Maleachi 3:13-18
Onder het Joodse volk te die tijde, of schoon zij allen dezelfde voorrechten en voordelen genoten, waren er van zeer verschillende gezindheid, gelijk dat te allen tijde en overal, in de wereld en in de kerk gezien is en gezien wordt. Onder Jeremia's vijgen waren zeer goede en zeer boze, sommigen blijken duidelijk kinderen Gods, en anderen even duidelijk kinderen des bozen te zijn. Er is onkruid en tarwe in hetzelfde veld, kaf en koren op dezelfde dorsvloer, van beide wordt hier gesproken.
I. Hier wordt gezien, hoe God kennis neemt van de onbeschaamde lasterlijke taal van de zondaars in Zion, en hoe Hij daarover toornt. Waarschijnlijk waren die saam verbonden tegen de godsdienst, gebruikten hun geestigheid in kwinkslagen om die belachelijk te maken, en sterkten hierin elkanders handen. Hier is
1. Een beschuldiging tegen hen ingebracht, om de trouweloze woorden, tegen de Koning van de koningen gesproken. Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geweest, zegt de Here. Zij hadden tegen God gesproken, Hem tegengesproken, gelijk hun vaderen in de woestijn, ja, zij hadden tegen God gesproken. Zij hadden zich verzet tegen wat Hij gezegd en bepaald had, als ware het hun taak geweest, Zijn raad te verijdelen. Hun woorden tegen Hem waren te sterk geweest, zij waren voortgekomen uit hun hoogmoed en trots en verachting voor God. Wat zij tegen God spraken, spraken zij luid alsof het hen niet raakte, wie het horen zou. Zij schaamden zich niet zo iets te zeggen, zij begeerden hun atheïstische gevoelens te propageren en er anderen mee aan te steken. Zij spraken onbeschroomd als die vastbesloten zijn hun woord gestand te doen, en onbevreesd, als ze ter verantwoording geroepen worden. Zij spraken trots, met waanwijsheid en verachting, en wilden van enige bespreking of terechtwijzing door de goddelijke wet niets weten. "Zij strekten tegen God hun hand uit, en tegen de Almachtige stelden zij zich geweldiglijk aan," Job 15:25.
2, Hun pleitrede tegen deze aanklacht. Zij zeggen: Wat hebben wij tegen U gesproken? Zij ontkennen hun woorden en roepen de profeet op om ze te bewijzen, of, indien zij ze al hebben geuit, dan bedoelden zij daarmee niets tegen God te spreken, en daarom was er ook heel geen kwaad in. Zij verzachten de zaak althans, wat hebben wij toch tegen God gesproken, dat er zoveel drukte van gemaakt moet worden? Ontkennen, dat zij tegen God hebben gesproken, kunnen ze ten laatste niet maar zij tillen dat licht en begrijpen niet, dat het zoveel betekent: " Woorden zijn maar wind, anderen hebben meer en erger dingen gezegd, als wij niet zo goed zijn als wel betaamde, wij hopen toch niet zo slecht te zijn als men ons afschildert." Zie, het is een gewoon verschijnsel, dat niet-overtuigde en niet gedeemoedigde zondaars de gebreken ontkennen of licht achten, waarvan zij terecht beticht worden, en verwachten gerechtvaardigd te worden, ondanks de overtuigende bewijzen en beschuldigingen van hun eigen consciëntie. Maar het zal hun niet baten.
3. De woorden, die zij gesproken hebben. God houdt boek van wat de mensen zeggen, evenzeer als van wat zij doen. Wij vergeten gemakkelijk wat wij zeggen en ontkennen geredelijk wat wij hebben gedaan, maar God kan ons tegemoet voeren: Gij hebt dat en toen gezegd. Zij hadden welbewust gesproken.
