deze beloften deel te krijgen, vers 9, 10, en ook hier, evenals daar straks, wordt vereist dat wij gerechtigheid doen en barmhartigheid liefhebben, ophouden met kwaad doen en leren goed te doen.
1. Wij moeten afstand doen van alle daden van geweld en bedrog, deze moeten uit het midden van u weggedaan worden, ook uit het midden van uw personen, dat is uit uw hart. Gij moet niet alleen afstand doen van alle praktijken van ongerechtigheid, maar ook alle neiging en geschiktheid daarvoor in u doden. En uit het midden van uw volk, niet alleen moeten de overheidspersonen geen onderdrukkers zijn, zij moeten ook alles doen wat zij kunnen om in hun rechtsgebied alle onderdrukking te voorkomen en uit te roeien. Zij moeten niet enkel het juk verschuiven, vers 6, maar het ook wegnemen, opdat zij, die onder het juk vandaan komen, niet opnieuw tot slavernij gebracht worden zie Jeremia 34:10, 11. Zij moeten ook alle dreiging nalaten, Efeziers 6:9, "en het uitsteken van de vingers," hetgeen toen evenals nu en dan bij ons, een teken schijnt geweest te zijn van misnoegen en een aanduiding van aanstaande straf. Laat uw vinger niet toe hen aan te wijzen, die arm en ellendig zijn, om hen daardoor aan verachting over te geven, zulke uitdrukkingen van minachting, die tergend en de gevolgen van slecht karakter zijn, behoren uit alle kringen van de maatschappij gebannen te worden. Zij mogen geen ongerechtigheid, of ijdelheid, spreken, geen vleierij en geen laster, maar alle omgang moet gekenmerkt zijn door oprechtheid. En wellicht worden die gebaren, die de dood zijn voor alle vriendschap, bedoeld met het uitsteken van de vingeren, gelijk in Spreuken 6:13 :"Een Belialsman wijst met de vingers." Of het is het uitsteken van de vinger met de ring, dat teken van gezag, die zij lieten zien bij het spreken van ongerechtigheid, dit is: het vellen van onrechtvaardige vonnissen.
2. Wij moeten overvloedig zijn in alle daden van menslievendheid en welwillendheid. Wij moeten aalmoezen geven niet alleen omdat de armen die nodig hebben, maar,
a. Wij moeten geven gaarne en met gewillig hart en uit een beginsel van menslievendheid we moeten onze ziel openen voor de hongerige, vers 10 en niet alleen onze beurs, en de hand naar hem uitstrekken, maar dat doen van harte en zonder morren, met een beginsel van medelijden en met tedere aandoening voor hen, die wij in ellende zien, ons hart moet in de gave zijn, want God heeft de blijmoedigen gever lief en dat doet de arme evenzeer. Toen de Heere Jezus de zieken genas en de menigte spijzigde, deed hij dat uit innerlijke ontferming.
3. Wij moeten mild en overvloedig geven zo dat de bedroefde ziel er niet door geplaagd, maar voldaan wordt, niet alleen de buik van de hongerige, maar de wens van de bedroefde vervullen, zoveel in ons vermogen is. Waartoe zijn wij geboren, waarvoor hebben wij onze lichamelijke vermogens ontvangen, waartoe onze rede, en onze goederen, indien niet om in deze wereld zoveel goed te doen als wij kunnen! En de armen hebben wij altijd met ons. II. Hier wordt ons gezegd welke zegeningen en voorrechten het deel worden van hen, die de vervulling van deze plichten najagen. Indien een persoon, een geslacht, een volk aldus geneigd is om alles te doen wat goed is, dan mogen zij tot hun troost verwachten dat God hun een milde beloner zal zijn, en hetgeen zij weggeven in werken van barmhartigheid, zal overvloedig tot hen weerkeren.
1. God zal hen verrassen met het weerkeren van barmhartigheid na grote droefenis, en dat zal hun zo welkom zijn als het licht van de morgen na een lange donkere nacht, vers 8. Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad, en vers 10 : Dan zal uw licht in de duisternis opgaan. Gij zijt lang levend begraven geweest, maar dan zal uw voortreffelijkheid terugkeren, gij zijt lang met leed overstelpt geweest, maar dan zult gij met welgevallen de dageraad begroeten. Hun, die gaarne goed deden, zal God gaarne Zich in het goede doen verheugen, en dit is een bijzondere gave van God, Prediker 2:24. Die barmhartigheid bewezen hebben, zullen barmhartigheid vinden, Job, die in zijn dagen van voorspoed veel welgedaan had, verkreeg van God, toen Deze hem weer na zijn vernedering verhoogde, vrienden die hem hielpen om weer tot goede staat te geraken, en zijn licht ging op in de duisternis. En niet alleen het licht, dat zoet is, maar ook uw genezing zal snellijk uitspruiten, de genezing van de wonden waaronder gij zo lang geleden hebt, al uw grieven zullen hersteld worden en gij zult uw jeugd vernieuwen en uw sterkte herkrijgen. God zal hen, die anderen in hun droefheid geholpen hebben, op hun beurt helpen.
