Genesis 8:4-5
Hier hebben wij de uitwerkselen en de blijken van het afnemen van de wateren.
1. De ark rustte. Het was rustgevend voor Noach te bemerken, dat het huis, waarin hij zich bevond, nu op vaste grond was, en niet langer beweegbaar was. Zij rustte op een berg, waarheen zij gericht was, niet door Noach's wijsheid (hij stuurde haar niet) maar door de wijze en genadige voorzienigheid Gods, opdat zij zoveel te eerder rusten zou. God heeft tijden en plaatsen van rust voor Zijn volk, na hun heen en weer gedreven zijn, en menigmaal voorziet Hij voor hun tijdige en aangename vestiging, zonder dat zij zelf daar iets voor doen, of er zelfs maar aan gedacht hebben. De ark van de kerk, ofschoon somwijlen door onweer voortgedreven en ongetroost, Jesaja 54:11, heeft toch haar tijden van rust, Handelingen 9:31.
2. De toppen van de bergen werden gezien, als eilandjes, die boven het water te voorschijn kwamen. Wij moeten onderstellen, dat zij door Noach en zijn zonen gezien werden, want buiten hen was er niemand om ze te zien. Waarschijnlijk hadden zij iedere dag door het venster van de ark er naar uitgezien, evenals zeelieden, die na een lange, vervelende reis uitzien, of zij ook land kunnen bespeuren, of zoals de dienaar van de profeet, 1 Koningen 18:43, 44, en eindelijk land ontdekken en dit dan in hun journaal optekenen. Zij voelden de grond meer dan veertig dagen voor zij hem zagen, volgens de berekening van Dr. Lightfoot, waarvan hij de gevolgtrekking afleidt, dat, indien de wateren evenredig afnamen, de ark een diepgang had van elf el.