Jesaja 58:3-7
Hier zien wij:
I. Het misnoegen, dat deze huichelaars tegen God koesterden, omdat Hij hun diensten niet aannam, waarvan zij zulke hoge gedachten hadden, vers 3. Waarom vasten wij en Gij ziet het niet aan? Zij gaan dus in de weg van Kaïn, die met God twistte, en het als een grote belediging opnam dat zijn offer niet aangenomen werd. Nadat zij getracht hebben God te behagen door hun uitwendige diensten, komen zij hier er toe om met Hem te twisten omdat die diensten Hem niet behagen, alsof Hij hen niet behoorlijk en rechtvaardig behandelde. Zie hier:
1. Hoe zij in zichzelf roemen en hun eigen daden verheerlijken, wij hebben gevast en onze zielen gekweld, niet alleen God dagelijks gezocht, vers 2. maar nog bijzondere tijden voor opzettelijke diensten bestemd. Sommigen denken dat hiermede de jaarlijkse heilige dag bedoeld wordt, die verzoendag genoemd werd, anderen menen dat het slaat op door hen zelf bedachte jaarlijkse feestdagen. Hoogmoedige harten zijn gewoonlijk trots op hun daden van eigengemaakte vernedering, gelijk de Farizeeër, Lukas 18:2 :"Ik vast tweemaal per week."
2. Wat zij verwachtten voor hun godsdienstoefeningen, zij dachten dat God daar al Zijn aandacht aan geven zou, en Zich als hun schuldenaar beschouwen. Het is gewoonte van geveinsden, terwijl zij uiterlijk hun godsdienstplichten waarnemen, om zichzelf van God die gunstige aanneming te beloven, welke Hij alleen de oprechten toegezegd heeft, alsof het vanzelf sprak dat zij aangenomen werden.
3. Hoe verkeerd zij het opnamen, dat God hun geen bijzonder bewijs van Zijn gunst gegeven had, dat Hij hen niet onmiddellijk uit hun bezwaren verlost had en hun eer en voorspoed geschonken. Zij beschuldigen God van onrechtvaardigheid en partijdigheid, en dreigen met hun godsdienstige verrichtingen op te houden, zich daarvoor rechtvaardigende met de overweging dat zij geen voordeel hebben van hun aanroepen van God, Job 21:14, 15, Maleachi 3:14. Overheersende huichelarij barst dikwijls los in brutale oneerbiedigheid en openlijke verachting en versmading van God en Zijn dienst terwijl de huichelarij al de schuld van de tegenspoed heeft. Zondaren beschouwen de godsdienst als een flarden en neerslachtige dienst waarmee niets te winnen valt, terwijl het alleen hun eigen schuld is dat die hun voorkomt zo te zijn, omdat ze er niet oprecht in zijn.
II. De ware reden wordt aangewezen waarom God hun vasten niet aannam, en hun gebeden op de vastendagen niet beantwoordde. Het was omdat zij niet vastten zoals het behoorde, ook voor God niet, Zacheria 7:5. Zij vastten wel, maar zij volhardden in hun zonden, en keerden zich niet, gelijk de Ninevieten, een ieder van zijn bozen weg. Maar op hun vastendagen, niettegenstaande de beleden verootmoediging en verbondsvernienwing, vonden zij hun lust, dat wil zeggen: zij bleven doen al wat goed was in hun eigen ogen, of het wettig of onwettig was, ofschoon het scheen dat zij hun zielen kwelden, vierden zij hun lusten evenzeer als anders de teugel.
1. Zij waren even gierig en onbarmhartig als vroeger, eisten van hun dienstbaren gestrengelijk al hun arbeid, en wilden hen niet volgens de wet vrijlaten, of zelfs enigszins de hardheid van hun dienstbaarheid verzachten. Zie Jeremia 34, 8, waar wij vinden dat dit hun zonde was voor de gevangenschap, en Nehemia 5:2, waar wij zien dat het niet minder hun zonde was na hun verlossing, niettegenstaande al hun plechtige vasten. Gij eist, zo lezen anderen hier, al uw schulden, gij zijt zo gestreng en hardvochtig als gij ooit waart tegen uw arme schuldenaren, ofschoon aan het einde van het jaarlijkse vasten vrijlating was uitgeroepen.
