Mattheus 11:25-30
In deze verzen ziet Christus op naar den hemel en dankt Zijn Vader voor de vrijmacht en vastheid van het verbond der verlossing, en rondom zich ziende op aarde, biedt Hij allen mensenkinderen de voorrechten en voordelen aan van het verbond der genade.
I. Christus dankt God voor Zijne gunst aan deze kinderkens, aan wie de verborgenheden des Evangelies geopenbaard zijn, vers 25, 26. Jezus antwoordde en zei. Het wordt een antwoord genoemd, hoewel gene andere dan Zijne eigene woorden te voren vermeld zijn, omdat het een zo troostrijk antwoord is op de droeve overdenking, die voorafgaat, en het er zulk ene gepaste tegenhanger van is. De zonde en het verderf van deze ongelukkige steden was ongetwijfeld ene smart voor den Heere Jezus, Hij kon niet anders dan er over wenen, zoals Hij over Jeruzalem geweend heeft, Lukas 19:41. Daarom verkwikt Hij zich met deze gedachte, en om haar nog liefelijker te maken, spreekt Hij haar uit in ene dankzegging, dat er, met dat al, toch een overblijfsel is, al bestaat dit slechts uit kinderkens, aan wie de dingen des Evangelies geopenbaard zijn. Hoewel Israël zich niet laat verzamelen, nochtans zal Hij verheerlijkt worden. Als wij rondom ons niets zien dan hetgeen ontmoedigend is, zo kunnen wij toch grotelijks bemoedigd worden, als wij opzien tot God. Het is treurig te zien hoe weinig de meeste mensen zich om hun eigene gelukzaligheid bekommeren, maar het is troostrijk te denken, dat de alwijze en getrouwe God Zijne eigene eer en heerlijkheid hoog zal houden. "Jezus antwoordde en zei: Ik dank U." Dankzegging is een gepast antwoord op sombere en ontroerende gedachten, en kan een krachtig middel zijn om ze te verdrijven. Lofliederen zijn kostelijke hartsterkingen voor neerslachtige zielen, en zullen helpen om droefgeestigheid te genezen. Als wij op de bedenkingen van droefheid en vrees geen ander antwoord gereed hebben, dan kunnen wij troost ontlenen aan dit: Ik dank U, Vader. Laat ons God loven, dat het niet erger met ons is dan het is. In deze dankzegging van Christus nu hebben wij te letten op:
1. Den titel, dien Hij aan God geeft: "Vader, Heere des hemels en der aarde." Als wij tot God naderen, in dankzegging, zowel als in gebed, dan is het goed voor ons om Hem te beschouwen als Vader, om aan die betrekking vast te houden, niet slechts als wij om den zegen en de genade vragen, die wij behoeven, maar ook als wij danken voor de zegeningen, die wij reeds hebben ontvangen. De goedertierenheden Gods zijn dubbel liefelijk, en zeer krachtig om het hart te verruimen in lof, als zij ontvangen worden als tekenen van des Vaders liefde, en gaven uit des Vaders hand, "Dankende den Vader", Colossenzen 1:12. Het betaamt kinderen dankbaar te zijn, en even geredelijk te zeggen: Ik dank U, Vader, als ik bid U, Vader. Als wij tot God komen als Vader, dan moeten wij ons daarbij herinneren, dat Hij is de "Heere des hemels en der aarde", hetgeen ons verplicht tot Hem te komen met eerbied en ontzag, als tot den vrijmachtigen Heere van allen, en toch ook met vertrouwen, daar Hij machtig is alles voor ons te doen wat wij nodig hebben of kunnen begeren, ons te beschermen tegen alle kwaad, en ons te voorzien van alle goed. In Melchizedek had Christus reeds voorlang God gedankt als den Bezitter, of "Heere van hemel en aarde," en in al onze dankzeggingen voor ontvangen zegeningen in den stroom, moeten wij Hem de ere geven van de algenoegzaamheid, die in de bron is, waaruit die stroom zijn oorsprong nam.