A. Dat er bij de dienst van God niets te verdienen viel, of schoon die dienst de mens aan arbeid en smart onderwerpt. Zij zeiden: Het is tevergeefs, God te dienen, of: Hij is ijdel, die God dient, dat is: hij arbeidt tevergeefs, zonder resultaat, hij heeft geen arbeid voor zijn moeite, en daarom, het is een dwaas, die zich aan die dienst geeft. Wat nuttigheid is het dat wij Zijn wacht waarnemen? dat wij doen wat Hij verordend heeft? Welk voordeel, mammon of welvaart (zo luidt het Chaldeeuws) levert het ons op? Daardoor verraden zij, gelijk Dr. Pocock opmerkt, dat zij alleen om den brode God hebben gediend, en dus niet God maar de Mammon. "Wij hebben in het zwart gegaan, met grote ernst en diepe droefheid, voor het aangezicht des Heren der heirscharen hebben onze ziel op gezette tijden bedroefd, en het heeft ons niets opgeleverd." Misschien moet dit als een reden dienen, waarom zij God niet vertrouwen, dat Die hen zegenen zal, als ze al de tienden opbrengen, vers 10. "Want", zeggen zij, "wij hebben Hem in andere dingen beproefd en erbij verloren." Dit is een onrechtvaardige en onredelijke redenering omtrent de dienst van God, en wij kunnen genoeg getuigen oproepen om deze laster te weerleggen.
a. Zij meenden God te hebben gediend en Zijn inzettingen onderhouden, maar het was slechts een vormendienst, terwijl zij ten enenmale vreemd waren aan liefde tot God eh daarom konden zij zeggen: "Het is tevergeefs". God spreekt zo, Mattheus 15:8, 9:"Tevergeefs eren zij Mij. Dit volk genaakt Mij met de lippen." Wiens schuld is dat? Niet die van God die een Beloner is dergenen, die Hem zoeken, maar zij zochten Hem niet.
b. Zij wezen er nadrukkelijk op, dat zij in het zwart gegaan hadden voor het aangezicht des Heren, hoewel God hun had geboden, Hem met blijdschap te dienen en vrolijk voor Zijn aangezicht te wandelen. Door hun eigen bijgeloof hadden zij de dienst des Heren een last en verdriet gemaakt en toen over een harde dienst geklaagd. Het juk van Christus is licht, dat van de antichrist is zwaar.
c. Zij klaagden, dat ze met hun godsdienst niets gewonnen hadden, zij leden nog onder armoede en verdriet en kwamen in de wereld achteraan. Een oude klacht de goddeloosheid, Job 21:14, 15. "Wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?" Elihu beschuldigt Job van zulk een klacht, Job 34:9:Het baat een man "niet, als hij welbehagen heeft aan God." De vijanden van de godsdienst herhalen immer weer hun oude klacht, die al lang weerlegd en te schande gemaakt is. Misschien zinspeelt dit woord op de dwalingen van de secte van de Sadduceeën, die van de Joodse kerk van later dagen tot ergernis waren, zij ontkenden een toekomende wereld en zeiden: Het is vergeefs, God te dienen, wat in zover waar was, dat wij, "indien wij alleenlijk in dit leven op Christus hopen, de ellendigste van alle mensen zijn," 1 Corinthiers 15:19. Zie, zij strekken Gode tot oneer, die zeggen, dat godsdienst of onvoordelig of onaangenaam is, want dat is onwaar. "De wegen van de wijsheid zijn wegen van de liefelijkheid," Spreuk. 3:17, en haar winst beter dan fijn goud.
B. Zij beweerden, dat goddeloosheid de weg tot voorspoed was, want zij hadden opgemerkt, dat het de werkers van de ongerechtigheid goed gaat in de wereld, ook verzoeken zij de Here en ontkomen, vers 15. De uitwendige voorspoed van de zondaars in hun zonde, die de handen van de godzaligen soms verslapt, Psalm 73:13, sterkt de handen van de goddelozen in hun goddeloosheid. Zie,
a. Zij, die goddeloosheid werken, tergen God door hun aanmatiging, zij beproeven God als het ware, of Hij hen kan en wil straffen, naar Zijn woord zegt, zij dagen Hem als het ware uit om te laten zien wat Hij kan.
b. Zij, die God door hun goddeloze werken tergen, zijn menigmaal uit hun tegenspoed door God zelf gered, waarin zij terecht gebracht waren, en tot voorspoed gevoerd, die zij ten enenmale verbeurd hadden. Zij zijn niet maar eenmaal begenadigd, toen wij meenden, dat hun dag gekomen was, en zij in ellende verzonken, zijn zij weer opgericht, zo geduldig heeft de Voorzienigheid hun weer een vriendelijk aangezicht getoond.
