Jesaja 57:17-21
Van het gehele volk Israëls als een geheel wordt in deze beschrijving van Gods handelingen met hen gesproken als van een bepaald persoon, vers 17-18. Toch wordt het onderscheiden in twee soorten, die verschillend behandeld werden, vers 19. Sommigen waren kinderen des vredes, en tot hen werd van vrede gesproken, maar anderen, vers 21, hadden met vrede niets te maken.
Zie hier:
I. De rechtvaardige bestraffingen, waaronder het volk om zijn zonden gebracht was. Ik was verbolgen over de ongerechtigheid van hun gierigheid en sloeg hen. Gierigheid was een zonde, die zeer veel onder dat volk voorkwam, Jeremia 6:13. "Van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt ieder van hen gierigheid". Zij die geen afgoden aanbaden, werden meegesleept door geestelijke afgoderij, want dat is gierigheid: zij maakt van het geld een god, Colossenzen 3:5. Geen wonder dat het volk gierig was, want de wachters waren het in hoge mate, Hoofdstuk 56:11. Maar hoe gierig zij ook mochten zijn, in de verering van hun afgoden waren zij kwistig, vers 6. En het is moeilijk te zeggen wat tergender was voor God, hun verkwisting in de afgoderij of hun gierigheid in alle andere opzichten. Maar onder andere ongerechtigheden was God om deze toornig op hen en bracht Hij het een oordeel na het andere over hen en ten laatste hun ondergang door de Chaldeën.
1. God was verbolgen op hen, Hij duidde het hun zeer ten kwade, dat een volk hetwelk aan Hem gewijd en Zijn erfdeel was, geheel en al aan de wereld overgegeven was en die voor Zijn deel gekozen had. Gierigheid is een ongerechtigheid, die God zeer mishaagt. Het is een zonde des harten, maar Hij ziet haar en daarom haat Hij haar en ziet haar met naijver want zij richt in de ziel een mededinger met Hem op. Zij is een zonde, waarbij de mensen zichzelf zegenen, Psalm 49:18, en waarin hun naburen hen zegenen, Psalm 10:3, maar God heeft er een afschuw van.
2. God sloeg hen, bestrafte hen door zijn profeten, kastijdde hen door Zijn beproevingen, strafte hen juist in de dingen, die zij liefhadden en waarop zij gierig waren. Zondaren zullen de toorn Gods te gevoelen krijgen, want Hij is verbolgen op hen en slaat hen, en vooral de gierigheid berokkent de mensen Gods ongenoegen. Zij, die hun harten openzetten voor de rijkdommen van deze wereld, zullen er door teleurgesteld worden, of zij worden er door verbitterd. Het wordt hun een kruis of een vloek.
3. God verborg Zich voor hen onder deze bestraffingen en bleef verbolgen. Wanneer wij onder de roede verkeren, en God Zich openbaart aan ons, dan kunnen wij het zoveel beter verdragen, maar indien Hij ons slaat en Zich bovendien voor ons verbergt, ons geen profeten zendt, geen enkel troostwoord tot ons spreekt, ons geen teken ten goede doet zien, "verscheurt en heengaat," Hosea 5:14, dan is het zeer ellendig met ons gesteld.
II. Hun opstand en onverbeterlijkheid onder deze bestraffingen, zij gingen afkerig heen in de weg huns harten, hun bozen weg. Zij waren ongevoelig voor het misnoegen Gods, dat hun getoond werd. zij gevoelden de pijn van de roede, maar zagen niet op de hand, die haar gebruikte, hoe meer zij gedwarsboomd werden in hun wereldse voornemens zoveel weerspanniger werden zij. zij wilden hun dwaling niet inzien, en zo zij die zagen, haar niet erkennen, gierigheid was de weg van hun hart, daarheen gingen al hun neigingen en plannen, zij wilden er niet over onderhouden worden, maar maakten in de bezoeking des overtreders nog meer, 2 Kronieken 28:22. Zie hier hoe groot het bederf van het hart des mensen is, en hoe zondig de zonde, zij zullen hun eigen weg gaan ten spijt van God zelf en al de vlammen Zijns toorns. Zie ook hoe onvoldoende bezoekingen op zichzelf zijn om de mensen te verbeteren, tenzij Gods genade er in werkt.
