Jesaja 42:5-12
Hier is:
1. Het verbond, dat God maakte met, en de opdracht, die Hij gegeven heeft aan de Messias, vers 5-7, die een verklaring zijn van vers 1. Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun. De koninklijke titels door welke God zich hier bekend maakt en zich onderscheidt van allen die voorwenden goden te zijn, doen in hoge mate Zijn heerlijkheid kennen, vers 5. Alzo zegt God de Heere, en wie zijt Gij, Heere? Hij is de fontein van alle bestaan, en daarom de fontein van alle macht. Hij is de fontein van bestaan:
A. In de bovenwereld, want Hij heeft de hemelen geschapen en ze uitgebreid.
B. In de benedenwereld, want Hij heeft de aarde uitgespannen, en maakte haar tot een ruime woonplaats, en wat er uit voortkomt wordt voortgebracht door Zijn kracht.
C. In de wereld van het mensdom, Hij geeft aan het volk, dat daarop is, de adem, niet slechts om in te kunnen ademen, maar de adem des levens zelf, en organen om er mee te ademen, ja Hij geeft de geest, de krachten en functies van een redelijke ziel aan hen, die daarop wandelen. Dit wordt gesteld voor het verbond, dat God met de Messias heeft gemaakt, en de opdracht, die Hij Hem gegeven heeft, niet alleen om te tonen dat Hij de macht heeft om zo'n verbond te maken en zulk een opdracht te geven, en de macht had om Hem er in door te helpen, maar dat de bedoeling van het werk van de verlossing was de eer te handhaven van de Schepper, en de mens tot de trouw te brengen, die hij aan God, als zijn Maker verschuldigd is.
2. De verzekeringen, die Hij geeft aan de Messias van Zijn tegenwoordigheid bij Hem, in alles wat Hij doen zou ingevolge Zijn onderneming, zijn zeer bemoedigend voor Hem, vers 6.
A. God erkent dat de Messias de eer om Middelaar te zijn niet zelf genomen heeft maar door God er toe geroepen was, dat Hij geen indringer was, en geen overweldiger, maar er eerlijk toe gebracht was, Hebreeën 5:4. Ik, de Heere, heb u geroepen in gerechtigheid. God heeft Hem niet alleen geen onrecht gedaan door Hem te roepen tot deze zware dienst, daar Hij er zich vrijwillig toe aangeboden had, maar Hij heeft zichzelf recht gedaan, door te voorzien voor Zijn eigen eer, en het woord te volbrengen, dat Hij had gesproken.
B. Hij belooft Hem er in bij te staan, en Hem er in te versterken, Hem bij Zijn hand te grijpen, niet alleen voor Zijn werk, maar in Zijn werk, Zijn hand vast te houden opdat zij niet zou beven, niet zou bezwijken, en Hem aldus te bewaren. Toen een engel was gezonden van de hemel om Hem te versterken in Zijn doodsbenauwdheid, en de Vader zelf met Hem was toen is deze belofte vervuld geworden. Hen die God roept, zal Hij erkennen en helpen, en Hij zal hen bij hun hand grijpen.
3. De grote bedoelingen van deze opdracht spreken van overvloedige vertroosting voor de kinderen van de mensen. Hij was gegeven tot een verbond van het volks, tot een Middelaar of waarborg van het verbond van de genade, dat geheel begrepen is in Hem. Door ons Christus te geven heeft God ons al de zegeningen gegeven van het Nieuwe Verbond. Twee heerlijke zegeningen brengt Christus in Zijn Evangelie mee voor de heidenwereld: licht en vrijheid. A. Hij is gegeven tot een licht van de heidenen niet alleen om hun te openbaren hetgeen ervoor hen op aan kwam om te weten, en dat zij anders niet hadden kunnen weten, maar om de blinde ogen te openen opdat zij het zouden weten, door Zijn Geest in het woord stelt Hij het voorwerp voor, door Zijn Geest in het hart bereidt Hij het orgaan. Toen het Evangelie kwam, kwam licht, een groot licht voor hen die in duisternis waren gezeten, Mattheus 4:16 Johannes 3:19. En Paulus was tot de heidenen gezonden om hun ogen te openen, Handelingen 26:18. Christus is het licht van de wereld.