c. Hoewel dat zo is, toch wordt daarmee hun vrede niet gewaarborgd, zodat wij de trotsaard gelukzalig zouden kunnen noemen. Zij kunnen wel tijdelijk verlost en tot welstand teruggebracht worden, maar het zal blijken, dat God hen weerstaat, en dat hun hoogmoed een voorspel van hun val is. En derhalve zijn zij inderdaad ellendig, het is dwaasheid, hen gelukzalig te roemen, en te zegenen wie de Here veracht. Wacht nog een tijd, en gij zult zien, dat zij, die goddeloosheid doen, gebouwd worden om tot doelwit te dienen van de pijlen van Gods toorn, en zij, die God verzoeken, ontkomen, maar om de verdervers ten prooi te worden. Oordeel over de dingen, naar ze spoedig zich zullen vertonen, wanneer het doemvonnis van deze hoogmoedige zondaars (dat hier, Hoofdstuk 4:1, volgt) ten uitvoer gebracht wordt.
Welk een genadige notitie God neemt van wat de heiligen in Zion zeggen, en hoe Hij hen daarvoor beloont. Zelfs in die verdorven en ontaarde eeuw, toen het verval zo groot was, de goddeloosheid en verachting van God en Zijn gebod zo machtig, waren er toch nog sommigen rechtvaardig en ijverende voor God. Laat ons zien
1. Hoe zij zich onderscheidden en hoe hun wandel was, juist tegengesteld aan die dergenen, die zoveel tegen God te zeggen hadden, want,
A. Zij vreesden de Here, dat is het beginsel van de wijsheid en de wortel van alle godsdienst, zij eerbiedigden Gods majesteit, onderwierpen zich aan Zijn gezag en vreesden Zijn toorn in al wat zij zeiden of deden. Zij schikten zich nederig naar Zijn wil en spraken nimmer enig woord tegen Hem. In iedere eeuw is er een overblijfsel geweest, dat God vreesde, al was dat somtijds slechts een gering getal
B. Zij gedachten aan Zijn Naam, zij wijdden vaak en met volle ernst hun denken aan hetgeen God van Zich zelf in Zijn woord en door Zijn wereldbestuur had geopenbaard, en hun overdenking van Hem was zoet en droeg goede vrucht. Zij gedachten aan zijn Naam, zij zochten Gods eer en hielden die als het doel van al hun doen en laten voor ogen. Zie, zij, die de naam Gods kennen, moeten er dikwijls aan denken en over peinzen. Het is een heerlijk onderwerp voor onze gedachtenwereld, het zal onze gemeenschap met God grotelijks ten goede komen en onze liefde voor Hem vermeerderen.
C. Zij spraken een ieder tot zijn naaste over de God, die zij vreesden, en Zijn Naam, die zij eerden, want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Zij, die de Here vreesden, bleven bij elkander als gepast gezelschap, zij spraken vriendelijk en bemoedigend tot elkaar, zij hadden elkander hartelijk lief, en die liefde nam nog toe, zodat ze niet verkoelde, wat altijd geschiedt, als ongerechtigheid overvloedig wordt. Zij spraken met wijsheid en opbouwend samen, tot opscherping van de liefde en versterking des geloofs, zij spraken samen de taal dergenen, die de Here vrezen en Zijn naam gedenken, namelijk de tale Kanaäns. Wanneer de onheiligheid zo ver gegaan was, dat ze al wat heilig is onder de voet had, spraken degenen, die de Here vreesden, een ieder tot zijn naaste.
a. Wanneer de goddeloosheid stout en onbeschaamd optrad, greep Gods volk moed en moedigde elkaar aan, "de onschuldige maakte zich op tegen de huichelaar," Job 17:8. Hoe slechter anderen zijn, zoveel beter behoren wij te wezen, wanneer de zonde brutaal is, laat dan de deugd onbeschroomd zijn.
b. Toen de godsdienst veracht en belasterd werd, deden zijn vrienden wat zij konden om die te eren en tot aanzien te brengen. Men beweerde, dat de dienst van God onaangenaam, somber is, daarom deden die God vreesden al het mogelijke om aan te tonen, door hun vrolijkheid en onderlinge liefde en omgang, om het tegendeel te bewijzen, om de onwetendheid van de dwaze mensen de mond te stoppen.
c. Wanneer verleiders doende waren om zorgeloze zielen te verstrikken en tegen de godsdienst in te nemen, waren die God vreesden in de weer om, door wederzijds onderricht en bemoediging, tegen die gevaren elkaar te wapenen. Kwade samensprekingen bederven goede zeden, en zo werden die door goede gezindheid en gesprekken bevestigd.
