Psalm 107:23-32
Hier roept de psalmist hen op om eer te geven aan God, die verlost zijn uit gevaren op zee. Hoewel de Israëlieten niet veel koophandel dreven, hebben hun naburen, de Tyriërs en Sidoniers, zich daar wel veel mee bezig gehouden, en voor hen was misschien dit gedeelte van de psalm geschikt en bedoeld.
I. Veel van de macht Gods wordt ten allen tijde gezien in de zee, vers 23, 24. Zij blijkt aan hen, die met schepen ter zee afvaren, zoals zeelieden, kooplieden, vissers of passagiers, handel doende op grote wateren, en geen anderen voorzeker zullen zich daar wagen, dan die er zaken te doen hebben. Onder al de aangename dingen van Salomo lezen wij van geen pleziervaartuig, maar zij, die op zaken, geoorloofde zaken, uitgaan, kunnen zich in het geloof aan de bescherming Gods toevertrouwen. Die zien de werken des Heeren en Zijn wonderwerken die des te meer verbazingwekkend zijn, omdat de meesten geboren en getogen zijn op het land, en hetgeen op zee voorvalt nieuw voor hen is. De diepte zelf is een wonder: haar grote uitgestrektheid, haar zoetheid, haar eb en vloed. De grote verscheidenheid van levende wezens in de zee is verwonderlijk. Laat hen, die naar zee gaan, door al de wonderen, die zij er aanschouwen, er toe geleid worden om de oneindige volmaaktheden van die God te overdenken en te bewonderen wiens de zee is, want Hij heeft haar gemaakt en heerst over haar.
II. Inzonderheid wordt zij gezien in stormen op zee, die veel schrikkelijker zijn dan stormen op het land.
Merk hier op:
1. Hoe gevaarlijk en vreeslijk een storm op zee is. De wonderen beginnen gezien te worden in de diepte als God spreekt en een stormwind doet opstaan, die Zijn woord doet, Psalm 148:8. Hij doet de winden opkomen, zoals een vorst door zijn oproeping troepen op de been brengt. Satan geeft voor de overste te zijn van de macht van de lucht, maar hij geeft het slechts voor zonder grond van recht, de machten van de lucht zijn onder Gods bevel, niet onder de zijne. Als de wind stormachtig wordt, dan verheft hij de golven van de zee omhoog, vers 25. Dan worden de schepen als kaatsballen heen en weer geworpen op de toppen van de golven, zij schijnen op te rijzen naar de hemel, en dan leggen zij zich weer, alsof zij nederdalen lot in de afgronden, vers 26. Een vreemdeling, die dat nooit gezien heeft, zou het niet mogelijk achten dat een schip tegen zo'n storm bestand is, hij zou verwachten dat de volgende golf het voor goed naar de diepte slingert en het er in doet verdwijnen, maar God, die de mens onderrichtte van de wijze om schepen te maken die zich verwonderlijk boven water houden bewaart hen door Zijn bijzondere voorzienigheid, opdat zij op bewonderenswaardige wijze aan het doel beantwoorden. Als de schepen aldus heen en weer geslingerd worden, versmelt de ziel des zeemans van angst en als de storm zeer zwaar is, dan kunnen zelfs bevaren zeelieden hun vrees noch van zich afschudden noch verdelen, zij dansen en waggelen als een dronken man, de gehele bemanning van het schip is in verwarring, zij zijn ten einde raad dat hun wijsheid wordt verslonden en zij zijn op het punt van zich reddeloos verloren te achten, Jona 1:5 en vervolg.
2. Hoe gepast is het om op zulke tijden te bidden. Zij, die naar zee gaan, moeten zulke gevaren verwachten als hier beschreven zijh en de beste wijze om er zich op te bereiden is om zich te verzekeren van vrijheid van toegang tot de troon van de genade, want dan zullen zij roepen tot de Heere, vers 28. Er is een spreekwoord onder ons: "Laat hen, die willen leren bidden, naar zee gaan", ik zeg, laat hen, die naar zee willen gaan, leren bidden, zich gewennen om te bidden, ten einde met te meer vrijmoedigheid tot de troon van de genade te komen als zij zich in benauwdheid bevinden. Zelfs heidense zeelieden hebben, toen zij zich in een storm bevonden, een ieder tot zijn god geroepen, maar zij, die de Heere tot hun God hebben, hebben een dadelijke en krachtige hulp in deze en iedere andere tijd van nood zodat zij, als zij ten einde raad zijn, niet aan het einde zijn van hun geloof.
3. Hoe wonderbaar God soms verschijnt voor hen, die in nood zijn op zee, in verhoring van hun gebed. Hij voert hen uit hun angsten buiten het gevaar, en:
a. De zee is stil, Hij doet de storm stilstaan, vers 29. De wind legt zich, en dient slechts om door zacht suizen de golven weer te doen inslapen, zodat de oppervlakte van de zee effen en kalm is. Hierdoor heeft Christus zich bewezen meer dan mens te zijn, daar zelfs de winden en de zeeën Hem gehoorzaamden.
b. De zeelieden zijn gerustgesteld, zij zijn verblijd omdat zij gestild zijn, het geraas en gedruis is tot zwijgen gebracht zij zijn gerust, vrij van de vrees des kwaads. Kalmte na een storm is een zeer begerenswaardige zaak en uiterst aangenaam.
c. De reis wordt nu voorspoedig, Hij leidt hen tot de haven hunner begeerte, vers 30. Zo voert Hij Zijn volk veilig heen door al de stormen en orkanen, die zij op hun reis hemelwaarts ontmoeten, en doet hen ten laatste in de haven hunner begeerte aanlanden.
4. Hoe terecht er van allen, die veilig de zee zijn overgegaan, verwacht wordt, en inzonderheid van hen, die uit grote gevaren op zee gered werden, dat zij dit met dankbaarheid tot eer van God zullen erkennen. Laat hen het doen in hun binnenkamer en in hun gezin. Laat hen voor de Heere Zijn goedertierenheid loven jegens henzelf en jegens anderen vers 31. Laat hen het doen in het openbaar vers 32, in de gemeente des volks en in het gestoelte van de oudsten, laat hen daar de gedenktekenen oprichten van hun redding, tot eer van God en om anderen aan te moedigen om op Hem te vertrouwen.