Romeinen 13:11-14
Ons wordt hier een les gegeven in matigheid en godzaligheid in ons zelven. Onze voornaamste zorg moet zijn op ons zelven te letten. Vier dingen worden ons hier geleerd als de handleiding voor ieder Christus voor zijn dagelijks werk, hoe wij moeten ontwaken, hoe wij ons moeten kleden, hoe wij hebben te wandelen, en welke maatregelen wij moeten nemen.
I. Wanneer wij moeten ontwaken. Het is de ure, dat wij nu uit den slaap opwaken, vers 11, opwaken uit den slaap der zonde, (want een zondige toestand is een toestand van slaap), uit den slaap der vleselijke gerustheid, traagheid en zorgloosheid, uit den slaap van geestelijken dood en uit den slaap van geestelijke dodigheid, -beide de wijze en de dwaze maagden werden sluimerig en vielen in slaap, Mattheus 25:5. Wij hebben behoefte er aan om dikwijls te worden opgeschrikt en aangespoord om te ontwaken. Het wachtwoord van Christus aan al Zijn discipelen luidt: " Waakt!" Opwaken, draagt zorg voor uw zielen en uw eeuwige belangen, weest op uw hoede tegen de zonde, weest bereid tot en ernstig in hetgeen goed is, en leef in voortdurende verwachting van de wederkomst uws Heeren. Denkt er aan dat:
1. Wij onzen tijd moeten kennen: Dewijl wij de gelegenheid des tijds weten. Merkt op welken tijd van den dag het voor u is, en gij zult zien dat het hoog tijd is om te ontwaken. Het is de tijd des Evangelies, het is de welaangename tijd, het is de tijd om te werken, het is een tijd waarin meer verwacht wordt dan in de tijden der onwetendheid, die God overgezien heeft, toen de mensen in duisternis zaten. Het is hoog tijd om te ontwaken, want de zon staat reeds hoog aan den hemel en schijnt ons in het gelaat. Is ons dit licht gegeven om er bij in te slapen? Zie 1 Thessalonicenzen 5:5, 6. Het is hoog tijd om te ontwaken en op te staan, want anderen rondom ons zijn ontwaakt en verrezen. Weet dat de tijd een werkzame tijd is: wij hebben veel werk te verrichten en onze Meester roept ons telkens en telkens weer. Weet dat de tijd een gevaarlijke tijd is. Wij zijn omringd van vijanden en valstrikken. Het is hoog tijd om te ontwaken, want de Filistijnen zijn over ons, het huis van onzen naasten staat in brand en het onze loopt gevaar. Het is tijd om te ontwaken, want wij hebben genoeg geslapen, 1 Pet. 4:3, want ziet, de bruidegom komt!
2. Wij staan aan de grens der zaligheid. De zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben, dan toen wij aanvingen te geloven en ons gaven aan de belijdenis van het Christendom. De eeuwige gelukzaligheid, die wij voor ons deel kozen, is ons nu nader dan toen wij Christenen werden. Laat ons onzen weg ter harte nemen en onze paden nagaan, want wij zijn dichter bij het einde van onze dagreis dan in den tijd onzer eerste liefde. Hoe nader wij bij het doel komen des te sneller moeten wij lopen. Er is nog slechts een stap tussen ons en den hemel, en zullen wij dan vertragen in onze Christelijke loopbaan en ons langzaam voortbewegen? Hoe meer de dag opkort en hoe meer de genade aanwast, des te nader is onze zaligheid en des te sneller en krachtiger moeten wij dus zijn in onze geestelijke bewegingen.
II. Hoe wij ons zelven kleden moeten. Dat is onze eerste zorg wanneer wij ontwaakt en opgestaan zijn. De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen, daarom is het tijd om ons te kleden. Naarmate het licht toeneemt, zullen sneller ontdekkingen van evangelische genaden geschieden dan vroeger het geval was. De nacht van Joodse woede en wreedheid is zoo- even voorbijgegaan, de tijd van hun vervolging is ten einde, de dag van onze verlossing uit hun macht is nabij, de dag der bevrijding, dien Christus beloofde, Lukas 21:28. En de dag van onze volkomen hemelse heerlijkheid is nabij gekomen. Merk op:
1. Wat wij moeten uittrekken of afleggen, wij moeten ons nachtgewaad afleggen, want het is een schande om daarin te verschijnen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis. Zondige werken zijn werken der duisternis, zij komen voort uit de duisternis van onwetendheid en misverstand, zij haken naar de duisternis van eenzaamheid en verberging, zij eindigen in de duisternis van hel en verwoesting. Laat ons daarom, want wij zijn kinderen des daags, die afleggen, niet alleen ophouden met ze in praktijk te brengen, maar ze haten en verafschuwen, en er niets meer mee te doen willen hebben. Omdat de eeuwigheid voor de deur staat, laat ons zorg dragen dat wij niet bevonden worden doende hetgeen dan tegen ons getuigen zou, 2 Pet. 3:11, 14.