2. Hoe God hen eerde, en welke verdere gunsten Hij voor hen bestemde. Zij, die stoutelijk tegen God spraken, zagen ongetwijfeld met verachting en ongenoegen op hen neer, die Hem vreesden, plaagden en scholden ze, maar deze hadden weinig reden, zich daaraan te storen of ongerust te worden, aangezien God met hen was.
A. Hij gaf acht op hun vrome gesprekken en was genadig bij hun samenkomsten in hun midden: "De Here merkt er toch op en hoort en neemt er een welgevallen aan". God zegt, Jeremia 8:6, dat Hij "luistert en toehoort," wat slechte mensen spreken, namelijk wat niet recht is, hier luistert en hoort Hij toe, wat goede mensen spreken, namelijk wat recht is. Zie, de genadige God let op al de goede woorden, die uit de mond Zijns volks voortkomen, zij behoeven niet te wensen, dat mensen ze vernemen en hen ervoor prijzen. Laat hen geen lof van mensen verwachten, noch trachten gehoord te worden, laat het hun genoeg zijn dat hun gesprekken, hoe geheim ook, door God gehoord en beluisterd worden, en Hij zal het hun in het openbaar vergelden. Toen de twee Emmausgangers samen over Christus spraken hoorde en luisterde Hij en voegde Zich bij hen als de derde in `t verbond, Lukas 24:15.
B. Hij houdt boek van hen. Een gedenkboek is voor Zijn aangezicht geschreven. Wel behoeft de Alwetende niet door boeken of geschriften aan wat geschied is herinnerd te worden, maar deze uitdrukking sluit zich bij de menselijke wijze van spreken aan, om duidelijk te maken dat hun vrome gevoelens en werken door God in gedachtenis worden gehouden, even nauwkeurig als waren ze in een boek opgetekend, als waren notulen hunner vergaderingen gehouden. Grote koningen lieten kronieken schrijven en zich voorlezen, waarin alles wat hun goeds aangedaan, met vermelding van tijd, plaats en personen, opgetekend werd, Esth. 2:23. Op gelijke manier gedenkt God de diensten van Zijn volk, en die overziende, zegt Hij: Wel, gij goede dienstknecht, ga in tot de vreugde uws Heren. God heeft een boek voor de zuchten en tranen van Zijn kinderen, Psalm 56:9, en nog een voor de pleitredenenen hunner verdedigers. Nimmer werd een goed woord over God gesproken, uit een oprecht hart, of het is opgetekend, opdat het beloond moge worden in de opstanding van de rechtvaardigen, die hun loon geenszins zullen verliezen.
C. Hij belooft hun een deel in de toekomstige heerlijkheid, vers 17:Zij zullen, zegt de Here van de heirscharen, te dien dage, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn. Wanneer God de Joodse kerk om haar ontrouw eindelijk geheel afsnijdt, wordt het overblijfsel, dat Zijn woord gelooft en de vertroosting Israëls verwacht, verwelkomd als Hij verschijnt, en in de christelijke kerk opgenomen. Het zal zijn een uitverkoren volk, God draagt er zorg voor, dat zij niet verloren gaan met de ongelovigen, maar verborgen worden in de dag van de toorn des Heren. Zij zullen zijn Mijn segullah, Mijn bijzondere schat (het woord, dat Exodus 19:5 gebruikt is), in de dag, die Ik maken zal om Mijn raad ten uitvoer te brengen. Deze vromen zullen alle voorrechten genieten, die de God Israëls hun toebedeelt en onder hen bevestigt. Zij zullen Zijn bijzonder eigendom zijn, wanneer de overigen verworpen worden, zij zullen vaten van barmhartigheid en eer wezen, wanneer de anderen tot vaten des toorns en van de oneer gesteld worden, waarin God geen welgevallen heeft. Dit geldt van al Gods getrouwe knechten, dan zal tussen hen en de ongehoorzamen onderscheid gemaakt worden. Zie,
a. De heiligen zijn Gods kleinodiën, zij worden hogelijk door Hem geëerd en zijn Hem dierbaar, zij zijn schoon door de schoonheid, die Hij op hen legt, het behaagt Hem, hen te verheerlijken, zij "zijn een sierlijke kroon in Zijn hand," Jesaja 62:3. Hij beschouwt hen als Zijn eigendom, Zijn uitgelezenen, Zijn schatten, in Zijn schatkamers opgelegd, en het sieraad van Zijn binnenkamer, Psalm 135:4. De overige wereld is slechts lompen, in vergelijking met hen.