2. Zij waren twistziek en kijfziek, vers 4. Zie, tot twist en gekijf vast gijlieden. Wanneer zij een vasten uitschreven om Gods oordelen af te wenden, zochten zij ijverig naar hen, wier zonden, naar hun voorgeven God hadden getart om deze oordelen te doen komen, en waarschijnlijk werden onder dat voorwendsel bepaalde personen vals beschuldigd, gelijk Naboth ten tijde toen Izebel haar vastendag uitschreef, 1 Koningen 21:12. Of de twistende partijen onder hen werden bij die gelegenheden bitter en gestreng tegen elkaar in hun aanmerkingen, en riepen tegen elkaar: Het is uw schuld dat er nog geen verlossing daagt. Inplaats van zichzelf te veroordelen, hetgeen het echte werk van een vastendag is, veroordeelden zij elkaar. Zij vasten tot twist en gekijf, dat is, met onderlinge strijd en wedijver, wie zich nu op die dag het best zou voordoen en de zaak het best zou uitvoeren. En het was op die vastendag niet enkel een strijd met de tong, maar zij kwamen tot vechtpartijen, zo sloegen goddelooslijk met de vuist. De wrede opzichters sloegen de ondergeschikten, de schuldeisers hun schuldenaren, die zij aan de pijnigers overleverden, zij sloegen hen boosaardig met de vuist. Omdat zij aldus in deze zonden voortgingen, in al deze zonden, die in rechtstreekse tegenspraak waren met de bedoelingen van een vastendag:
Wilde God hun niet vergunnen dergelijke plechtigheid waar te nemen. Gij moogt in `t geheel niet vasten indien gij het op die wijze doen wilt, zodat gij uw stem in de hoogte laat horen in de hitte van uw onderling gekijf, of in uw godsdienstoefeningen, die er op ingericht zijn om door uw zonderlingheid de aandacht te trekken. Brengt mij niet meer van deze ijdele vergeefse, luidruchtige offers, Hoofdstuk 1:13. Hun wordt rechtvaardig de belijdenis van de godsdienst verboden, die zich aan zijn invloed niet willen onderwerpen.
3. Hij wil deze eer van hen niet aannemen. Gij zult niet vasten, dat is: het zal niet als vasten aangemerkt worden, en uw gebeden op die dagen zullen in de hogen hemel niet gehoord worden. Zij die vasten en bidden en toch voortgaan in hun boze wegen, bespotten God en bedriegen zichzelf.
III. Uitvoerige voorschriften worden gegeven omtrent de ware aard van het godsdienstig vasten.
In het algemeen wordt het vasten bedoeld:
1. Tot verheerlijking en verering van God, het moet zulk een verrichting zijn als Hem behaagt, vers 5, het moet een vasten zijn zoals Hij het verkiest, in de uitoefening waarvan we moeten trachten ons bij Hem aan te bevelen, en Zijn gunst te verkrijgen, anders is het geen vasten, anders dient het nergens toe.
2. Tot verootmoediging en vernedering van onszelf. Een vastendag is een dag van bedroefdheid van de ziel, indien het vasten geen oprecht berouw over de zonden en niet een waarachtige doding van de zonde ten gevolge heeft, is het geen vasten. De wet van de verzoendag was dat het een dag zou zijn van verootmoediging van de zielen, Leviticus 16:29. Dat moest gedaan worden op een dag, die een ware droefenis voor de ziel is, zover zij nog onwedergeboren en ongeheiligd is, maar hij is een werkelijk genoegen en een verlustiging voor de ziel die God kent. Het betaamt ons dus op een vastendag te onderzoeken wat aangenaam voor God zal zijn en wat onze bedorven natuur zal bedroeven en tot haar doding bijdragen zal.