2. De zaak, waarvoor Hij dankt: "Dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard". Deze dingen, Hij zegt niet welke dingen, maar Hij bedoelt de grote dingen van het Evangelie, de dingen, die tot onzen vrede dienen, Lukas 19:42. Hij sprak er met nadruk van: deze dingen, omdat het dingen waren, waarvan Hij vol was, en waarvan wij vol behoren te zijn. Alle andere dingen zijn als niets, vergeleken bij deze dingen. De grote dingen van het eeuwig Evangelie waren-en zijn- verborgen voor velen, die wijs en verstandig waren, uitnemend waren in geleerdheid en wereldwijsheid, sommigen van de grootste geleerden en staatslieden zijn voor de verborgenheden des Evangelies vreemdelingen geweest. De wereld heeft God niet gekend door de wijsheid, 1 Corinthiërs 1:21. Ja er is tegenstelling, dat is tegenstand, tegen het Evangelie door de "valselijk genaamde wetenschap," 1 Timotheus 6:21. Zij, die het bekwaamst zijn in de zichtbare en tastbare dingen dezer wereld, zijn gewoonlijk het minst ervaren in geestelijke zaken. De mensen kunnen diep doordringen in de verborgenheden der natuur en de verborgenheden van den staat, en toch gans onwetend zijn en zich schromelijk vergissen omtrent de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen, omdat zij de kracht er van niet hebben ervaren. Terwijl nu de wijzen en verstandigen der wereld in het duister zijn omtrent de Evangelieverborgenheden, hebben zelfs de kinderkens in Christus er de heiligende, zaligmakende kennis van: "Gij hebt ze den kinderkens geopenbaard." Zodanige waren de discipelen van Christus, mannen van onaanzienlijke geboorte en geringe ontwikkeling, gene geleerden, gene kunstenaars, gene staatslieden, ongeleerde en onwetende mannen, Handelingen 4:13. Aldus zijn de verborgenheden der wijsheid, die dubbel zijn van hetgeen dat is, Job 11:6, bekend gemaakt aan kinderkens en zuigelingen, opdat uit hun' mond sterkte gegrondvest zal worden, Psalm 8:3, en Gods lof er door volkomen zij. De geleerden der wereld werden niet verkoren om de predikers te zijn van het Evangelie, maar wèl het dwaze der wereld, 1 Corinthiërs 2:6, 8, 10. Dit verschil tussen de verstandigen en de kinderkens heeft God zelf gemaakt. Hij is het, die deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft. Hij gaf hun talenten, geleerdheid, en veel menselijk verstand boven anderen, en daar waren zij hoogmoedig op, zij rustten er in en zagen niet verder, en daarom ontzegt God hun terecht den Geest der wijsheid en der openbaring, en dan gebeurt het, dat zij wel het geklank der Evangelieboodschap horen, maar dat het door hen "als wat vreemds geacht wordt". God is niet de Werker van hun onwetendheid en dwaling, maar Hij laat hen aan hen zelven over, en hun zonde wordt hun straf, en de Heere is er rechtvaardig in. Zie Johannes 12:39, 40, Romeinen 11:7, Handelingen 28:26, 27. Indien zij met hun wijsheid en verstand God hadden geëerd, Hij zou hun ook de kennis dier betere dingen hebben gegeven, maar omdat zij er hun lusten mede gediend hebben, heeft Hij "hun hart voor kloek verstand verborgen." Hij is het, die ze den kinderkens heeft geopenbaard. De geopenbaarde dingen zijn voor onze kinderen, Deuteronomium 29:29, en hun geeft Hij het verstand, om die dingen te verstaan en er den indruk van te ontvangen. Aldus wederstaat Hij de hovaardigen en geeft Hij den nederigen genade, Jakobus 4:6. Deze beschikking moet verklaard worden door de vrijmacht Gods. Christus zelf heeft haar hieraan toegeschreven, "Ja Vader! want alzo is geweest het welbehagen voor U." Christus stemt hier in met den wil des Vaders.