b. Er komt een dag, die Hij maken zal. Zij zullen uit de versmaadheid, waarin zij verkeerd hebben, worden uitgerukt, en van alle plaatsen waarheen zij verstrooid waren, samenvergaderd. Hij zal Zijn engelen uitzenden om Zijn uitverkorenen bijeen te verzamelen van de vier wieden van de aarde, Mattheus 24:31, Zijn juwelen in Zijn juwelenkistje, als tarwe van de akker in Zijn schuren. Alle heiligen zullen dan tot Christus vergaderd worden, en niemand dan louter heiligen, en wel volmaakte heiligen, dan zullen zij schitteren als edele stenen in een kroon of sterren in een sterrenbeeld.
c. Hen, die thans God als hun God erkennen, zal Hij dan als de Zijnen erkennen, voor engelen en mensen belijden: "Zij zullen Mij een eigendom zijn, vers 17, hun heiligmaking zal voltooid worden, en dan zullen zij volmaakt en geheel en al de Mijnen zijn, zonder enige gemeenschap meer met de wereld en het vlees." Hun betrekking tot God zal erkend worden en tegelijk, dat zij Zijn eigendom zijn. Hij zal ze scheiden van wie de Zijnen niet zijn, en hun hun deel geven met degenen, die de Zijnen wel zijn, want Hij zal tot hen zeggen: "Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging van de wereld." Soms hebben zij getwijfeld, of ze God toebehoorden of niet maar dan zal alle twijfel opgeheven worden. God zelf zal tot hun zeggen, Gij zijt Mijn eigendom. Nu wordt hun hun betrekking tot God verweten, dan zullen zij er om geprezen worden, want God zelf zal zich in hen verheerlijken.
D. Hij belooft hun nu deel aan Zijn genade. Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient. God heeft beloofd, hen als Zijn eigendom te erkennen en ze op te nemen daar waar Hij is, maar het mocht een ontmoediging voor hen zijn, te bedenken hoe menigmaal ze God hebben vertoornd en hoe rechtvaardig het zou zijn, als Hij hen niet langer erkende, maar verwierp. Evenwel, Hij getuigt: Ik zal hen verschonen, Ik zal niet met hen doen naar zij verdienen. Ik zal Mij over hen verheugen (gelijk sommigen dit verklaren), gelijk de bruidegom zich verheugt over zijn bruid, Jesaja 62:5, Zefanja 3:17. Maar het woord betekent gewoonlijk verschonen uit medelijden en barmhartigheid, "gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen," Psalm 103:13. Zie,
a. Het is onze plicht, God te dienen met kinderlijke gezindheid. Wij moeten Zijn zonen zijn, door de wedergeboorte Zijn goddelijke natuur deelachtig, moeten het verbond van de aanneming aanvaarden en deel hebben aan de geest van de aanneming. En wij moeten Zijn dienaren zijn, God wil niet, dat Zijn kinderen ledig gaan, zij moeten Hem dienen uit liefde met blijdschap en vreugde, en als degenen, die met die dienst hun eigen waarachtig welzijn dienen. Dat is de dienst "van een zoon jegens zijn vader," Filippenzen 2:22.
b. Als wij God in kinderlijke gezindheid dienen, zal Hij ons met eens vaders tederheid en medelijden verschonen. Zelfs Gods kinderen, die Hem dienen, hebben verschonende genade nodig, genade waaraan wij het te danken hebben, dat wij niet verteerd zijn, die ons buiten het bereik van de hel houdt. Nehemia, die veel goeds gedaan had wetende, dat er "geen mens rechtvaardig is voor God, die goed doet en niet zondigt" en dat elke zonde Gods toorn waard is, bidt: "Verschoon mij, naar de veelheid Uwer goedertierenheid," Nehemia 13:22. En God zal hun, als Vader goedertierenheid bewijzen. Hij zal ons niet met de uiterste gestrengheid straffen, naar wat wij verkeerds gedaan hebben, maar medelijden hebben met ons en onze zwakheden, Hij zal de beproevingen matigen, waarmede Hij Zijn kinderen bezoekt, en hen van het verderf bevrijden, dat zij verdienen. De vader blijft de zoon verschonen, en dat met innig mededogen, omdat deze zijn eigen is, zo zal God nederige boetvaardigen en smekelingen verschonen, gelijk een man zijn zoon verschoont, die hem dient, al is die dienst ook gering, ja, al is die ook dikwijls averechts.
