3. Want dit is de liefde van God, daarin openbaart zij zich (
Johannes 14:15,
23,
31, dat wij Zijn geboden bewaren (
Hoofdstuk 3:24) en Zijn geboden zijn niet zwaar; niet alsof zij niets zwaars eisen, maar wel zijn wij in de gemeenschap van de liefde met God met de kracht toegerust, om ook het zwaarste zonder bezwaar op ons te nemen en te volbrengen (
Mattheus 11:30).
Wilt u weten, of uw liefde tot de broeders van de juiste aard is, beproef dan zelf, of u in hen Gods kinderen liefheeft en dat geschiedt, als u in het liefhebben van de broeders de getuigenis van de Geest heeft, dat u God, hun Vader liefheeft en nu Zijn geboden aan hen probeert te vervullen. Dat is de ware broederliefde, die de weg van Gods geboden loopt, liefhebbend naar de ordening van God, niet naar eigen gedachten.
De apostel heeft zeker de ervaring voor ogen, dat een Christen tegenover een ander soms, zoals men zegt een grote "antipathie" voelt en zich nu eerder geneigd voelt, om zich van hem terug te trekken, dan met hem broederlijke gemeenschap te houden. Daarentegen moet men in de liefde van God strijden en daartoe aanmoedigende, voegt Johannes erbij: "Zijn geboden zijn niet zwaar. "
Om de verklaring van de apostel, dat Gods geboden niet zwaar zijn, goed te verstaan en de waarheid ervan in te zien, hebben wij in het oog te houden, dat hij dit zegt met opzicht tot hen, die uit God zijn geboren, die geloven, dat Jezus de Zoon van God is, die dus het ware geloof bezitten en door dit geloof uit God zijn geboren, zoals duidelijk blijkt uit hetgeen hij er ter opheldering en bevestiging van zijn uitsprak bijvoegt. Zwaar, ja onmogelijk is het volbrengen van Gods geboden voor hen, die niet geloven en niet uit God zijn geboren, die geen kinderen van God, maar kinderen van de duivel zijn en de werken van hun vader doen door de zonde lief te hebben en te dienen; want "die naar het vlees zijn bedenken dat van het vlees is en het bedenken van het vlees is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich van de wet van God niet, want het kan ook niet en die in het vlees zijn kunnen voor God niet behagen. " Maar zo is het niet met hen, die in Jezus Christus geloven, en uit God zijn geboren. Voor hen zijn de geboden van God, die geschreven zijn in hun hart en door Zijn woord hun bekend zijn, niet zwaar. Wel hebben zij nog te strijden. Dit geeft de apostel duidelijk te kennen, door bij herhaling van hun overwinning te spreken. Die strijd ontstaat door de boze wereld, waarin zij leven en die nog in hen niet geheel is gedood. Zij staat tegen hen over en is haar vijandin. Zij probeert hen van God en de betrachting van Zijn geboden gedurig af te trekken, aan haar wil hen te onderwerpen en opnieuw hen de zonde te doen dienen. En die strijd kan soms hevig en bang zijn door de kracht van de wereld en van de zonde, die nog tegen hun wil in hen overig is, zodat zij in de strijd weleens bezwijken en tot overtreding van een of ander van Gods geboden vervallen. Maar hun doorgaande leven is toch voor God gewijd en Zijn geboden zijn voor hen niet zwaar; want zij weten, dat het geboden zijn van hun Vader, die hen liefheeft, die het grootste bewijs van vaderlijke liefde, dat Hij geven kon, hun gegeven heeft in de zending van Zijn Zoon, opdat zij zouden leven, eeuwig heilig en zalig leven door Hem, die in alles hun waarachtig geluk bedoelt, die Zijn geboden hun gegeven heeft, om Zijn weldadig, heerlijk doel bij hen te bereiken en wiens geboden altijd wijs, heilig en goed zijn, ook dan wanneer zij hun bij het eerste horen wel wat hard voorkomen. Maar bij die kennis en dat geloof kunnen Zijn geboden hun niet zwaar zijn. Zij hebben daarenboven God lief die hen het eerst zo uitnemend liefgehad heeft en voortgaat lief te hebben, lief met hun hele hart, boven alles. Maar wat is zwaar voor de liefde? Offert zij niet graag wat op voor het voorwerp van haar liefde? Probeert zij het niet zo veel mogelijk te behagen? Is het haar geen genoegen, geen wellust Zijn wil te doen? En zou dan hij, die God liefheeft, niet gewillig en blijmoedig Zijn geboden volbrengen? Zouden Zijn geboden voor hem zwaar zijn? Nee! dat zijn zij voor hem niet, want