Jesaja 40:2-8
De tijd om Zion genadig te zijn ja de bestemde tijd daartoe gekomen zijnde, moet het volk van God door bekering en geloof bereid worden voor de gunsten, die voor hen bestemd zijn, en ten einde hen tot die beide te roepen, hebben wij hier de stem van de roepende in de woestijn, hetgeen toegepast kan worden op de profeten, die met de gevangenen in hun woestijntoestand waren, en die, toen zij de dag van hun bevrijding zagen aanbreken, hen ernstig riepen, om er zich voor te bereiden en hun verzekerden dat al de moeilijkheden, die in de weg stonden van hun bevrijding, overwonnen zullen worden. Het is een goed teken dat goedertierenheid voor ons bereid is, als wij bevinden dat Gods genade er ons voor bereidt, Psalm 10:17. Maar het moet toegepast worden op Johannes de Doper, want hoewel God de spreker was, was hij de stem van de roepende in de woestijn en het was zijn werk om de weg des Heeren te bereiden, het hart van de mensen te neigen om het Evangelie van Christus te ontvangen en aan te nemen. De weg des Heeren wordt bereid:
I. Door berouw over zonde, dat was het wat Johannes de Doper aan geheel Juda en Jeruzalem gepredikt heeft, Mattheus 3:2, 5, "om van de Heere een toegerust volk te bereiden," Lukas 1:17. Het alarmsein is gegeven, iedereen heeft er op te letten, het is op hun gevaar, zo zij het niet doen: God komt in de weg van de genade, en wij moeten ons voor Hem bereiden, vers 3-5. Indien wij het toepassen op hun gevangenschap, dan kan het opgevat worden als een belofte, dat welke moeilijkheden er ook kunnen zijn op hun weg als zij terugkeren, die alle weggenomen zullen worden, en dus hun terugkeer niet zullen beletten. Deze stem in de woestijn-Goddelijke kracht er mee uitgaande-stelt pioniers aan het werk om de weg te effenen. Maar het kan genomen worden als een roeping tot plichtsbetrachting, en het is dezelfde plicht, waartoe ook wij geroepen worden ter bereiding van Christus inkomen tot onze ziel.
1. Wij moeten in zo'n gemoedstoestand komen, dat wij er door geneigd worden om Christus en Zijn Evangelie te ontvangen en aan te nemen. "Bereidt de weg des Heeren, bereidt uzelf voor Hem, en laat alles onderdrukt worden, dat een belemmering zou zijn voor Zijn inkomen maakt plaats voor Christus, maakt recht een baan voor Hem." Als Hij het einde bereidt voor ons, dan behoren wij gewis de weg te bereiden voor Hem. Bereidt u voor uw Verlosser. "Heft uw hoofden op, gij poorten", Psalm 24:7, 8. Bereidt u voor de verlossing, de grote verlossing, en voor andere minder gewichtige uitreddingen, laat ons zorgen er geschikt voor te zijn, en dan zal God ze werken. Laat ons niet onszelf in het licht staan, noch zelf de deur voor ons toesluiten, maar een baan voor Hem vinden of maken, zelfs in hetgeen woeste grond was. Dit is hetgeen waarop Hij wacht om genadig te zijn.
2. Ons hart moet door Goddelijke genade geëffend worden. Zij, die door hun gedruktheid en vertwijfeling verhinderd waren om troost te vinden in Christus, zijn de dalen, die verhoogd moeten worden. Zij, die verhinderd worden van troost te vinden in Christus door een hoogmoedige dunk van hun eigen verdiensten en waardigheid, zijn de bergen en heuvelen, die vernederd moeten worden. Zij, die vooroordelen hebben gekoesterd tegen het woord en de wegen Gods, die geneigd zijn om te weerstaan en tegen te spreken zelfs hetgeen duidelijk en gemakkelijk te begrijpen is, omdat het niet overeenkomt met hun verdorven neigingen en wereldlijke belangen, zijn het kromme, dat recht gemaakt moet worden, en het hobbelachtige, dat tot een vallei gemaakt moet worden. Als het Evangelie van Christus onbevooroordeeld en met onpartijdigheid wordt aangehoord, dan kan het niet falen van te worden aangenomen. Dit bereidt de weg des Heeren, en aldus zal God door Zijn genade Zijn eigen weg bereiden in al de vaten van de barmhartigheid, wier hart Hij opent zoals dat van Lydia. En als dat geschied is, dan zal de heerlijkheid des Heeren geopenbaard worden, vers 5.
a. Als de gevangenen bereid zijn voor verlossing, dan zal Cyrus haar doen uitroepen, en zullen zij er het voordeel van hebben, en alleen diegenen, wier hart door de Heere opgewekt wordt met moed en vastberadenheid om heen te breken door al de ontmoedigende moeilijkheden, die op hun weg lagen, en de heuvelen en dalen en de hobbelachtige plaatsen niet telden, noch er zich om bekommerden.