3. Hoe zij dus van de kinderen van deze wereld onderscheiden zullen worden, vers 18. Dan zult gijlieden wederom zien het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen zondaren en heiligen, tussen hen, die God dienen, en degenen, die God niet dienen, maar Zijn dienst verachten. Gij, die nu tegen God spreekt, als maakte Hij geen onderscheid tussen goed en kwaad, en daarom zegt: Het is vergeefs, God te dienen, vers 14, gij zult uw dwaling dan inzien. En gij, die voor God spreekt, maar niet weet wat te antwoorden als het schijnt, dat enerlei de rechtvaardige en de goddeloze wedervaart, en dat allen hetzelfde overkomt, gij zult die zaak dan in het ware licht zien, en, tot uw eeuwige voldoening het verschil opmerken, dat er bestaat tussen de rechtvaardigen en de zondaars. Dan zult gij terugkeren (Engelse vertaling voor ons: wederom), dat is: "gij zult van gedachte veranderen en het rechte verstand van deze dingen krijgen." Dit geldt in de eerste plaats van het klaarblijkelijk onderscheid, door de goddelijke Voorzienigheid gemaakt tussen de gelovige Joden en degenen, die in hun ongeloof volhardden, toen Jeruzalem door de Romeinen verwoest werd, en zowel de Joodse natie als de Joodse kerk ophielden te bestaan. Maar het zal zijn volle vervulling erlangen, wanneer Jezus Christus wederkomt, dan zal het heel gemakkelijk vallen, het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze te zien. Zie,
a. Alle kinderen van de mensen zijn of rechtvaardig of goddeloos, dienen God of dienen Hem niet. Die indeling van de mensenkinderen blijft eeuwig, daarvan hangt hun toestand in de eeuwigheid af, allen gaan of naar de hemel of naar de hel.
b. In deze wereld is het vaak moeilijk, tussen de rechtvaardige en de goddeloze te onderscheiden. Zij zijn ondereen gemengd, goede en kwade vissen in een en hetzelfde net. De rechtvaardigen tonen zo weinig het beeld huns Heren, en de goddelozen vertonen zo'n goede schijn, dat wij menigmaal omtrent de een en de ander misleid worden. Er zijn velen, van wie wij menen, dat zij God dienen en wier hart toch niet recht is voor God en die Hem niet dienen, en aan de andere kant zullen velen Zijn getrouwe dienaren blijken te zijn van wie wij zulks niet verwachten, omdat zij ons niet volgen. Maar wat voornamelijk moeilijkheid gaf, was, dat God zelf geen onderscheid scheen te maken tussen beide, men kon de goddelozen niet onderkennen, want God toonde hun Zijn heilig ongenoegen niet, en zij waren voorspoedig in hun wegen, en de rechtvaardigen schenen in Gods bijzondere gunst niet te delen want zij werden door dezelfde rampen als allen getroffen. "Ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is," Prediker 9:1.
c. Voor de rechterstoel van Christus in het laatste oordeel zal het licht vallen, het onderscheid te zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze, want dan zal ieders doen en laten open en bloot liggen en volkomen aan de dag treden, zodat niemand onder valse vlag vaart, en alle vermomming wegvalt. De zonden van sommige mensen gaan hen voor, maar bij andere volgen ze, in die grote dag evenwel zullen wij klaarlijk zien, wie rechtvaardig en wie goddeloos zijn. Dan zal ook ieders staat openbaar worden en voor eeuwig vastgesteld: de rechtvaardige zal dan eeuwig gelukkig en de goddeloze voor eeuwig rampzalig zijn, zonder enige vermenging of verflauwing. Wanneer de rechtvaardigen allen aan Christus' rechterhand zullen staan en uitgenodigd worden de hemelse zegeningen te smaken, en al de goddelozen aan Zijn linkerhand om vervloekt te worden, dan zal alle vergissing onmogelijk wezen. En wat ons aangaat, het is van het hoogste belang, te weten aan welke zijde onze plaats zal zijn, maar wat anderen aangaat mogen wij niet voor de tijd oordelen.