hij is uit God geboren en omdat hij uit God is geboren, kan hij zich aan geen zondig leven overgeven. Hij heeft een nieuw leven van de Geest uit God ontvangen. Het leven van zijn Vader is in beginsel het zijne geworden. Dat leven is in strijd met het leven in de zonde. Wat zijn Vader mishaagt, mishaagt ook hem. Wat zijn Vader welgevallig is, is ook hem welgevallig. Zijn lust is in de wet van de Heere. Gods geboden vinden weerklank in zijn binnenste. Zij stemmen overeen met zijn zin en smaak. Zij zijn hem wijs, heilig en goed. Wat God hem gebiedt, gebiedt hij zichzelf. Hij zou het doen ook dan, wanneer het hem niet door God was geboden. Zijn nieuw leven uit God en in God dringt er hem toe met alles overwinnende kracht. Zijn geboden te bewaren is het leven van zijn leven, is genot en zaligheid voor hem. Hij volbrengt ze met vanzelfheid, gewillig, blijmoedig. Zij zijn voor hem niet zwaar. Ook is hij van de overwinning zeker en dit doet hem in de strijd niet verslappen, maar geeft hem moed en kracht; want hij weet, dat hij dan alleen de overwinning behaalt, als hij de strijd aanbindt en volhoudt; ja hij behaalt gedurig de ene overwinning na de andere, als hij gelooft en, door het geloof bezield in de strijd volhardt. Zoals de Heere zei: "Ik heb de wereld overwonnen", zo mogen de Zijnen Hem nazeggen: "ons geloof overwint de wereld. " Hij. die in hen is, is meerder, dan die in de wereld is. Dat leert en bevestigt hun ervaring, zo vaak zij een boezemzonde, een onrein beginsel, een boze lust in zich onderdrukken, over de verleidingen van de wereld zegevieren en een gebod van God volbrengen, waartegen de bedorvenheid, die nog in hen is, het meest aandruist. Dat schenkt hun een genot, zo rein en zalig, dat er niets mee is te vergelijken; maar dat maakt dan ook het bewaren van Gods geboden gemakkelijker. Zijn zij gevallen door gebrek aan gemeenschapsoefening met hun Vader, zij leren er uit; wanneer Zijn geboden voor hen zwaar zijn, het geloof in Jezus Christus, die hun door God tot Zaligmaker gegeven is, die hun Voorspraak is bij de Vader en een verzoening voor hun zonden geeft hun nieuwe moed en nieuwe kracht, om weer op te staan, de strijd te hervatten en met ootmoedigheid bekleed, zich zo te sterken in hun God, dat zij steeds meer de waarheid ervaren van de verklaring van de apostel: "Zijn geboden zijn niet zwaar. " En wat een heerlijke kroon zien zij aan het einde van de baan voor zich opgehangen! God wil niet alleen, dat wij Zijn geboden bewaren, maar Hij heeft ook de uitnemendste beloften aan Zijn graag gehoorzame kinderen geschonken, beloften niet alleen voor het tegenwoordige, maar ook voor het toekomende leven, beloften van eeuwige zaligheid en heerlijkheid. Hoe krachtig werkt ook dit mee, om hen aan te vuren en tot volharding op te wekken! Nu zij zulke beloften ontvangen hebben, nu zij zo'n kroon in het oog hebben, nu hun zo'n zaligheid is bereid door Hem, die zij dienen, nu vallen zelfbeheersing, zelfverloochening, opoffering, blijdschap over het geluk van anderen, liefde tot vijanden, met één woord alle plichten in Zijn dienst hun gemakkelijk, nu zijn Zijn geboden niet zwaar.
EPISTEL OP DE TWEEDE ZONDAG NA PASEN, QUASIMODO GENITI
Op deze Zondag genoemd volgens het woord in 1 Petrus 2:2 Joh 20:19 werd de prediking vooral tot jeugdige Christenen gericht, die na voor acht dagen gedoopt te zijn, heden tot de dis van de Heere toegelaten en nu, als aan de gemeente der gelovigen toegevoegd, weer het maatschappelijk leven ingaan. Welke gedachte lag nu meer voor de geest, dan hun een woord op weg mee te geven, dat hen tot de strijd met de wereld, die zij nu in het geloof moesten aanvangen, zou kunnen toerusten en versterken? De geloofsoverwinning, de zekerheid van ons zegerijk geloof, is de inhoud van deze perikoop; en past die gedachte ook niet bijzonder bij deze dag, in zo verre die de sluitende octaaf van het Paasfeest is? Christus, de overwinnaar over zonde en dood, zwaait op het Paasfeest Zijn roemvolle vaan; Zijn overwinning is onze zegepraal; Hem na in de geloven, dan is onfeilbaar de overwinning aan ons, want ons geloof heeft een goede, door God zelf gelegde grondslag.