A. In de eerste plaats wordt ons hier gezegd wat het vasten is, dat God niet verkiest.
Het is niet genoeg er gedrukt uit te zien een ernstig en neerslachtig voorkomen te vertonen, het hoofd te krommen als een bies, die geknakt en gebroken is, gelijk de geveinsden, die een droevig gezicht toonden en hun aangezichten mismaakten, opdat zij van de mensen mochten gezien worden. Mattheus 6:16. Het hoofd laten hangen zou de tollenaar betaamd hebben, wiens hart waarlijk verootmoedigd en verbroken was over de zonden, en die daarom niet eens zijn ogen durfde opslaan naar de hemel, Lukas 18:13. Wanneer het echter niets dan toneelvertoning was gelijk hier, dan werd het terecht belachelijk gemaakt, dan is het niets anders dan het hoofd laten hangen als een bies, waar niemand acht op slaat. Gelijk de verootmoediging van de geveinsde niets anders is dan het hangen van een bies, zo is de verwachting van zijn hoop gelijk aan het bloeien van een riet of bies, "als die nog in zijn groenheid is, of schoon hij niet wordt afgesneden, zo verwelkt hij voor al het andere gras," Job 8:11, 12.
B. Om boete te doen is het niet genoeg het lichaam een weinig te kwellen, terwijl het lichaam van de zonde onaangetast blijft. Het is niet genoeg indien iemand zak en as onder zich spreidt, hetgeen zeker gedurende enige tijd onaangenaam voor hem is, maar spoedig weer vergeten wordt, zodra hij zich uitstrekt op Zijn bedstede van elpenbeen, Amos 6:4. Noemt gij dit een vasten? Neen, het is slechts de schaduw en het geraamte van vasten. Noemt gij dat een dag, die de Heere welbehagelijk is? Neen, verre van daar, want geveinsdheid is Hem een gruwel. De vertoning van godsdienst, ofschoon de wereld die gaarne ziet, wordt door God niet aangenomen indien het wezen er aan ontbreekt.
3. Hier wordt ons gezegd wat het vasten is dat God verkiest, wat een vastendag voor God aannemelijk maakt en wat waarlijk verootmoediging van de ziel is, dat is het kruisigen en doden van de oude natuur. Het is niet dat men zijn ziel gedurende een enkele dag bedroeft (zo lezen sommigen vers 5), maar het moet het werk van het gehele leven zijn. Hier wordt gevorderd:
A. Dat we rechtvaardig zijn jegens hen, die wij hard behandeld hebben. Het vasten dat God verkiest bestaat in hervorming van ons leven, en in verbeteren hetgeen wij verkeerd gedaan hebben, vers 6. Het losmaken van de knopen van de goddeloosheid, dat is, van de banden die wij goddeloos vastgemaakt hebben en waardoor anderen van hun rechten beroofd of onder het juk van zware dienstbaarheid gehecht zijn. Wellicht waren het eerst rechtvaardige banden, aangelegd om schuldenaars te nopen tot het betalen hunner schulden, maar wanneer de schuld met geweld ten strengste ingevorderd wordt van hen, wie de voorzienigheid de middelen onthouden heeft om haar te kunnen voldoen, dan worden het banden van de goddeloosheid en zij moeten ontknoopt worden of zij zullen ons in banden van veel zwaarder en verschrikkelijker schuld brengen. Het zware juk dat op de hals van de arme dienstknecht gebonden is, moet losgemaakt worden, want hij staat op het punt van er onder te bezwijken. De verpletterde moet vrijgelaten worden van het drukkende juk, dat zijn leven verbittert. Die om schuld gevangen zit en niet betalen kan, moet ontslagen worden, het juk moet verscheurd worden, de knecht, die met geweld vastgehouden wordt boven de tijd van zijn dienstbaarheid, moet ontslagen worden. Niet alleen moet men hen laten gaan die onrechtvaardig onder het juk gehouden worden, maar het slavenjuk zelf moet verbroken worden, zodat het voortaan onbruikbaar is en niemand er meer in gekneld worden kan.