"Ja, Vader, Laat God zich verheerlijken op de wijze, die Hem behaagt, laat Hij gebruik maken van de middelen, die Hem behagen om zijn eigen werk tot stand te brengen, Zijner is de genade, en Hij kan haar geven aan wie Hij wil. Wij kunnen er gene reden voor opgeven waarom Petrus, een visser, tot een apostel wordt gemaakt, en niet Nicodemus, een Farizeeër en een overste der Joden, hoewel ook hij in Christus geloofde, maar "alzo is geweest het welbehagen voor God." Christus zei dit ten aanhore Zijner discipelen, om hun te tonen, dat het niet was om enigerlei deugd of verdienste in hen zelven, dat zij aldus onderscheiden en geëerd werden, maar louter van wege het welbehagen Gods. Deze wijze van bedeling der Goddelijke genade moet met alle dankbaarheid door ons worden erkend, gelijk onze Heere Jezus haar ook dankbaar erkend heeft. Wij moeten God danken, dat deze dingen geopenbaard zijn. Hetgeen voor eeuwen en geslachten verborgen is geweest, is geopenbaard, en geopenbaard niet aan enkelen, maar om door de gehele wereld bekend gemaakt te worden. Dat zij geopenbaard zijn aan kinderkens: dat de zachtmoedigen en nederigen versierd zijn met heil, en Hij aldus diegenen geëerd heeft, over wie de wereld smaad en verachting uitstort. Het verheerlijkt de genade, die hun geschied is, dat deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn. Gelijk Job den naam des Heeren heeft geloofd, voor Zijn nemen, zowel als voor Zijn geven, zo kunnen wij Hem danken voor Zijn verbergen van deze dingen voor de wijzen en verstandigen, zowel als voor Zijn openbaren er van aan de kinderkens, omdat hierdoor het eigen-ik vernederd wordt, alle vlees tot zwijgen wordt gebracht en de Goddelijke macht en wijsheid er te helderder door uitblinken. Zie 1 Corinthiërs 1:27, 31.
II. Christus doet hier ene genaderijke aanbieding van de voorrechten des Evangelies aan allen, en dat zijn de dingen, die aan de kinderkens zijn geopenbaard, vers 25 en verder. Wij hebben hier te letten:
1. Op de plechtige woorden ter inleiding van deze roeping, of uitnodiging, welke dienen zowel om onze aandacht gaande te maken, als om ons aan te moedigen er gevolg aan te geven. Opdat wij ene sterke vertroosting zouden hebben, als wij de toevlucht nemen om de voorgestelde hoop vast te houden, stelt Christus vooraf Zijn gezag vast, toont Hij ons, als het ware, Zijn geloofsbrieven. Wij zullen zien, dat Hij gemachtigd is deze aanbieding te doen. Twee dingen legt Hij ons voor, vers 27.
1. Zijne opdracht van den Vader: "Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader." Christus is, als God, in macht en heerlijkheid gelijk met den Vader, maar als Middelaar, ontvangt Hij Zijne macht en heerlijkheid van den Vader, is Hem al het oordeel overgegeven. Hij is gemachtigd om een nieuw verbond op te richten tussen God en den mens, en der afvallige wereld vrede en gelukzaligheid aan te bieden op de voorwaarden, die Hem goeddunken. Hij was afgezonderd en verzegeld om de enige Gevolmachtigde te zijn, om die grote zaak te beramen en tot stand te brengen. Hiertoe heeft Hij alle macht in den hemel en op aarde, Hoofdstuk 28:18, macht over alle vlees: Johannes 17:2, gezag om te oordelen en gericht te houden, Johannes 5:22, 27. Het moedigt ons aan om tot Christus te komen, dat Hij de opdracht heeft om ons te ontvangen, en ons te geven hetgeen waarvoor wij komen, en dat Hem hiertoe door Hem, die Heere is van allen, alle dingen zijn overgegeven. Alle machten, alle schatten zijn in Zijne hand. De Vader heeft Zijn alles overgegeven in de handen van den Heere Jezus, laten wij nu slechts ons alles in Zijne handen overgeven, en het werk is geschied. God heeft Hem tot den enigen Scheidsman aangesteld, wat wij nu te doen hebben is: ons bij Zijne uitspraak neer te leggen, ons aan het scheidsgericht van den Heere Jezus te onderwerpen.
