Jesaja 49:1-6
Hier wordt,
I. Een gehoor samengeroepen en om aandacht gevraagd. De rede in het vorige hoofdstuk was gericht tot het huis van Jakob en het volk van Israël, vers 1. Maar deze is gericht tot de eilanden, dat is: de heidenen, want zij worden genoemd de eilanden van de volken Genesis 10:5, en tot het volk dat verre is, die vreemdelingen waren van het burgerschap Israëls, en dus verre waren. Zij moeten luisteren, vers 1, als naar iets op verre afstand, maar toch moesten zij luisteren met begeerte en aandacht. De tijding van een Verlosser wordt aan de heidenen, aan degenen die verre zijn, gezonden, en zij worden opgeroepen om er naar te horen. De heidenen luisterden naar het Evangelie, terwijl de Joden zich doof hielden.
II. De grote bewerker en afkondiger van deze verlossing bewijst zijn gezag van de hemel voor het werk, dat hij op zich nam.
a. God had hem geroepen en afgezonderd. De Heere heeft mij geroepen van de moederschoot af en mijn naam genoemd, mij aangewezen om een Zaligmaker te zijn, door een engel hem de naam Jezus, dat is Zaligmaker, gegeven, "want Hij zou zijn volk zalig maken van hun zonden," Mattheus 1:21. Ja, van de moederschoot van de goddelijke raadslagen af voor alle werelden, werd hij tot deze dienst geroepen en was er hulp voor hem besteld, en Hij kwam op die roeping want Hij zei. Zie Ik kom, met het oog op hetgeen van hem geschreven was in de rol des boeks. Dit werd gezegd van sommigen van de profeten als zijn typen, Jeremia 1:5. Paulus werd afgezonderd tot het Evangelie van de moederschoot af, Galaten 1:15.
b. God had hem bekwaam en geschikt gemaakt voor de dienst, waarvoor hij bestemd was. Hij maakte zijn mond tot een scherp zwaard, en stelde hem tot een zuivere pijl voorzag hem met alles wat hij nodig had om Gods strijd tegen de machten van de duisternis te strijden, om Satan te overwinnen, en Gods rebellerende onderdanen tot hun verplichting terug te brengen door zijn woord, "dat een scherp tweesnijdend zwaard is," Hebreeën 4:12, dat uit zijn mond uitgaat, Openbaring 19:15. De overtuigingen, door het Woord gewerkt, zijn de scherpe pijlen, die dalen in de harten van de zondaren, Psalm 45:5.
c. God heeft hem verkoren voor de dienst, die Hij voor hem bestemd had. Hij heeft mij onder de schaduw van zijn hand bedekt en in zijn pijlkoker hem verborgen, hetgeen te kennen geeft:
Ten eerste. Verberging, het Evangelie van Christus en de roeping van de heidenen waren gedurende eeuwen en geslachten verborgen in God, Efeziers 3:5, Romeinen 16:25, verborgen in de schaduwen van de ceremonieële wet en van de Oud-Testamentische typen.
Ten tweede. Bescherming. Het huis van David stond onder de bijzondere zorg van de goddelijke voorzienigheid, omdat het deze zegen in zich bevatte. Christus werd in zijn kindsheid beschermd tegen de woede van Herodes.
d. God had hem zich toegeëigend, Hij had tot hem gezegd, Gij zijt mijn knecht, die Ik een werk opdraag en die daarin slagen zal. Gij zijt de ware Israël, de vorst Gods, die geworsteld en overwonnen heeft en in u zal Ik verheerlijkt worden. Het volk van God is Israël, en zij zijn allen verzameld en als het ware besloten in Christus, de grote vertegenwoordiger van geheel Israël, de hogepriester die de namen van al de stammen op zijn borst draagt, en in hem is God verheerlijkt en zal Hij verheerlijkt worden, gelijk Hij met een stem uit de hemel getuigd heeft, Johannes 12:27, 28. Sommigen lezen deze woorden in twee volzinnen. Gij zijt mijn Knecht (dat is Christus, Hoofdstuk 42:1) en het is Israël in hetwelk Ik verheerlijkt zal worden, het is het geestelijke Israël, de uitverkorenen, in wier verlossing door Jezus Christus God verheerlijkt zal worden en zijn vrije genade eeuwig zal worden bewonderd.