III. Gods wondervolle terugkeer in barmhartigheid tot hen, niettegenstaande hun algemene tegenstand.
a. Het grootste gedeelte van hen ging hardnekkig voort, maar er waren sommigen onder hen die treurden over de afkerigheid van de anderen, en met het oog op deze of liever om Zijns naams wil, besloot God niet altijd met hen te twisten. "Bij de verkeerde betoont God Zich een worstelaar," Psalm 18:27, "Hij wandelt in tegenheid met hen die in tegenheid met Hem wandelen," Leviticus 26:14. Wanneer deze zondaren in de afkerigheid van hun hart voortgaan, zou men verwachten dat er volgen zou: Ik heb hun wegen gezien, en zal hen verwoesten en verlaten, Ik wil nooit weer iets met hen van doen hebben. Maar neen, zo groot is de rijkdom van Gods ontferming en genade dat er volgt: Ik zie hun wegen en zal hen genezen. Zo neemt Gods goedertierenheid aanleiding uit de verkeerdheid van de mensen om zoveel luisterrijker te verschijnen, en waar de zonde overvloedig is geweest, is de genade nog veel meer overvloedig geweest. Gods redenen om barmhartig te zijn neemt Hij uit Zichzelf, want in ons is niets dan dat Hem kan tergen. Ik heb hun wegen gezien en zal hen genezen om Mijns naams wil. God weet hoe slecht het volk is, maar wil het toch niet verstoten. Maar merk op Zijn handelwijze: God zal eerst genade geven, en dan, maar niet vroeger, geeft Hij vrede. Ik heb hun wegen gezien, dat zij uit zichzelf nooit tot mij zullen wederkeren, en daarom zal Ik hen omkeren. Voor hen, aan wie God barmhartigheid wil bewijzen, heeft Hij genade gereed, ten einde hen te bereiden en geschikt te maken voor die barmhartigheid, terwijl zij nog bezig zijn met zich van Hem af te keren, God zal hen genezen van hun bedorven en goddeloze gezindheid, en van hun gierigheid, al zit die ook nog zo diep in hen geworteld en al is hun hart ook nog zo lang in gierige gewoonten geoefend. Er is geen geestelijke ziekte zo diep ingevreten of almachtige genade kan haar overwinnen.
b. God zal hen dus geleiden, niet alleen verbeteren wat verkeerd is, opdat zij mogen ophouden kwaad te doen, maar hen leiden in de weg van hun plicht, opdat zij leren goed te doen. Zij gaan afkerig voort gelijk Saulus, blazende dreiging en moord, maar God zal hen leiden in een betere gezindheid en een beteren weg. En dan
c. zal God hun al de vertroostingen teruggeven, die zij verbeurd en verloren hebben, en om welke terug te ontvangen Hij hen voorbereid heeft. Er was een verwonderlijke hervorming gewerkt onder de gevangenen te Babel en nu werd er een verwonderlijke hervorming voor hen bewerkt, die hun vertroosting bracht. Namelijk aan hun treurigen, van hen die treurden over hun eigen zonden, en over de zonden van hun volk, en over de verwoesting van het heiligdom. Voor deze treurenden zou de barmhartigheid eerst recht vertroostend zijn en op hen had God het oog in de bewerking ervan. Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.
Toen het volk in gevangenschap ging waren sommigen van hen goede, zeer goede vijgen, en de anderen slechte, zeer slechte vijgen, en daardoor had hun gevangenschap hun het goede bewerkt of hen verergerd, Jeremia 24:8, 9. Evenzo toen zij uit de gevangenschap kwamen, waren sommigen van hen goed en anderen slecht, en naar die mate had de bevrijding gevolgen voor hen. 1. Voor hen die goed waren, was de terugkeer uit de gevangenschap vrede, een vrede die type en eersteling was van de vrede, die door Jezus Christus zou verkondigd worden, vers 19 :Ik schep de vrucht van de lippen: vrede.