B. Dat wij milddadig zijn jegens hen die daaraan behoefte hebben, vers 7. De bijzonderheden in het vorige vers opgenoemd kunnen beschouwd worden als handelingen van menslievendheid, dat wij niet alleen hen loslaten, die we onrechtvaardig verdrukt hebben, dat is gerechtigheid, maar dat wij ook helpen om hen te bevrijden die door anderen verdrukt worden door het in vrijheid stellen van gevangenen of het betalen van de schulden van onvermogenden maar in dit vers worden enkel daden van weldadigheid opgenoemd. Dit is dus het vasten, dat God verkiest.
a. Dat wij voedsel verschaffen aan hen, die daaraan gebrek hebben, dat wordt als het noodzakelijkste op de voorgrond gesteld. Daar de arme zonder voedsel niet lang kan blijven leven, moet gij de hongerige uw brood mededelen. Het moet uw brood zijn, dat eerlijk gewonnen is. niet dat gij anderen ontnomen hebt, het brood waaraan gij zelf ook behoefte hebt, het brood van uw bescheiden deel, wij moeten onszelf verloochenen om anderen te geven hetgeen zij nodig hebben. Het brood dat gij van u zelf en van uw gezin op de vastendag uitgespaard hebt, indien dat of de waarde daarvan niet aan de armen gegeven wordt, is het een vasten van de ellendige, een vasten naar de wereld en niet naar God. Wij moeten ons brood breken voor de ellendige en hongerige, niet alleen hem het aangebroken brood, het restant, geven, maar het breken met het doel om het hem te geven, hem flinke stukken te geven en geen kruimkens.
b. De daklozen onderkomen te verschaffen, dat is zorg te dragen voor de armen die uitgeworpen zijn, die uit hun woning verdreven zijn, van huis en haard beroofd werden, die, zoals sommigen hier lezen, als opstandelingen verdreven zijn en wie te helpen en te verbergen dus zeer strafbaar zijn kan. Toch indien zij onrechtvaardig verdreven zijn, moet men er niet tegen opzien hen in huis te brengen. Zoekt niet alleen een onderkomen voor hen door ergens anders de inwoning voor hen te betalen maar-hetgeen veel groter bewijs van vriendelijkheid is, brengt hen in uw eigen huis, maakt hen uw eigen gasten. Gedenkt eraan om vreemdelingen te ondersteunen, want al moogt ge niet gelijk sommigen te beurt viel, daardoor engelen herbergen, toch kunt ge zelfs Christus daardoor onderhouden, die het vergelden zal in de opstanding van de rechtvaardigen. Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd.
c. Door kleding te verschaffen aan hen, die daaraan behoefte hebben Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, zowel om hem te beschermen tegen de ruwheid van het weer, als om hem in staaf te stellen behoorlijk in het openbaar te verschijnen, geeft hem kleren om naar de kerk te kunnen gaan. En in deze en al dergelijke gevallen: verbergt u niet voor uw eigen vlees. Sommigen verstaan daaronder meer letterlijk: uw eigen bloedverwanten en nabestaanden, indien uw eigen familieleden achteruit raken, zijt gij erger dan een ongelovige indien gij hen niet naar vermogen helpt, 1 Timotheus 5:8. Anderen vatten het in ruimer zin op: alle deelgenoten aan de menselijke natuur zijn uw eigen vlees: hebben wij niet allen een Vader? En daarom moeten wij ons niet voor hen verbergen, niet trachten buiten bereik te geraken wanneer een arme smekeling tracht ons aan te spreken, niet een andere weg opzien, wanneer een voorwerp van medelijden en weldadigheid ons ontmoet. Laat ons gedenken dat zij zijn vlees van ons vlees, en dat wij daarom met hen moeten medegevoelen. En door hun goed te doen, zullen wij ook in anderen zin ons eigen vlees goed doen, want wij zullen ons een schat opleggen in de hemel.