2. Zijne volkomen kennis van den Vader: "Niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon." Dit geeft nog verdere en wel zeer grote voldoening. Gezanten plegen niet slechts hun lastbrieven te hebben, die zij overleggen, of vertonen, maar ook hun instructies of aanwijzingen, welke zij voor zich zelven houden om er naarmate er zich de gelegenheid toe voordoet, gebruik van te maken bij hun onderhandelingen. Onze Heere Jezus heeft niet slechts gezag en volmacht, maar ook bekwaamheid voor Zijne onderneming. Bij de onderhandelingen over de grote zaak onzer verlossing zijn de Vader en de Zoon de voornaamste belanghebbende partijen, "de raad des vredes is tussen die beiden," Zacheria 6:13. Het moet daarom ene grote bemoediging voor ons wezen, om er van verzekerd te zijn, dat zij elkaar volkomen verstaan in deze zaak, dat de Vader den Zoon kende, en de Zoon den Vader, en dat wel volkomen, zodat er geen misverstand tussen hen kan komen bij het tot stand brengen van deze zaak, zoals dit zo dikwijls onder de mensen voorkomt, waardoor de contracten te niet worden gedaan, en de beraamde maatregelen niet ten uitvoer worden gebracht, omdat men elkaar niet verstond. De Zoon is van eeuwigheid af in den schoot des Vaders geweest, Johannes 1:18, Hij was de ingewijde in de geheimen van den raad. "Hij was een voedsterling bij Hem, Prediker 8:30, zodat niemand den Vader kent dan de Zoon, en Hij voegt er bij: "en dien het de Zoon wil openbaren." De gelukzaligheid der mensen ligt in een bekend zijn met God, het is "het eeuwige leven," het is de vervolmaking van redelijke wezens. Zij, die God willen kennen, moeten zich tot Jezus Christus wenden, want het licht der kennis der heerlijkheid Gods schijnt in het aangezicht van Jezus Christus, 2 Corinthiërs 4:6. Aan Christus hebben wij alle openbaring te danken, die wij hebben van den wil en de liefde van God den Vader, van dat Adam gezondigd heeft. Er is gene liefderijke, troostrijke omgang tussen een heilig God en den zondigen mens dan in en door den Middelaar, Johannes 14:6. Hier is de aanbieding zelf, die ons gedaan is met ene uitnodiging om haar aan te nemen. Na zo plechtig ene inleiding kunnen wij iets groots verwachten, en het is een getrouw woord en alle aanneming waardig, het zijn woorden, waardoor wij behouden kunnen worden. Wij worden uitgenodigd om te komen tot Christus als onzen Priester, Koning en Profeet, om door Hem bestuurd, onderwezen en zalig gemaakt te worden. Wij moeten tot Jezus Christus komen als tot onze Ruste, om in Hem uit te rusten, vers 28. "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt". Let op de hoedanigheid van de personen, die genodigd worden: allen, die vermoeid en belast zijn. Dit is een woord ter rechter tijd tot den moede, Jesaja 50:4. Zij, die klagen over den last der ceremoniële wet, die een ondraaglijk juk was, en nog zwaarder gemaakt was door de inzettingen der ouden, Lukas 11:46, laten zij tot Christus komen, en hun zal rust en verlichting geschonken worden. Hij is gekomen om Zijne kerk van dit juk te bevrijden, den last dezer vleselijke inzettingen af te wentelen, en een zuiverder en geestelijker wijze van Godsverering in te voeren, maar toch moet dit veeleer verstaan worden van den last der zonde, zowel van de schuld als van de macht er van. Deze allen, en dezen alleen, worden uitgenodigd om in Christus te rusten, die de zonde gevoelen als een last en er onder zuchten, die niet slechts overtuigd zijn van het kwaad der zonde, van hun eigene zonde, maar er innig en hartgrondig berouw van hebben, een werkelijken afkeer hebben van de zonde, den dienst van de wereld en van het vlees moede zijn, die het treurige en gevaarlijke van hun toestand vanwege de zonde inzien en erkennen, er smart over hebben en er, gelijk Efraïm, in