6. In zijne dagen zal Juda verlost worden, zodat het tot waarachtigen en voortdurenden voorspoed komt, en Israël zal, gelijk de voorzegging in
Deuteronomium 33:28 belooft, zeker wonen. En dit zal Zijn naam zijn, de naam van dezen Koning, den rechtvaardigen Spreukenit van David, de naad, waarmee men Hem zal noemen: DE HEERE (Jes 45:17), ONZE GERECHTIGHEID (1 Kor. 1:30, vgl.
Hoofdstuk 30:21)
1) Hij kondigt Hem derhalve aan als den waren God en echter als den Zoon Davids. Vervolgens beveelt Hij om van Hem de gerechtigheid te verwachten en al wat tot het volmaakte en volle geluk dienen kan.
Het is een symbolische bijnaam, die zich daardoor van enen gewonen naam onderscheidt, dat hij niet tot werkelijk gebruik dient, maar tot objectieve karakterisering, tot een ideaal opschrift. Daarom wordt aan dezen naam ook een object toegevoegd, dat reeds zijnen naam heeft. Op gelijke wijze geeft David aan zijn zoon den naam Jedidja (2 Samuël 12:25). dien hij in werkelijkheid nooit heeft gedragen.
De bijzondere veel betekenende naam moet zeker op den hoofdpersoon van het vers, op den Messias zien in wiens dagen Juda gered zou worden en Israël zeker zou wonen, maar niet op Israël, zo als velen willen. Door den beloofden Koning wordt vervuld wat in Deuteronomium 6:25 gezegd is. Op die plaats lezen wij: "het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden voor het aangezicht des Heeren, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft. " maar wie heeft de wet volkomen onder het Oude Verbond vervuld? De vrome David? de wijze Salomo? of wie? Daarom komt hier de Messias voor in de gehele noodzakelijkheid Zijner verschijning, in het volle licht Zijner betekenis. Hij, de enig Rechtvaardige, maakt velen rechtvaardig, die in Hem geloven (Jesaja 53:11). In Zich het heilige, goddelijke leven werkelijk openbarende, verschaft Hij aan degenen, die in Hem geloven, Gods gerechtigheid, ja wordt zelf tot deze. Hebreeën : "Jehova Tzidkenoe, " woordelijk vertaald: "de Heere (Jehova), onze Gerechtigheid. " Daarmee komt de verklaring (Jeremia 33:16) zeer overeen: "In dien tijd zal Juda geholpen worden en Jeruzalem veilig wonen, en men zal haar noemen: de HEERE onze gerechtigheid (Jehova-Tzidkenoe). " Hier is het ontwijfelbaar, dat de naam Jehova niet aan Jeruzalem kan zijn toegezegd, maar alleen de gehele spreuk: Jehova (is) onze gerechtigheid. De stad Gods wordt daardoor aangeduid als zulk ene die voor al hare bewoners gene gerechtigheid bezit en kent dan die uit het geloof in den Heere (Jehova) komt, vermits dßßr alle tongen belijden, gelijk in Jesaja 45:24 gezegd wordt: "in den Heere heb ik gerechtigheid en sterkte. " Dezelfde verklaring zou zich nu ook in deze plaats laten toepassen, wanneer zij van den beloofden Koning luidde: "Jehova mijne gerechtigheid. " (Hebreeën "Jehova Tzidki, " wat van gelijke betekenis ware met den naam Zedekia). Maar vermits het toevoegende "onze gerechtigheid" niet op den koning, maar op het volk slaat, zo zou de naam voor den beloofden koning zelven zonder betekenis zijn, en hem slechts als zinnebeeld des volks toegevoegd worden, wanneer niet het hoofdwoord "Jehova" van hem gebezigd ware. De zin is dus in deze onze plaats een andere dan in Jer 33:16, omdat de naam op een geheel anderen persoon slaat. Wij verstaan ze zo: "Deze (de beloofde koning) is Jehova, die onze gerechtigheid is. " Luther heeft dus goed vertaald: dat is zijn naam-"Heere, die onze gerechtigheid is. " De te wachten Messias wordt hier werkelijk Jehova genoemd, als de tweede persoon, het ander Ik der Godheid. Wanneer op één altaar (Exodus 17:15) geschreven stond: "Jehova, mijne banier" en op een ander (Genesis 33:20): "God Israëls God, " zo was dit wel een bloot herinneringsteken, en zulk een altaar is niet Jehova of God, maar het is geheel wat anders, dan wanneer de rechtvaardige Spreukenit, waarop Israël als op zijnen Verlosser wacht, wanneer die Koning die recht en gerechtigheid op aarde sticht, den naam ontvangt "Jehova onze gerechtigheid. " Dat kan niet anders worden verstaan dan dat Hij is wat Hij heet, dat Hij als Jehova onze gerechtigheid is. Hem dus, dien wij nu Jezus Christus noemen, dien noemt Jeremia op profetische wijze naar Zijn wezenlijk karakter Jehova onze Gerechtigheid; en wel daarom, omdat Hij, als God in het vlees verschenen, de enige bron der gerechtigheid voor Zijn rijk en voor Zijn volk is.
