24. a) Wat blijft er nu voor den mens van al zijnen moeitevollen arbeid over? Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijne ziel het goede doe genieten in zijnen arbeid, 1) alzo het aardse leven dagelijks zo opgeruimd mogelijk geniete. 2) Ik heb ook gezienen erkend, dat zulks, namelijk deze tevredene, vrolijke stemming des harten te midden van de moeilijkheden van het dagelijks leven van de hand Gods is, als Zijn geschenk en Zijne genadegave.
1) De Prediker wijst hier op een leven, hetwelk genot en arbeid met elkaar verbindt. Eten van de vrucht van zijn arbeid. De arbeid is hier zowel een weldaad als het eten en drinken. Maar hij weet het ook, dat een mens dit zichzelven niet kan geven. Eten van de vrucht van den arbeid zijner handen is een genadige beschikking Gods, is een blijk van Zijne goedertierenheid. Hoe menigeen arbeidt, zonder dat hij er een waar genot van heeft. Alles hangt af van het arbeiden in de gunst Gods en het genieten van dien arbeid in de gunste Gods.
2) Dat de grondregel: eten en drinken en zich te goed doen voor het beste te houden niet in den epicuristischen zin van 1 Corinthiërs 15:32 bedoelt is, blijkt uit de gewichtige toevoeging "in zijnen arbeid," waarop de klemtoon valt, waardoor elke gedachte aan lediggaande zwelgerij en weelderig zingenot uitgesloten wordt.