b. Toen Johannes de Doper gedurende enigen tijd bekering en verbetering van leven had gepredikt, en aldus de Heere een toegerust volk had bereid, Lukas 1:17, is de Messias zelf geopenbaard in Zijn heerlijkheid, wonderen werkende, hetgeen Johannes niet gedaan heeft en door Zijn genade, die Zijn heerlijkheid is hen verbindende door vertroosting, die door Johannes gewond werden door overtuiging van zonde. En deze openbaring van de Goddelijke heerlijkheid zal een licht wezen om de heidenen te verlichten, alle vlees tegelijk zal het zien, en niet de Joden alleen, zij zullen zien en bewonderen, het zien en het welkom heten, zoals er van de terugkeer uit de ballingschap nota werd genomen door de naburige volken Psalm 126:3. En het zal de vervulling wezen van het woord van God, waarvan geen tittel of jota ter aarde zal vallen. De mond des Heeren heeft het gesproken, en daarom zal de hand des Heeren het ten uitvoer brengen.
II. Door vertrouwen in het woord des Leren, en niet in enigerlei schepsel, de mond des Heeren het gesproken hebbende, heeft de stem dit verder te roepen-die oren heeft om te horen, dat hij het hore- het woord onze Gods bestaat in der eeuwigheid, vers.
1. Door de vervulling van de profetieën en de beloften van verlossing en de volbrenging ervan te bestemder tijd blijkt het dat het woord des Heeren gewis is, en dat wij er veilig op kunnen vertrouwen. Wij zijn dan bereid voor verlossing als wij geheel en volkomen steunen op het woord van God, er onze hoop op bouwen, vast verzekerd zijnde dat het ons niet zal beschamen, in vertrouwen op dit woord moeten wij er toe gebracht worden om te erkennen dat alle vlees als gras is, gras dat verdort en vergaat.
a. De macht van de mensen, die tegen de verlossing gekant schijnt te zijn, moet niet gevreesd worden, want voor het woord des Heeren is zij als gras, zij zal verdorren en vertreden worden, de beledigende Babyloniërs die zich voorstellen dat de verwoesting van Jeruzalem tot in eeuwigheid zal zijn, zijn als gras, waarop de Geest des Heeren blaast die al deszelfs heerlijkheid doet vergaan, want het woord des Heeren, dat hun verlossing belooft zal bestaan tot in eeuwigheid en het is niet in de macht van hun vijanden, om er de uitvoering van te beletten.
b. Op de macht van mensen, die voor de verlossing schijnt te zijn moet niet vertrouwd worden, want zij is slechts als gras in vergelijking met het woord des Heeren dat het enige vaste fundament voor ons is om er onze hoop op te bouwen. Als God verlossing gaat werken voor Zijn volk, dan zal Hij hen er afkerig van maken om op schepselen te steunen, en haar te verwachten van de heuvelen en de bergen, deze zullen hun falen, in hun verwachting van hen zullen zij teleurgesteld worden, de Geest des Heeren zal er op blazen, want God wil geen schepsel tot mededinger hebben voor de hoop en het vertrouwen van Zijn volk, en gelijk het alleen Zijn woord is, dat bestaan zal tot in eeuwigheid zo moet ook alleen in dat woord ons geloof en vertrouwen zijn. Als wij hiertoe gebracht zijn, dan en niet eerder, zijn wij geschikt om genade te ontvangen. 2. Het woord van onze God, deze heerlijkheid des Heeren, die nu geopenbaard zal wordend het Evangelie en de genade, die er mee tot ons gebracht zijn en er door gewerkt worden in ons, zullen bestaan in der eeuwigheid, en dit is de voldoening van alle gelovigen, als zij al hun vertrouwen op schepselen zien verdorren als gras. Aldus past de apostel het toe op het woord, dat door het Evangelie onder ons verkondigd is, en hetwelk leeft en blijft tot in eeuwigheid als het onvergankelijke zaad, uit hetwelk wij wedergeboren zijn, 1 Petrus 1:23-25. Om de weg des Heeren te bereiden moeten wij overtuigd zijn:
a. Van de ijdelheid van het schepsel, dat alle vlees gras is, zwak en verwelkend, dat we zelf dat zijn, en daarom onszelf niet kunnen verlossen, dat al onze vrienden dat zijn, en dus niet in staat zijn om ons te verlossen. Al de heerlijkheid van het schepsel, die het lieflijk zou kunnen maken, is slechts als de bloem van het gras, spoedig verdord en verdorven, en daarom kan zij ons Gode niet aanbevelen. Wij zijn stervende schepselen, al onze genietingen in deze wereld zijn stervende genietingen, en daarom kunnen zij het geluk niet uitmaken van onze onsterflijke zielen: Wij moeten naar iets hogers zien voor verlossing en voor een erfdeel.
b. Wij moeten overtuigd zijn dat het woord des Heeren datgene voor ons doen kan, hetwelk alle vlees niet doen kan, dat het, bestaande tot in eeuwigheid ons voorzien zal van een gelukzaligheid, die gelijklopend zal zijn met de duur van onze zielen, die eeuwig moeten leven, want de dingen die niet gezien worden, maar geloofd moeten worden, zijn eeuwig.