a. God besloot hun reden voor lof en dankzegging te geven, want dat is "de vrucht van de lippen" Hebreeën 13:15, "de kalveren van de lippen" Hosea 14:2. Ik schep die. Scheppen is uit niet voortbrengen, en dit is zeker uit erger dan niets, wanneer God redenen van lof geeft aan hen, die afkerig voortgingen op de weg van hun eigen hart.
b. Ten gevolge daarvan zal vrede afgekondigd worden, vrede, vrede, volkomen vrede, alle soorten van vrede voor hen, die verre zijn van de algemene verzamelplaats of van het hoofd en voor hen die nabij zijn. Vrede met God, ofschoon Hij met hen getwist heeft zal Hij met hen verzoend worden, en Zijn tegenstand laten varen, vrede des gewetens, een heilige verzekerdheid en kalmte des geestes, na de vele verwijtingen des gewetens en de schuddingen van de ziel, waaronder zij in hun gevangenschap geleden hadden. Zo schept God de vrucht van de lippen, nieuwe stof voor dankzegging, want wanneer Hij van vrede tot ons spreekt, moeten wij tot lof van Hem spreken. Deze vrede zelf is Gods schepping, Hij, en Hij alleen kan die vrede bewerken, de vrede is de vrucht van Zijn lippen, want Hij gebiedt hem en van de lippen van Zijn boodschappers, die op Zijn bevel spreken, Hoofdst 40:1. De vrede is de vrucht van predikende en van biddende lippen, het is de vrucht van de lippen van Christus, die druppen van honingdauw, want van Hem wordt gezegd, Efeziers 2:17, Hij is "gekomen en heeft vrede verkondigd dengenen, die verre zijn: aan de heidenen zowel als aan de Joden: die dichtbij waren tot de laatste geslachten, die in tijd verre waren, zowel als tot hen van die tijd."
2. Voor degenen onder hen, die goddeloos waren, ofschoon zij ook met de anderen terugkeerden, zou die terugkeer echter toch geen vrede zijn, vers 20. De goddeloze, waar hij ook zijn moge, in Babel of in Jeruzalem, draagt in zich rond het beginsel van zijn onreinheid en is gelijk een voortgedreven zee. God geneest hen, tot wie Hij van vrede gesproken heeft, vers 19 :Ik zal hen genezen, alles zal weer goed worden en in orde komen. Maar de goddeloze wilde niet genezen worden door Gods genade, en zal daarom ook niet genezen worden door Zijn vertroostingen. Zij zijn altijd als een door storm voortgedreven zee, want zij dragen in zich:
a. Onbestreden verderf, dat niet genezen of overwonnen is, en hun ongebreidelde lusten en hartstochten maken hen gelijk aan een beroerde zee, die niet kan rusten, gevaarlijk voor alles om hen heen, onrustig, woelig. Wanneer de onbetoomde driften des geestes losbreken in schandelijke en verkeerde taal, dan werpt die beroerde zee slijk en modder. op.
b. Onbevredigde gewetens, zij verkeren onder een verschrikkelijk voorgevoel van schuld en toorn, daarom kunnen zij geen blijdschap genieten. Wanneer zij kalm schijnen, worden zij toch geschud, wanneer zij vrolijk schijnen, zijn zij toch uitwendig benauwd, gelijk Kaïn, die altijd dolende en zwervende was. De verschrikkingen des gewetens vermodderen al hun genoegens, en werpen zoveel slijk en modder op dat zij zichzelf tot een last worden. Ofschoon het voor het ogenblik dikwijls zo niet schijnt te zijn, is het toch een zekere waarheid, wat de profeet reeds vroeger gezegd heeft, hoofdst. 43:22 en hier herhaalt, vers 21 :De goddelozen hebben geen vrede, geen verzoening met God, zij kunnen niet met Hem op goeden voet zijn, want zij gaan steeds voort in hun overtredingen, zij hebben geen rust of voldoening in hun eigen geest, geen werkelijk goed, geen vrede in de dood en daarom geen hoop. Mijn God zegt het, en de wereld kan het niet tegenspreken. Er is geen vrede voor hen die in de zonde blijven leven. Wat hebben zij met vrede te doen?