Het zal den Christen steeds ene grote kalmte, rust en vrede geven, als hij peinzen mag over de volmaakte gerechtigheid des Heeren Jezus. Hoe menigwerf zijn Gods heiligen ter nedergedrukt en treurig! Ik geloof niet, dat zij dit mogen zijn. Ik geloof niet, dat zij het zouden kunnen, wanneer zij steeds hun volmaaktheid in Christus zagen. Sommigen spreken altijd over het bederf en de arglistigheid des harten en de natuurlijke boosheid der ziel. Dit is alles zeer waar; maar waarom gaat men niet wat verder en herinnert zich, dat wij "volmaakt zijn in Christus Jezus. " Het is niet te verwonderen, dat zij, die bij hun eigene verdorvenheid altijd blijven stilstaan, zo gedrukt zijn; maar het kan niet anders of er zal vreugde in ons hart komen, zo wij ons herinneren dat Christus onze gerechtigheid is geworden. Al moet ik veel droefheid ondervinden, al valt satan mij aan, al heb ik nog veel door te worstelen, eer ik in den hemel kom, ik sta in het verbond der Goddelijke genade; ik heb alles in mijnen Heer; Christus heeft alles volbracht. Aan het kruis riep Hij uit: "het is volbracht!" en daar alles volbracht is, ben ik volmaakt in Hem, en mag ik mij verheugen met ene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die uit het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is, door het geloof. Aan deze zijde van den hemel zult gij geen heiliger volk vinden dan zij, die in hun hart de leer van Christus' gerechtigheid ontvangen. Als de gelovige zegt: "mijn leven is Christus alleen, in Hem rust ik voor mijne zaligheid, en ik geloof dat, hoe onwaardig ook, ik in Jezus verlost ben, " dan rijst deze gedachte uit dankbaarheid in het hart op: "zal ik dan niet voor Christus leven, Hem niet liefhebben en dienen, daar Hij mij door Zijne verdiensten heeft gered?" "De liefde van Christus dringt ons, opdat degenen, die leven niet meer zich zelven zouden leven, maar Dien, die voor hen gestorven is. " Eerst als wij door de toegerekende gerechtigheid verlost zijn, zullen wij de ons medegedeelde gerechtigheid op prijs stellen.
Deze voorspelling is te merkwaardiger, omdat de Profeet aan het einde van het vorige hoofdstuk met ene vernedering van het Davidisch stamhuis had moeten dreigen, die bijna aan vernietiging grensde. Maar ook afgezien van haar historisch verband, mag zij ene der ondubbelzinnigste aankondigingen van den aanstaanden Messias genoemd worden. Of zou het mogelijk zijn, gelijk een der beroemdste uitleggers voorsloeg, dat hier onder den naam van spruite Zerubbabel, de beroemde nazaat van David, zou voorgesteld zijn? Maar wie zal beweren, veel minder bewijzen, dat onder zijne weldadige leiding de herstelling van al de twaalf stammen van Juda en Israël plaats gehad heeft, en wie acht het gene snode godslastering op hem, of op énig zondig aardbewoner de verhevene beschrijving toe te passen, hier van de Spreukenite gegeven? Geen wonder, dat reeds oude Joodse uitleggers hier aan niemand dan den Messias gedacht hebben. De luister Zijner regering wordt hier met trekken getekend, ten dele uit het gewijd geschiedverhaal van Davids leven ontleend; en niet onwaarschijnlijk achten wij het, dat de eigenaardige spreekwijs dien spruit aan David verwelken, ene zijdelingse toespeling op de belofte behelst aan dit stamhuis door Nathan gedaan. Wat de benaming betreft waarmee men Hem zal noemen: "Jehova onze gerechtigheid, " zij schijnt ons toe den David-spruit aan te kondigen als degene, in en door wien Jehova ene volkomene gerechtigheid aan Zijn volk zou verlenen. Zo duidt in het oud geschiedverhaal de naam des altaars "Jehova mijne Banier" met andere woorden aan, dat aan Jehova als banier van Zijn volk, dit altaar toegewijd was. Zo wordt door den naam Immanuël, aan den zoon der maagd bij Jesaja toegekend, te kennen gegeven, dat Hij, die hem draagt, voor het volk een teken en onderpand van Gods gunstrijke bescherming zou wezen. Dat hier ene dergelijke verklaring moet gevolgd worden, en alzo geen persoonlijke eigen naam ter aanduiding van den Messias zelven gevonden wordt, blijkt zonneklaar uit Hoofdstuk 33:15, 16, waar dezelfde naam van Jehova ook aan de stad Jeruzalem toegekend wordt. Ziet, zo luidt het op die plaats, de tweede der bovenbedoelde: ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis Israëls en over het huis Juda gesproken heb. In die dagen en te dier tijd zal Ik den David ene spruit der gerechtigheid doen uitspruiten, en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen, en-aldus zo staat er