B. Hij is gezonden om de gevangenen vrijheid uit te roepen, zoals Cyrus gedaan heeft, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, niet alleen om de gevangenisdeuren te openen en hun verlof te geven om vrij uit te gaan, hetgeen alles was wat Cyrus doen kon, maar hen uit te voeren, om hen te bewegen van hun vrijheid gebruik te maken en hen er toe in staat te stellen, en niemand heeft van die vrijheid gebruik gemaakt dan zij, die er door God toe opgewekt werden. Dat doet Christus door Zijn genade.
II. De bekrachtiging en bezegeling van deze schenking, laat ons, opdat wij verzekerd kunnen wezen van de geldigheid ervan, denken
1. Aan het gezag van Hem, die de belofte doet, vers 8. Ik ben de Heere, Jahweh, dat is Mijn naam, en dat was de naam bij welke Hij zich bekend had gemarkt toen Hij begon de beloften te vervullen, gedaan aan de patriarchen, terwijl Hij zich tevoren geopenbaard had bij de naam van God, de Almachtige, Exodus 6:3. Als Hij de Heere is, die het aanzijn geeft aan alle dingen dan zal Hij ook het aanzijn geven aan de belofte. Indien Zijn naam is Jahweh, die Hem doet kennen als alleen God te zijn, dan kunnen wij er zeker van zijn dat zijn naam is IJverig, en dat Hij Zijn eer aan geen anderen zal geven, wie hij ook zij, die in mededinging met Hem staat, inzonderheid niet aan gesneden beelden. Daarom zal Hij de Messias zenden om van de mensen ogen te openen, opdat Hij hen aldus zal afkeren van de dienst van stomme afgoden om de levenden God te dienen, omdat Hij, ofschoon Hij lang de tijden van de onwetendheid had voorbijgezien, nu Zijn kroonrecht zal handhaven, en Zijn eer aan geen gesneden beelden zal geven. Daarom zal Hij Zijn woord volbrengen, omdat Hij de eer niet wil verliezen van er getrouw aan te zijn, om door de aanbidders van valse goden nooit beschuldigd te kunnen worden van er ontrouw aan te zijn. Daarom zal Hij Zijn volk verlossen uit de macht van de afgoderij, omdat het de schijn had, alsof Hij Zijn lof aan gesneden beelden had gegeven, als Hij Zijn aanbidders opgeeft om aanbidders te zijn van beelden.
2. De vervulling van de beloften, die Hij tevoren gedaan had betreffende Zijn kerk, die bewijzen zijn van de waarheid van Zijn woord en van de liefde, die Hij Zijn volk toedraagt, vers 9. "Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen, tot hiertoe heeft de Heere Zijn kerk geholpen, Hij heeft haar ondersteund onder vorige lasten, haar verlichting geschonken in vorige benauwdheden, en dat was ter vervulling van de beloften gedaan aan de vaderen, "niet een enig woord is gevallen," 1 Koningen 8:56, en nu verkondig Ik nieuwe dingen, nu zal Ik nieuwe beloften doen, die even gewis op hun tijd vervuld zullen worden als de oude vervuld zijn geworden, nu zal Ik nieuwe gunsten schenken, zulke, die vroeger niet verleend waren. OudTestamentische zegeningen hebt gij in overvloedige mate ontvangen, nu verkondig Ik Nieuw-Testamentische zegeningen, geen vruchtbaar land, geen heerschappij over uw naburen, maar geestelijke zegeningen in hemelse zaken. Eer zij tevoorschijn komen in de prediking van het Evangelie spreek Ik u ervan in de typen en afschaduwingen van de vorige dingen. De ontvangst van vroegere zegeningen kan ons aanmoedigen om te hopen op nog verdere zegeningen, want God is standvastig in Zone zorg over Zijn volk, en Zijn ontfermingen zijn nog altijd nieuw.