2. God zal eer op hen leggen, goede werken zullen vergolden worden met een goede naam, dat is begrepen in het licht, hetwelk in de duisternis opgaat. Ofschoon iemands afkomst gering en zijn geslacht niet in tel is, en hij geen uitwendige voordelen heeft, die hem eer bezorgen, zal hij, indien hij in zijn omgeving goed is, daardoor eerbied en achting verkrijgen, en daardoor zal zijn duisternis toch worden als de heldere middag, dat is: hij zal voornaam worden en in zijn kring schitteren. Ziehier de zekerste weg om beroemd te worden, daartoe moet iemand goed doen. Hij die de grootste en vermaardste van allen wil worden, moet door nederigheid en arbeid zich de dienaar van allen maken. De gerechtigheid zal voor Hem heengaan, dat is: zij zal u aanbevelen in de achting en de belangstelling van velen, zoals Jakob zei, Genesis 30:33 :uw gerechtigheid zal voor u getuigen. Die zal de smaadheid doen ophouden, ja, zij zal u meer lof aanbrengen dan voor de nederigheid aangenaam is. "Hij heeft de armen gegeven, Zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid," Psalm 112:dat is de eer die Hij daardoor verworven heeft.
3. Zij zullen altijd veilig zijn onder de Goddelijke bescherming. Uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan als uw voorhoede, om u te verdedigen tegen uw vijanden, die u van voren aanvallen. En de heerlijkheid des Heeren zal uw achtertocht wezen, de achterhoede, om terecht te brengen degenen die achterblijven zouden en om u te beschermen tegen de vijanden, die u, gelijk Amalek, van achteren zouden aanvallen. De godvrezenden zijn veilig aan alle zijden, zie waar gij wilt, naar voren, naar achteren, rechts en links, overal zien zij zich veilig, zij vinden zich gerust tegen de vrees voor het kwade. En merk op waarin hun veiligheid bestaat: in hun gerechtigheid en de heerlijkheid des Heeren, dat is van Christus, volgens sommigen, want door Hem zijn wij gerechtvaardigd en daardoor is God verheerlijkt. Hij gaat ons voor en is onze overste leidsman van de zaligheid, want Hij is de Heere onze gerechtigheid. Hij is onze achterhoede en alleen op Hem kunnen wij rekenen voor onze veiligheid als onze zonden ons achtervolgen, en op het punt staan de hand op ons te leggen. Of: God zelf zal in Zijn voorzienigheid en genade u als uw gids voorgaan om u te geleiden, en uw achterhoede zijn om u te bewaren, en dit zal de beloning voor uw gerechtigheid zijn en daardoor verstrekken tot heerlijkheid des Heeren als uw beloner.
4. God zal altijd dichtbij hen zijn om hun gebeden te horen, vers 9. Gelijk enerzijds hij die zijn oren sluit voor het geroep van de armen ook tot God roepen zal zonder verhoord te worden, zo zal anderzijds, hij die vrijgevig is voor de armen, zien dat zijn gebeden met zijn aalmoezen opklimmen tot God, gelijk bij Cornelius, Handelingen 10, 4. Dan zult gij roepen op uw vastendagen, die dagen des gebeds behoren te zijn, en de Heere zal antwoorden zal u geven hetgeen gij Hem vraagt. Gij zult roepen wanneer gij in vrees of in plotselinge nood zijt en Hij zal zeggen: hier, hier ben Ik, hetgeen een zeer neerbuigende uitdrukking is van Gods bereidvaardigheid om onze gebeden te horen. Wanneer God ons door Zijn woord roept, betaamt het ons te zeggen: Zie, hier zijn wij, wat zegt de Heere tot Zijn knechten? Maar dat God tot ons zeggen zal: zie, hier ben Ik, is wonderlijk. Wanneer wij tot Hem roepen alsof Hij op een afstand was, zal Hij ons doen weten dat Hij nabij is, aan onze rechterhand, dichterbij dan wij dachten, Ik ben het, vreest niet! Is het gevaar nabij, onze beschermer is nog nabij, een tegenwoordige helper. Hier ben Ik, gereed om u te geven hetgeen u ontbreekt, en voor u te doen hetgeen gij begeert, wat hebt gij mij te vragen? God let op het gebed van de oprechten, Psalm 130:2. Zij kunnen niet zo spoedig roepen of Hij zal antwoorden: gereed, gereed! Wat zij ook bidden, God zal hen horen, Ik ben in het midden van u, nabij u in alle dingen, Deuteronomium 4:7.
5. God zal hen leiden in alle moeilijke en twijfelachtige gevallen, vers 11. De Heere zal u geduriglijk leiden. Terwijl wij hier in de woestijn van de wereld zijn, hebben wij behoefte aan voortdurende hemelse leiding, want indien wij te eniger tijd aan onszelf overgelaten worden, zullen wij zeker de weg missen, en daarom geeft God hen, die goed zijn voor zijn aangezicht, wijsheid die in alle omstandigheden nuttig is om hen te leiden en die hen tot ogen zijn zal, Prediker 2:26. En Zijn voorzienigheid zal de weg voor hen effen maken, zowel wat aangaat hun plicht, als wat betreft hun vertroosting.