III. Hit is verzekerd van de goeden uitslag van zijn werk, want wie God roept, die zal Hij het ook wel doen gelukken. En hierbij:
1. Wijst hij op de ontmoediging die hij ontmoet had bij zijn eerste optreden. vers 4. Ik zei met een neergeslagen hart: Ik heb tevergeefs gearbeid, want zij die onwetend en jegens God onverschillig en zorgeloos en vreemdelingen waren, zijn het nog. Ik heb geroepen, maar zij hebben geweigerd, ik heb mijne handen uitgestrekt tot een tegenstrevend volk. Dit was Jesaja's klacht, en het was niet meer dan hem gezegd was dat hij verwachten moest, Jesaja 6:9. En hetzelfde was ook de beproeving van Jeremia, waardoor hij besloot niet meer te arbeiden, Jeremia 20:9. Het is de klacht van menige getrouwe dienaar, die niet gebeuzeld maar gearbeid heeft, die zijn kracht niet gespaard maar besteed heeft, en die toch ziet dat het voor velen tevergeefs geweest is, zij willen geen berouw hebben en zich bekeren. Maar hier schijnt het te doelen op de hardnekkigheid van de Joden, onder wie Christus persoonlijk het evangelie van het koninkrijk Gods verkondigde, arbeidde en zijn kracht besteedde, terwijl toch de leidslieden en het gros van het volk hem en zijn leer verwierpen. Er werden zo weinigen binnen gebracht, terwijl men verwachten zou dat niemand zou blijven buiten staan, dat hij wel kon zeggen: Ik heb tevergeefs gearbeid, vergeefs gepredikt, vergeefs wonderen gedaan. De dienaren moeten nooit denken dat zij onverwacht verwaarloosd worden, nu het de Meester zelf zo vergaan is.
2. Hij troost zichzelf onder deze ontmoediging met de overweging, dat het de zaak van God was waaraan Hij was verbonden, en de roeping Gods, die hem er aan verbonden had. Gewis, mijn recht is bij de Heere, die de Rechter van allen is, en mijn werkloon is bij mijn God, wiens dienstknecht ik ben. Zijn troost is hetgeen de troost van al Gods getrouwe dienaren kan zijn, wanneer ze weinig vrucht van hun arbeid bespeuren.
a. Dat, hoe het ook moge lopen, het een rechtvaardige zaak is, die zij bepleiten, dat zij met God en voor God zijn, zij zijn aan Zijn zijde en Zijn medearbeiders. Zij achten daarom hun recht, de regel waarnaar zij handelen moeten, het werk waarin zij gebruikt worden, niet minder, het ongeloof van de mensen geeft hun geen aanleiding om de waarheid van hun leer te betwijfelen, Romeinen 3:3.
b. Hun wijze van werken en de voortzetting van hun werk is bij God bekend, en daarom kunnen zij zich op Hem beroepen ten aanzien van hun oprechtheid en dat het niet door enig verzuim hunnerzijds is dat zij tevergeefs arbeiden. Hij weet de weg, die ik gegaan ben, mijn recht is bij de Heere. Hij moet beslissen of ik mij niet van harte aan mijn werk gewijd heb, en of het bloed dergenen, die verloren geen, niet op hun eigen hoofd is.
c. Ofschoon het werk vergeefs moge zijn voor degenen die bearbeid werden, het is dat niet voor de arbeider zelf, indien hij getrouw is, zijn werkloon is bij zijn God, die hem rechtvaardigen zal, dat is, God zal zijn werk belonen, zal zorgdragen dat hij er niet bij verliezen zal al is zijn arbeid tevergeefs. d. Ofschoon het oordeel, het recht, nu nog niet tot overwinning gebracht wordt, of het werk tot volmaaktheid, toch zijn beide bij de Heere, die beide zal doen slagen, volgens zijn voornemen, op zijn eigen tijd en wijze.