Wat in de beide openbaringen van de Opgestane, die het Evangelie van deze dag herinnert, voor de gedachte komt, is het bewijs van de opstanding van Jezus Christus. Aan de zijde van het Evangelie is nu dit epistel geplaatst, waarvan de gehele inhoud handelt over de getuigenis, die God de Heere aan Zijn eengeboren Zoon in hemel en op aarde geeft. Daarom komen Evangelie en epistel in één heilig doel overeen, namelijk om van de Opgestane, de op Gods troon Verhevene, de voor ons eeuwig levende Verlosser zodanige getuigenissen en bewijzen te geven, dat de gemeente in haar geloof aan haar Heer en Heiland moet worden bevestigd en daarin grote vrede en grote blijdschap vinden kan.
Jezus Christus, de Zoon van God, onze Heiland 1) hoe de Vader van Hem voor de wereld heeft getuigd; 2) hoe Hij zelf Zich ook heerlijk aan de gelovigen openbaart.
Over het zaligmakend geloof: 1) wat is dat voor een geloof, dat zalig maakt? 2) wat hebben wij voor getuigenissen voor dit geloof! Bent u een kind van God? 3) het geloof in Christus maakt u daartoe; 4) als kind van God overwint u de wereld.
Het waarachtig geloof in Jezus Christus, de Gekruisigde en Opgestane: 1) in Zijn weder barende kracht- die gelooft, die is uit God geboren; 2) in de kracht van Zijn liefde die gelooft, is tot liefde verkoren; 3) in Zijn wereldoverwinnende kracht die gelooft is nooit de overwinning kwijt.
Ons allerheiligst geloof: 1) volgens zijn inhoud; 2) volgens zijn kracht; 3) volgens zijn grond.
De heerlijkheid van het geloof: 1) wat het bezit; 2) hoe het dit bewaart; 3) wat het verkrijgt
Ons geloof is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: 1) de wereld met haar twijfelingen en haar ongeloof, want het berust op een goddelijk getuigenis; 2) de wereld met haar vervloeking en verleiding, want het legt in ons een hemelse gezindheid; 3) de wereld met haar zorgen en noden, want het draagt in zich het eeuwige leven. 4. Nee, Gods geboden zijn voor ons niet zwaar, al staat de wereld op tegen God (Hoofdstuk 2:15) en probeert zij ons die zwaar te maken. Want al wat uit God geboren is (Johannes 3:6; 6:37) overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof (Hoofdstuk 2:13 v. Johannes 16:33).
Het is inderdaad de gehele, gezamenlijke macht van de zonde, in haar zichtbare en zinnelijke openbaring tegenover God en de gemeente van God, die door hem onder de naam de wereld bedoeld wordt. Het is de verenigde macht en invloed van de zondige, aan het leven uit en voor God nog vreemde mensenwereld en van alle vergankelijke wereldse dingen, die zich plaatsen tussen God en dat zwakke, zondige mensenhart, dat Gods geboden moet bewaren. Een macht tot verleiding een macht tot verschrikking een onoverwinnelijke macht, zolang in de mens de kracht van de zonde nog niet door hoger invloed gebroken is, zolang de wereld nog recht heeft hem onder de haar te tellen. Nee, dan zijn de geboden van God te zwaar, veel te zwaar en onuitvoerlijk. Geen vaak gevoelde vrees voor de op hun overtreding gedreigde straf; geen hartelijke toestemming, dat zij goed zijn en hun opvolging niet dan gelukkig zou kunnen maken; geen bewondering van de voortreffelijke deugden, die zij inscherpen; geen hoop zelfs om door hun nauwgezette betrachting het eeuwige leven te verwerven is in staat om ze ons te midden van al de verzoekingen, al de bedreigingen, al de vervolgingen, waaraan wij zijn blootgesteld, tot richtsnoer van ons leven te doen stellen en met enige volharding opvolgen. Dit is de ondervinding van allen geweest, wie het met de opvolging van de geboden van God eenmaal ernst geworden was. Gelukkig de man, wiens latere ervaring hem ook geleerd heeft met de zegekreet van de apostel in te stemmen: Dit is de overwinning, die de wereld overwint: ons geloof. Van dit ogenblik af zal ook zijn hart dat woord hebben kunnen onderschrijven; Gods geboden zijn niet zwaar. Men merkt wel op, dat de apostel niet schrijft: ons geloof doet of leert de wereld overwinnen. Fierder, stouter is zijn taal; hij zegt: Ons geloof is de overwinning van de wereld. En zo is het. De wereld, die de mens en het menselijke veel te sterk is, is voor God en het goddelijke veel te zwak. Al