6. God zal hun overvloedige voldoening in hun eigen zielen geven. Gelijk de wereld een woestijn is, wat betreft het doorwandelen, zodat men voortdurend behoefte heeft aan een gids zo is zij het ook ten opzichte van de behoeften, zodat het noodzakelijk is dat er geregeld voorraad gegeven wordt. Zo had Israël in de woestijn niet alleen een wolkkolom, die altijd voor hun aangezicht heenging, maar ook manna en water uit de rots, om hun zielen te verkwikken in dat dorstland, een land dor en mat, zonder water, Psalm 63:2. God geeft de Godvrezende niet alleen wijsheid en kennis maar ook blijdschap, zodat hij voldaan wordt door de getuigenis van zijn eigen geweten en de verzekeringen van Gods gunst. Deze zullen de ziel voldoen, en blijdschap geven aan het hart, zelfs in de dorheid van de droefenis, deze zullen de beenderen vet maken en vervullen met merg, zij zullen hun die vreugde geven die hun ten steun zal zijn, gelijk de beenderen voor het lichaam, de blijdschap des Heeren zal uw sterkte zijn. Hij zal uw beenderen rust geven zo lezen sommigen hier, rust van moeite en ziekte, waaronder zij geleden hebben en waarvoor zij gekastijd zijn geworden. Zo komt dit overeen met de belofte aan de barmhartigen gegeven in Psalm 41:2. De Heere zal hem ondersteunen op het ziekbed. Gij zult zijn als een bewaterde hof, zo bloeiend en zo vruchtbaar in genade en vertroosting, en gelijk een springader van de wateren, gelijk een hof die een fontein heeft, welker wateren nooit door droogte of vorst ophouden te springen. Het beginsel van heilige liefde zal in de godvrezenden zijn als een springader van levend water, Johannes 4:14. Gelijk een fontein van levend water voortdurend water uitgeeft en nochtans altijd vol blijft, zo is de Godvrezende altijd overvloedig in goede werken, en wordt toch door dat altijd geven nooit armer. Hij die natmaakt, zal zelf nat gemaakt worden.
7. Zij en hun geslacht zullen alom ten zegen zijn. Het is een goede beloning voor hen die vruchtbaar en nuttig zijn, dat zij het al meer en meer zijn en vooral voor hen, die nakomelingen hebben om hen daarin op te volgen. Dit wordt hier beloofd, vers 12. Zij die uit u voortkomen, uw vorsten, uw edelen, uw grote mannen, zullen meer gezag en invloed hebben dan zij ooit bezaten, of, zij die na u zullen opstaan, uw afstammelingen, zullen nuttig zijn voor het nageslacht, evenals gij zijt voor uw tijdgenoten. Het is een grote voldoening voor een godvrezende te mogen denken dat zij die na hem komen zullen volharden in goed doen, als hij zal heengegaan zijn
a. Zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, die zolang reeds in puin gelegen hebben, dat men reeds aan de wederopbouw begon te wanhopen. Dit werd vervuld toen de gevangenen na hun terugkeer de steden van Juda herstelden en daarin gingen wonen, evenals verscheidene steden van Israël, die verwoest gelegen hadden sedert de wegvoering van de tien stammen.
b. Zij zullen het goede werk voortzetten en volvoeren dat reeds lang geleden begonnen was, en zullen over de hinderpalen heengeholpen worden, die de voortgang zo'n lange tijd belemmerd hebben. Zij zullen ze oprichten op fundamenten die van geslacht tot geslacht verwoest waren. Dit werd vervuld toen de tempel op de oude fundamenten herbouwd werd. Ezra 5:1. Of: zij zullen fundamenten leggen, die gedurende verscheidene geslachten zullen duren, zij zullen doen hetgeen geruime tijd van waarde blijven zal.
c. Zij zullen de zegen en de lof genieten van allen, die rondom hen zijn, gij zult genoemd worden en beroemd zijn als degenen die de bressen dichtmetselen, de bressen door de vijand in de muren van een belegerde stad geslagen, al wie de moed en de bekwaamheid heeft om die te dichten, verkrijgt daardoor grote lof. Gij zult de herstellers van de paden zijn, zodat zij veilig en rustig worden, niet alleen om er langs te reizen, maar om er aan te wonen, zo rustig en veilig, dat de inwoners er geen bezwaar tegen zullen hebben om aan de weg hun huizen te bouwen. In een woord, indien zij vasten zoals het God behaagt, zal Hij hen in hun vroegere vrede en voorspoed herstellen en maken dat niemand hen meer verschrikt. Zie Zacheria 7:5, Genesis 8:3-4,5. En dit leert ons dat zij die gerechtigheid en barmhartigheid betrachten, de vertroosting daarvoor in deze wereld reeds zullen genieten.