angst en benauwdheid om zijn, Jeremia 31:18-20, de verloren zoon, Lukas 15:17, de tollenaar, Lukas 18:13, Petrus' hoorders, Handelingen 2:37, Paulus, Handelingen 9:4, 6, 9, de stokbewaarder, Handelingen 16:29, 30. Dit is ene noodzakelijke toebereiding tot vergeving en vrede. De Trooster moet eerst van zonde overtuigen, Johannes 16:8. Hij verscheurt, en daarna zal Hij genezen. De uitnodiging zelf: Komt tot Mij. Die heerlijke tentoonspreiding van Christus' grootheid in vers 27, als Heere van allen, zou ons van Hem kunnen weg schrikken, maar zie hier, hoe Hij den gouden scepter toereikt, opdat wij er de spits van aanraken en leven mogen. Het is de plicht en het belang van vermoeide en belaste zondaren om tot Jezus Christus te komen. Afziende van alles, wat Hem tegenstaat of met Hem om den prijs wil dingen, moeten wij Hem aannemen als onzen Geneesmeester en Voorspraak, en ons overgeven aan Zijne leiding en bestuur, gewillig zijnde, om door Hem behouden te worden op Zijne wijze en op Zijne voorwaarden. Kom, en werp dien last op Hem, waaronder gij gebukt gaat. Dat is de roepstem van het Evangelie. De Geest zegt: Kom, en de bruid zegt: Kom. Die dorst heeft kome. Die wil, kome. De zegen, beloofd aan hen, die komen: "Ik zal u rust geven". Christus is onze Noach, wiens naam rust betekent, "want deze zal ons troosten", of rust geven, Genesis 5:29, 8:9. Rust is goed, Genesis 49:15, inzonderheid voor hen, die door een levend geloof er tot Hem voor komen, rust van de verschrikking der zonde in een wel gegronden vrede van de consciëntie, rust van de macht der zonde in ene geregelde orde der ziel en het behoorlijk bestuur van zich zelf, ene rust in God, en een welbehagen der ziel in Zijne liefde. Dat is de rust, die overblijft voor het volk Gods, Hebreeën 4:9, begonnen in genade, en voleindigd in de heerlijkheid. Wij moeten komen tot Jezus Christus als onzen Bestierder, en ons aan Hem onderwerpen, vers 29. "Neemt Mijn juk op u". Dit moet samengaan met het vorige, want Christus is verhoogd om beide een Vorst en een Zaligmaker te wezen, een Priester op Zijn troon. De rust, die Hij belooft, is een ontslagen zijn van het slavenwerk der zonde, niet van den dienst van God, maar ene verplichting om den plicht te volbrengen, dien wij Hem schuldig zijn. Christus heeft een juk voor onzen hals, zowel als ene kroon voor ons hoofd, en Hij eist en verwacht, dat wij dat juk op ons zullen nemen. Hen, die vermoeid on belast zijn, te roepen om een juk op zich te nemen, heeft het aanzien van aan de verdrukten nog verdrukking toe te voegen: doch het gepaste hiervan ligt in het woord Mijn. Gij zijt onder een juk, dat moede maakt, schudt het af, en beproeft het eens met het Mijne, want dat zal u doen rusten". Van dienstknechten en ook van onderdanen wordt gezegd, dat zij onder het juk zijn, 1 Timotheus 6:1, 1 Koningen 12:10. Christus' juk op ons te nemen is ons in de betrekking en verhouding van dienstknechten en onderdanen tot Hem te stellen, en ons dan daarnaar te gedragen in nauwgezette gehoorzaamheid aan al Zijne geboden, en ene blijmoedige onderwerping aan al Zijne beschikkingen, het is het Evangelie van Christus te gehoorzamen, ons te onderwerpen aan den Heere. Het is Christus' juk, het juk, dat Hij beschikt heeft, een juk, dat Hij zelf voor ons heeft gedragen, want Hij heeft gehoorzaamheid geleerd, en dat Hij door Zijn Geest met ons draagt, want Hij "komt onze zwakheden mede te hulp". Romeinen 1:26. Een juk doet aan hardheid en moeite denken, maar als het lastdier den last moet voorttrekken wordt het door het juk daarbij geholpen. Christus' geboden zijn allen in ons voordeel, wij moeten dit juk op ons nemen, om er mede voort te trekken. Het juk is ons opgelegd om te werken, en daarom moeten wij ons benaarstigen, het juk is