wat uit God geboren is overwint de wereld. Die gelooft is uit God geboren. Zijn geloof, dat hem met een onwrikbaar vertrouwen en een dankbare liefde aan zijn God verbindt, verheft hem even daardoor boven al de verschrikkingen, boven al de vervoeringen van de wereld. Hij kent en ondervindt een bescherming, krachtiger dan deze kan verlenen of onttrekken; hij kent en bezit een geluk, groter dan zij kan doen aan te bieden. Aan het hart van Jezus Christus de Zoon van God, bij wie hij de verzoening van zijn zonden gevonden heeft, is in zijn gemoed een leven ontwaakt, welks lust is in heiligheid en in liefde; en zo vaak deze Heiland hem de strijd van het leven weer tegemoet voert, roept hij hem met een goddelijke liefde en een goddelijk gezag toe: Heb goede moed! Ik heb de wereld overwonnen. De wereld moet het aanzien, als deze man in de kracht van het inwendige geluks, in de kracht, in één woord, van het leven uit God, van diens geboden getuigt: zij zijn niet zwaar; en zo het woord van zijn Heiland bezegelt: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Mattheus 11:30)
"De overwinning van de wereld", zo wordt het geloof genoemd door de apostel van de liefde en welk geloof hij bedoelt, geeft hij duidelijk aan in wat hij meteen laat volgen: "wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? Geheel verkeerd zouden wij Johannes verstaan, als wij meenden, dat hij de overwinning van de wereld van het geloof in een afgetrokken leerstuk afhankelijk maakt. Geloven, dat Jezus is de Zoon van God, is niet slechts met verstand en hart Zijn waardigheid als zodanig erkennen; het is Hem zelf aannemen en aangrijpen in al Zijn onmisbaarheid, alvoldoendeheid, dierbaarheid. Het is het geloof in de Zoon van God, als die echt in het vlees is gekomen, in de volle historische Christus van de Schriften zo, de Zoon van God en van de mensen, die door Zijn wondervolle verschijning en zegenrijke werkzaamheid, door Zijn verzoenend lijden en sterven, door Zijn opstanding en heerlijkheid in de hemel het licht is en het leven van de wereld. Het is het geloof, dat (Vers 12) de Zoon heeft en in de Zoon de Vader en in beider gemeenschap een eeuwig levensbeginsel. En van wie nu zo in Christus gelovend, echt uit God geboren is, zegt Johannes, dat hij "de wereld overwint. " Door wereld verstaat hij, naar zijn eigen woord weer (Hoofdstuk 2:16), al wat niet uit de Vader is, maar in het boze licht, de begeerlijkheid van de ogen en de begeerlijkheid van het vlezes, en de grootsheid van het leven. Hij denkt met andere woorden aan die van God afkerige macht, die zich met onverzoenlijke haat tegen het woord van de waarheid verzet en waarvan ieder Christen op zijn beurt de noodlottige invloed ervaart. Maar wel verre van daarvoor te beven, roemt hij niet enkel in eigen naam, maar ook in die van al zijn medeverlosten: "dit is de overwinning, die", zo staat er letterlijk, "de wereld overwonnen heeft, ons geloof". Is de gissing al te gewaagd, dat hem hier het woord uit het onvergetelijke afscheidsuur van de Heer voor de geest zweefde: "heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen? " In ons oor althans klinkt hier nog iets na van die hooggestemde triomftoon en vruchteloos tracht ik u al de schoonheid en kracht van dit woord juist in Johannes' mond te doen voelen. Daar zit hij neer, de Benjamin der apostelen, die reeds een patriarch is geworden in zijn stil verblijf te Efeze Nauwelijks kan hij een voet breeds gronds op aarde zijn eigendom noemen, zijn lichaam draagt nog de sporen van de geselstriemen, weleer voor de zaak van Christus ontvangen; zijn leven wijs een rusteloos strijden en waar hij nog altijd met onverzwakte kracht van de Christus getuigt, ziet hij van verre de Antichrist reeds voor zijn ogen verschenen. En toch durft die oude vissersgezel, als slotsom van zijn levenservaring, het woord in de pen nemen, dat geen van de Romeinse Cesars, die hij zag heersen en sterven, van zichzelf had durven terneer schrijven: "Onze overwinning, die de wereld overwonnen heeft! " Voorwaar dat is groot; u grijze krijgsknecht van Christus, maar hoe groot moet dan de Meester niet zijn, die zulke discipelen vormt!