letterlijk-zal men haar noemen "Jehova, onze gerechtigheid!" Hoe zouden deze woorden, indien zij ene opzettelijke beschrijving van de natuur en het wezen van den Messias, als vlees geworden Jehova, behelsden, met hetzelfde recht tot ene beschrijving van Zijne rijkstad gebruikt kunnen worden? De duidelijke bewijzen voor de erkentenis der Goddelijke natuur van den Messias ook in het Oude Verbond zijn veel te talrijk, dan dat wij deze heilige waarheid zouden behoeven te staven alleen door de klank van een woord. Intussen moest het den dieper denkende niet moeilijk vallen, ook op grond van dergelijke uitspraken tot de gedachten te komen, dat Hij, door wien zulk een heil zou tot stand gebracht worden, en die zulk een naam waardig kon dragen, boven alle aardbewoners oneindig verheven moest zijn. Wat soortgelijke toezeggingen voor den vromen Israëliet uit die dagen inzonderheid aantrekkelijk maken moest, het was boven alles het uitzicht, zowel hier als elders ontsloten, op ene gelukkige hereniging der beide koninkrijken onder éénen Davidischen scepter; een uitzicht, tot dusver nimmer volkomen verwezenlijkt, en waarvan dus de invulling voor latere eeuwen bewaard blijft. Zo helder staat het den Profeet voor den geest, dat hij, na de eerstgenoemde voorspelling een tijd te gemoet ziet, waarin men niet meer de verlossing van Israël uit Egypte, maar de hereniging van het verstrooide volk uit alle streken der aarde, als de roemrijkste openbaring van Gods trouw, bij zijne plechtige eden vermelden zal.
De vraag, of de heiligen onder het Oude Testament wel het Evangelie gekend hebben, is zoveel, alsof men ze vroeg: Hebben zij onder het Oude Testament wel brood gehad en gegeten? Indien er gene belofte des levens en der heerlijkheid onder het Oude Testament geweest ware, dan zouden de Profeten nog veel meer dan de apostelen gezegd kunnen worden: de ellendigste van alle mensen te zijn. Doch altijd hing er, al was het ook maar een lampje (zo als in Psalm 88), in de lange donkere tempelzaal; de lamp van David, de belofte Gods. Dat was hun bestendig licht, waarbij, zij arbeidden en leefden. De Heere onze gerechtigheid. Zo hebben wij dan ene levende, persoonlijke bron van de vergeving der zonde, en een altijd bij ons blijvenden Trooster, door wien wij altijd vergeving der zonde hebben; want de Heilige Geest en Jezus zijn niet te scheiden. Wij hebben tweeërlei voorspraak, de ene in den hemel: Christus; de ander in ons hart. De Heilige Geest. De Heere. Jehova: De spruit uit Davids stam zou dus niet enkel mens en koning, maar ook mens en God zijn. Doch hoe nu Jezus te gelijk waarachtig God en waarachtig mens kan zijn, dat kan den ene mens den anderen niet leren. Zulke dingen leert men alleen van God. Wien God het geloof geeft, dien onderwijst Hij zelf, en die weet de dingen Gods voor zichzelven, al kan hij ze ook den ongelovige niet wiskunstig bewijzen. De zalving des Heiligen Geestes, die ons alle dingen leert, is daarom waarachtig en gene leugen. Wij zouden ook het geloof het proefondervindelijk weten der geestelijke dingen kunnen noemen. Zelfs de Schrift kan niet meer doen, dan het brood des eeuwigen levens aanbieden en aanprijzen; doch hoe dat brood smaakt, en welke krachten het geeft, dat moet de mens zelf leren door het eten, door het geloven. Onze gerechtigheid. Gerechtigheid is onzondigheid. In de tegenwoordigheid Gods kan gene zonde bestaan. Zullen wij voor God bestaan, zo moeten wij ontzondigd worden. Dit geschiedt in de vergeving onzer zonden door God. Op welk een grond? Op grond der offerande van Christus, welke ene verzoening der zonde is bij God. De gerechtigheid is dus buiten ons, maar voor ons. Het is hiermede als met de zon. Is zij niet buiten en hoog boven ons; maar is zij niet voor ons; verlicht, verwarmt zij ons niet, en maakt zij niet al onze vruchten rijp? .
Hier wordt niet alleen van den Christus getuigd dat Hij is God, boven allen te prijzen tot in eeuwigheid, maar ook wordt Hij als de Middelaar aangekondigd, die een eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, voor alle de zijnen. En dat de Profeet Hem noemt onze gerechtigheid, daaruit blijkt zo duidelijk mogelijk dat deze weet, dat niet alleen onder het N. maar ook onder het O. Verbond al de verbondelingen door Hem hun zaligheid, of liever hun gerechtigheid bij God hadden. 7. Daarom, om aan de bedreiging in Hoofdstuk 16:14, nu ook ene troostvolle voorzegging toe te voegen, ziet de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd!