26. Want Hij geeft als loon der genade wijsheid en wetenschap (
Spreuken 18:15 ), en dankbare vreugde, te midden van de nietigheden en moeilijkheden des levens, aan den mens die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid, om te verzamelen en te vergaderen, a) opdat hij het geve, dien, die goed is voor Gods aangezicht; zelf heeft hij er geen genot van, want aan hetgeen hij met een begerig hart verzameld heeft, kan hij niet met een dankbaar hart, als aan ene gave Gods denken. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes 1).
a) Job 27:16,17. Spreuken 28:8. Prediker 3:13.
1) Het blijkt hier duidelijk, dat met het refrein: "Ook dit is ijdelheid" niet ene aanklacht tegen God bedoeld wordt, maar dat het ene waarschuwing inhoudt voor de menselijke dwaasheid, die het geluk daar zoekt, waar het naar Gods wil niet moet gezocht worden..
Al die ijdelheid, al dat streven der mensheid naar wijsheid, geluk en rust, waardoor de mensen langs zoveel verschillende wegen naar het graf henen gevoerd worden, waar alle, op aarde zo gewenst onderscheid ophoudt, is den vrome niet door God beschoren; maar het is een vloek, dien de zonde den mens opgelegd heeft, doch dien God voor de zijnen in enen zegen wil veranderen. Want deze bedrijvige rusteloze schepselen verzamelen en vergaderen voor diegenen, die goed zijn voor Gods aangezicht. En deze zullen iets, dat de zondaar zoekt en niet vindt, voor hetwelk hij werkt, en dat hij niet genieten kan, om niet door den arbeid des zondaars ontvangen: wijsheid, wetenschap en vreugde. -Wat is het goddelijke woord, en waaruit zijn die wijsheid, wetenschap en vreugde, die daarin gevonden worden, geput? Is het geen honing, die in een verslagen dier door bijen opgezameld is? Wat zijn de geschiedenissen, die dit Woord ons mededeelt anders, dan voorbeelden van den arbeid der zondaren, van de ijdelheid en dwaasheid, waartoe de mensen vervallen zijn..
Het is de nederige, eenvoudig vertrouwende en dankbaar tevredene overgave in Gods genadige hand, die de Prediker aan het slot van zijne zo levendige en bijna scherpe schildering van de ijdelheid van al het aardse, als het enig ware doel voor het leven en streven der mensen aanbeveelt. Dat al het menselijke streven ijdel is, ook zelfs het bescheiden trachten naar vrolijk genot en opgeruimdheid bij hem vast. Doch het erkennen van dit feit doet hem niet wanhopen aan alle geluk en vrede, maar voert hem uit deze stemming van moedeloosheid en versaagdheid tot de zalige rust van een hart dat zich, aan God overgeeft en dankbaar Zijne goede gaven geniet. Niet de trage, aan zingenot overgegeven mens, maar de vlijtige, vrolijke arbeider; niet de gretig verzamelende misanthropische gierigaard, maar de in God verblijde en Hem welgevallige menschenvriend; niet de zondaar, maar het vrome, door het geloof krachtige kind Gods vormt het ideaal, dat hij ons aan het slot van zijne wel is waar smartelijk bewogen en klagende, naar nooit tot vertwijfeling overgaande beschouwingen over de ijdelheid van het aardse leven voorstelt. 1) "Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes," namelijk, dat men zijn levensgeluk zoekt in het vrolijke genot der zinnelijke goederen; omdat het verkrijgen van goederen en vreugde in dit leven volstrekt niet in des mensen macht staat, maar louter van Gods genade afhankelijk is, die het Zijnen beminden als in den slaap geeft (Psalm 127:2), terwijl de goddelozen zich toorn vergaderen als een schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. (Romeinen 2:5. Jakobus 5:3)..
Rijkdom is niet zelden een beloning en genadeloon voor den godvrezende en een straf voor den goddeloze. Dit wordt zichtbaar in het gebruik er van.