III. Het lied van de vreugde en van lof, dat hierop gezongen zal worden tot eer van God, vers 10. Zingt de Heere een nieuw lied, een Nieuw-Testamentisch lied. Het geven van Christus tot een licht voor de heidenen was een nieuwe zaak, die zeer verbazingwekkend was, de apostel spreekt ervan als van een verborgenheid, die in andere eeuwen niet bekend was gemaakt, zoals zij nu geopenbaard is, namelijk "dat de heidenen zijn mede-erfgenamen," Efeziers 3:5, 6. Dit nu het nieuwe ding zijnde, dat God bekendmaakt, is het nieuwe van het lied, dat bij die gelegenheid gezongen zal worden, hierin gelegen dat, terwijl tevoren de liederen des Heeren grotelijks beperkt waren tot de tempel te Jeruzalem (Davids psalmen bestonden alleen in de taal van de Joden en werden door hen gezongen in hun eigen land, want als zij in een vreemd land waren, dan hingen zij hun harpen aan de wilgen, en konden de liederen des Heeren niet zingen, zoals wij zien in Psalm 137:2-4) nu de liederen van heilige blijdschap en lof in de gehele wereld gezongen zullen worden, de heidense volken zullen met de Joden gelijkelijk delen in Nieuw-Testamentische zegeningen, en zich daarom met hen verenigen in Nieuw- Testamentische lofzegging en aanbidding. Er zullen kerken gesticht worden onder heidense volken en zij zullen een nieuw lied zingen. De bekering van de heidenen is dikwijls voorzegd onder dit denkbeeld, zoals blijkt uit Romeinen 15:9 -11.
Er is hier beloofd dat de lof van Gods genade gezongen zal worden met blijdschap en dankbaarheid.
1. Door hen, die aan het einde van de aarde wonen, in landen, die het verst verwijderd zijn van Jeruzalem, van het uiterste einde van de aarde hoorden wij psalmen, Hoofdstuk 24:16. Dit is vervuld geworden, toen het Christendom in ons land geplant werd.
2. Door zeelieden en kooplieden en door hen, die afgaan naar de zee, die handel doen op grote wateren en de schatten van de zee zuigen, en zich aldus meester maken van haar volheid, en alles wat daarin is, waarmee zij God zullen loven, en terecht, want zij is Zijne, Psalm 24:1-95:5. De Joden hebben weinig handel gedreven op de zee, indien dus Gods lof gezongen wordt door hen, die op zee varen, dan moeten het heidenen zijn, die het doen, zeelieden worden opgeroepen om God te loven, Psalm 107:23.
3. Door de eilanden en hun inwoners, vers 10, en wederom, vers 12 :Laat hen Zijn tot in de eilanden verkondigen, in de eilanden van de heidenen, waarschijnlijk doelende op de Griekse eilanden.
4. Door de woestijn en haar steden, en de dorpen van Kedar. Dezen lagen ten oosten van Jeruzalem, gelijk de eilanden ten westen ervan lagen, zodat de Evangelie-liederen gezongen zullen worden van de opgang van de zon tot haar ondergang. De gehele heidenwereld was als een eiland geweest afgesneden van gemeenschap met Gods kerk, en als een onbewoonde woestijn, Gode geen vruchten voortbrengende, maar nu zullen de eilanden en de woestijn God loven.
5. Door hen, die in de rotsen wonen en op de toppen van de bergen, niet alleen de heidenen, maar de armsten en geringsten onder hen, die in hutten of stulpjes wonen, zowel als door hen, die steden en dorpen bewonen, de ruwen en meest barbaarsen, zoals bergbewoners meestal zijn, zullen door het Evangelie worden beschaafd. Of met hen, die in de rotsen wonen kan bedoeld zijn de inwoners van dat deel van Arabië, dat Petrea of Steenachtig Arabië wordt genoemd. Misschien hebben de naburige volken gedeeld in de blijdschap van de Israëlieten, toen zij terugkeerden uit Babel, en zijn sommigen van hen gekomen om zich met hen te verenigen in hun lof en dankzegging, maar wij bevinden niet, dat dit in zo'n fanate was dat het ten volle kon beantwoorden aan deze heerlijke profetie, en zo moeten wij tot de gevolgtrekking komen, dat zij verder reikt en vervuld is geworden in hetgeen, waarvan in vele andere profetieën de blijdschap van de volken gezegd wordt vervuld te zijn in de bekering van de heidenen tot het geloof van Christus, als zij in de kerk gebracht worden, dan zijn zij er toe gebracht om de Heere eer te geven, dan zijn zij Hem tot een lof en een naam, en dan stellen zij het zich ten taak om Hem te loven. Hij is in hen verheerlijkt en wordt door hen verheerlijkt.