ons opgelegd om ons te onderwerpen, en daarom moeten wij nederig en geduldig zijn, wij zijn met onze mededienstknechten onder hetzelfde juk gebracht, en daarom moeten wij de gemeenschap der heiligen onderhouden, en de woorden der wijzen zijn als prikkelen voor hen, die aldus onder het juk zijn. Dit nu is het moeilijkste van de les, die wij te leren hebben, vandaar dat ter onzer geruststelling en bemoediging op de hoedanigheid van dat juk wordt gewezen, vers 30, "Mijn juk is zacht en Mijn last is licht',. Het juk van Christus' geboden is een zacht juk, het is chrêstos, niet slechts licht en gemakkelijk, maar liefelijk en aangenaam, er is niets in, waardoor het buigen van den hals onder dit juk bitter of grievend wordt gemaakt, niets dat ons kwetst, integendeel, het verkwikt ons. Het is een juk, dat gevoerd, of belegd, is met liefde. Zodanig is de aard van al de geboden van Christus, zo redelijk in en op zich zelven, zo nuttig voor ons, en dit alles wordt saamgevat in het ene woord: liefde. Zo krachtig is de hulp, die Hij ons verleent, zo geschikt en van pas de aanmoedigingen, en zo sterk de vertroostingen, die gevonden worden op den weg des plichts, dat wij in waarheid kunnen zeggen, dat het een juk is van liefelijkheid. Het is licht en gemakkelijk voor de nieuwe natuur, zeer "licht voor den verstandige", Prediker 14:6. In den beginne kan het een weinig hard zijn, maar daarna is het licht, de liefde Gods en de hope des hemels zullen het licht en gemakkelijk maken. De last van Christus, kruis is een lichte last, zeer licht: leed en wederwaardigheden, die van Christus' wege over ons komen als mensen, beproevingen, die wij om Christus te verduren hebben als Christenen, de laatste inzonderheid zijn bedoeld. Op zich zelf is die last gene zaak van vreugde, maar van droefheid, daar het echter Christus' last is, is hij licht. Paulus wist daar evenveel van als ieder ander, en hij noemt het ene "lichte verdrukking", 2 Corinthiërs 4:17. Gods tegenwoordigheid, Jesaja 43:2, Christus' medegevoel, Jesaja 63:9, Daniël 3:25, en inzonderheid de hulp en vertroosting des Geestes, 2 Corinthiërs 1:5. maken het lijden voor Christus licht en gemakkelijk. Naarmate de verdrukkingen en het leed overvloedig zijn en voortduren, zijn ook de vertroostingen overvloedig en ook die houden aan en duren voort. Laat dit ons dus verzoenen met de moeilijkheden, en ons heen helpen over de ontmoedigingen, die zich aan ons voordoen, zowel in het doen van ons werk als in ons lijden, wij kunnen om Christus' wil verliezen lijden, maar nooit zullen we door Hem verliezen. Wij moeten komen tot Jezus Christus als onzen Leraar, en er ons toe zetten om van Hem te leren, vers 29. Christus heeft ene grote school opgericht, en ons uitgenodigd Zijne scholieren te zijn. Wij moeten omgang hebben met Zijne scholieren en dagelijks de lessen bijwonen, die Hij ons geeft door Zijn woord en Geest, en die lessen ter harte nemen. Wij moeten nadenken over hetgeen Hij zegt, en het bij alle gelegenheden duidelijk voor onzen geest hebben, ons richten naar hetgeen Hij deed en Zijne voetstappen navolgen, 1 Petrus 2:21. Sommigen houden de woorden, die volgen, voor de bijzondere les, die wij geroepen zijn uit Christus' voorbeeld te leren, "dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart". Wij moeten van Hem leren nederig en zachtmoedig te wezen, en wij moeten onzen hoogmoed en onze drift ten onder brengen, die ons aan Hem zo ongelijk maken. Wij moeten zo van Christus leren, dat wij Christus leren, Efeze 4:20, want Hij is de Leraar en de Les. Hij is de Gids en de Weg. Hij is Alles in alles. Er worden ons twee redenen gegeven, waarom wij van Christus moeten leren. Ten eerste: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en daarom geschikt u te onderwijzen.