3. Hij ontvangt van God een nader antwoord op zijn tegenwerping, vers 5, 6. Hij wist zeer wel dat God hem dat werk opgedragen had, hem tot Zijn knecht geformeerd had van de moederschoot af, niet alleen hem zo vroeg geroepen had, vers 1, maar ook zo vroeg begonnen is om hem daarvoor geschikt en bekwaam te maken. Hen, die God bestemt om als Zijn dienstknechten gebruikt te worden, bereidt en bekwaamt Hij daartoe lang tevoren, wanneer zij zelf zomin als anderen er nog iets van bemerken. Hij formeert de geest van de mensen in zijn binnenste. Christus was geroepen om Jakob tot God weer te brengen, die verraderlijk van Hem afgeweken was. Daarom moest het eerst met het zaad van Jakob naar de vlese gehandeld worden en moeten maatregelen genomen omdat terug te brengen. Christus en het woord van de zaligheid worden eerst tot hen gezonden, zelfs kwam Christus persoonlijk alleen tot hen, de verloren schapen van het huis Israels. Maar hoe zal het gaan indien Jakob zich niet wil laten weerbrengen en Israël zich zal laten verzamelen? Zo is het geschied, maar in dat geval is dit een voldoening,
A. Christus zal verheerlijkt worden in de ogen des Heeren, en zij die waarlijk heerlijk zijn, zijn dat in Gods oog. Ofschoon weinigen van de Joden door Christus prediking en wonderen bekeerd werden, en velen met ongenade en verwerping gestraft werden, legt God heerlijkheid op hem en verheerlijkt hem, spreekt tot hem bij zijn doop en zijn verheerlijking op de berg, zendt engelen om hem te dienen, maakt zelfs zijn schandelijker dood heerlijk door de vele wonderen die er bij gebeuren, en nog veel meer zijn opstanding. In zijn lijden was God zijn sterkte, zodat ofschoon hij alle mogelijke tegenstand ondervond, en veracht werd door een volk, voor hetwelk hij zoveel gedaan had, hij niet bezweek of ontmoedigd werd. Een engel werd van de hemel gezonden om hem te versterken, Lukas 22:43. Getrouwe dienaren, ofschoon zij de vruchten van hun arbeid niet zien, zullen door God aangenomen worden, en daarin zullen zij waarlijk verheerlijkt worden, want Gods gunst is onze eer, en zij zullen bijgestaan worden om voort te gaan en te volharden in hun arbeid ondanks allen tegenstand. Hun handen worden slap, maar God zal hen sterken.
B. Het Evangelie zal verheerlijkt worden in de ogen van de wereld, of schoon niet in de ogen van de Joden, het zal bij alle volken ingang vinden vers 6. Het scheen eerst alsof de Messias alleen de roeping had om Jakob weer te brengen, vers 5, maar hier wordt gezegd dat dit slechts een betrekkelijk klein gedeelte van zijn werk zal zijn. Een hoger doel grotere eer uitgebreider sfeer van zegen zijn voor hem bestemd. Het is te gering dat gij mij een knecht zou zijn om op te richten de stammen Jakobs, tot de waardigheid en het gebied, die zij met de Messias verwachtten, en weer te brengen de bewaarden in Israël, om hen weer tot een bloeiende kerk te maken gelijk zij van ouds waren. Neen, in aanmerking genomen welk een handjevol mensen deze zijn, zou het een betrekkelijk geringe zaak voor de Messias zijn, om alleen hun Zaligmaker te worden. Daarom heb Ik u ook gegeven als licht voor de heidenen. Vele grote en machtige volken zullen door het Evangelie van Christus gebracht worden tot de kennis en aanbidding van de ware God, om mijn heil te zijn tot aan de einden van de aarde, de bewerker van dat heil dat Ik voor verlorenen bestemd heb, tot aan de einden van de aarde bij de verst- gelegen volken. Daarom noemde Simeon Christus "een licht tot verlichting van de heidenen," Lukas 2:32 en Paulus legt onze tekst uit in Handelingen 13:47 en zegt wat wij daardoor te verwachten hebben, en hoe dat gaat. Daarom, zegt hij, keren wij ons tot de heidenen, om hun het evangelie te verkondigen, want alzo heeft de Heere ons gezegd: Ik heb U gesteld tot een licht voor de heidenen. Hierin werd de Verlosser waarlijk verheerlijkt, ofschoon Israël niet verzameld werd, de oprichting van Zijn koninkrijk in de heidenwereld was hem grotere eer dan dat zij al de stammen Israëls opgericht had. De belofte is reeds gedeeltelijk vervuld en zal verder vervuld worden, wanneer de tijd zal komen waarvan de apostel spreekt dat de volheid van de heidenen zal ingaan. God noemt het zijn zaligheid, hetgeen, naar sommigen menen, aanduidt hoeveel behagen Hij er in schept, hoe Hij er door verheerlijkt wordt en om zo te zeggen, hoe zijn hart er op gesteld is. En Christus is opgegeven tot een licht voor allen wie Hij ter zaligmaking gegeven is. In de duisternis gaat men verloren, Christus verlicht de ogen van de mensen en maakt hen heilig en gelukkig.