Hij is zachtmoedig, en kan dus medelijden hebben met de onwetenden, die anderen in drift doen ontsteken. Vele bekwame onderwijzers zijn haastig en driftig, hetgeen zeer ontmoedigend is voor hen, die dof en traag van begrip zijn, maar Christus weet geduld te hebben met hen en hun verstand te openen. Zijne houding tegenover Zijne twaalf discipelen, en Zijne wijze van handelen met hen is hier een voorbeeld van. Hij was zacht en vriendelijk jegens hen, wist het weinige verstand, dat in hen was, te ontwikkelen en te doen uitkomen. Zij waren onachtzaam en vergeetachtig, maar Hij heeft niet met de uiterste strengheid ieder hunner dwaasheden bestraft of in het licht gesteld. Hij is nederig van hart. Hij verwaardigt zich arme leerlingen te onderwijzen, nieuwelingen te onderwijzen. Hij koos Zijne discipelen niet uit de hovelingen of geleerden, maar uit zeelieden. Hij onderwijst de eerste beginselen, dingen, die als melk zijn voor de kinderkens, Hij buigt zich neer tot de geringste bevatting, Hij leerde Efraïm gaan, Hosea 11:3. Wie onderwijst gelijk Hij? Het is moedgevend voor ons om bij zulk een Leraar ter schole te gaan. Gelijk nu die nederigheid en zachtmoedigheid Hem bekwaam en bevoegd maken om een Leraar te zijn, zo zal het ook de beste eigenschap wezen van hen, die door Hem onderwezen worden, want Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, Psalm 25:9. Ten tweede: Gij zult rust vinden voor uwe zielen. Deze belofte is ontleend aan Jeremia 6:16, want Christus schiep er behagen in om zich uit te drukken in de taal der profeten, om de overeenkomst aan te duiden tussen de twee Testamenten. Rust voor de ziel is de meest begerenswaardige rust. Het enige middel om rust te vinden voor onze zielen, is aan Christus' voeten te zitten en Zijn woord te horen. De weg des plichts is de weg tot rust. Het verstand vindt rust in de kennis van God en Jezus Christus, en smaakt er volkomen voldoening, die wijsheid vindende in het Evangelie, waarnaar in geheel de schepping te vergeefs gezocht is, Job 28:12. Christus leert waarheden, waarop wij gerust onze zielen kunnen wagen. De genegenheden vinden rust in de liefde Gods en van Jezus Christus, en zij vinden er datgene in, dat volkomen voldoening schenkt, namelijk kalmte en verzekerdheid voor de eeuwigheid. En deze voldoening zal volmaakt worden in den hemel en duren tot in eeuwigheid, als wij God zullen zien gelijk Hij is, en Hem genieten zullen als onzen God. Deze rust kan van Christus verkregen worden door allen, die van Hem willen leren. Dit nu is de hoofdsom en inhoud van de Evangelieroeping en aanbieding In weinig woorden wordt ons hier gezegd, wat de Heere Jezus van ons eist, en het komt overeen met hetgeen God herhaaldelijk van Hem gezegd heeft. "Deze is Mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik Mijn welbehagen heb: hoort Hem".