2. Wat wij moeten aantrekken. Onze zorg moet zijn waarmee wij bekleed zullen worden, hoe wij onze zielen zullen kleden.
A. Doet aan de wapenen des lichts. De Christenen zijn krijgsknechten in het midden van vijanden en hun leven is een strijd, daarom moeten zij bekleed zijn met een wapenrusting, opdat zij staande mogen blijven in hun verdediging. De wapenrusting Gods, waarop gewezen wordt in Efeze 6:13 en v.v. Een Christen moet zich voor ongekleed houden wanneer hij niet gewapend is. De genaden van den Geest maken deze wapenrusting uit ten einde de ziel te beveiligen tegen de verzoekingen des Satans en de aanvallen van deze tegenwoordige boze wereld. Die wordt genoemd de wapenen des lichts. Sommigen menen dat dit een zinspeling is op de glinsterende, schitterende wapenen, welke de Romeinen gewoon waren te dragen, of zulk een wapenrusting welke het ons betaamt in het volle daglicht te dragen. De genaden des Geestes zijn voegzame schitterende versierselen, zij hebben in Gods oog grote waarde.
B. Doet aan den Heere Jezus Christus, vers 14. Dit staat in tegenstelling tegen een grote menigte lage begeerlijkheden, vermeld in vers 13.
Brasserijen en dronkenschappen moeten afgelegd worden. Men zou denken dat nu volgen zou: maar doet aan matigheid en zedigheid, de tegenovergestelde deugden. Neen: Doet aan den Heere Jezus Christus: dat sluit alles in zich. Doet aan de gerechtigheid van Christus tot rechtvaardigmaking, wordt in Hem gevonden, Filippenzen 3:9, gelijk een mens in zijn klederen gevonden wordt, doet aan de priesterkleding van den oudsten broeder, opdat gij daarin de zegening moogt beërven. Doet aan den geest en de genade van Christus voor heiligmaking, trekt aan den nieuwen mens, Efeze 4:24, trekt aan het kleed van bevestigende genade: de daden van het levendmakend geloof. Jezus Christus is het beste kleed, waarmee Christenen zich versieren kunnen en waarmee zij zich wapenen kunnen, Hij is een bedekkend, onderscheidend, waardigheid-gevend en verdedigend kleed. Zonder Christus zijn wij naakt en misvormd, alle andere dingen zijn vuile lompen, vijgenbladeren, een armoedige bedekking. God heeft voor ons huiden verordend, lang, sterk, warm en duurzaam. Door den doop hebben wij in belijdenis Christus als een kleed verkregen, Galaten 3:27. Laat ons Hem ook aantrekken in waarheid en oprechtheid. Den Heere Jezus Christus. Doet Hem aan als uw Heere, om u te regeren, als Jezus om u zalig te maken, en beide als Christus den gezalfde en verordineerde van den Vader, om het zaligmakend werk te regeren. III. Hoe wij moeten wandelen. Wanneer wij opgestaan en gekleed zijn, moeten wij niet gaan stilzitten in nagemaakte afzondering en eenzaamheid als monniken en kluizenaars. Waartoe hebben wij goede klederen dan om er in naar buiten te gaan? Laat ons wandelen. Het Christendom leert ons zo te wandelen als Gode welbehaaglijk is, en Zijn oog is op ons gevestigd, 1 Thessalonicenzen 4:1. Wandelt eerlijk als in den dag, Verg. Efeze 5:8. Wandelt als kinderen des lichts. Onze wandel moet zijn overeenkomstig het Evangelie. Wandelt eerlijk, euschêmonoos, bescheiden en betamelijk, zodat gij uw belijdenis eer aandoet, en de leer van God uwen Zaligmaker versiert, en uw godsdienst in zijn schoonheid anderen aanbeveelt. Christenen moeten op bijzondere wijze zorgvuldig zijn om zich goed te gedragen in de dingen, waarin mensen het oog op hen hebben en te onderzoeken al wat goed is en een goed gerucht geeft. In het bijzonder worden wij hier gewaarschuwd tegen drie paar zonden.
1. Wij mogen niet wandelen in brasserijen en dronkenschappen, wij moeten ons onthouden van alle onmatigheid in eten en drinken. Wij moeten niet de minste gelegenheid nemen tot luidruchtigheid, en onze zinnelijke begeerten niet den teugel vieren in enige eigen uitspattingen. Christenen mogen hun harten niet overladen met vraatzucht en dronkenschap, Lukas 21:34. Dit is niet als in den dag wandelen, want die dronken zijn, zijn des nachts dronken, 1 Thessalonicenzen 5:7.
2. Niet in slaapkamers en ontuchtigheden, niet in enige van deze begeerlijkheden des vlezes, deze werken der duisternis, die in het zevende gebod verboden zijn. Rechtstreeks overspel en hoererijbedrijven zijn de verboden slaapkamers. Onzedelijke gedachten en aandoeningen, onzedelijke blikken, woorden, boeken, liederen, gebaren, dansen, stoeien, welke leiden tot of een deel zijn van die ontucht, zijn de ontuchtigheden, die hier verboden worden, alles wat indruist tegen de reine en geheiligde wet van eerbaarheid en kuisheid.
3. Niet in twist en nijdigheid. Die zijn ook werken der duisternis, want ofschoon de handelingen en gevolgen van twist en nijdigheid zeer algemeen zijn, toch wil niemand haar beginselen openlijk belijden en erkennen dat hij twistgierig en nijdig is. Het is het lot van de beste heiligen, dat zij het meest aan twist en nijdigheid blootstaan, maar het is onbetamelijk voor de discipelen en volgelingen van den zachtmoedigen en nederigen Jezus om zelf te twisten en nijdig te zijn. Waar brasserijen en dronkenschappen gevonden worden daar zijn gewoonlijk ook slaapkamers en ontuchtigheden, twist en nijdigheid. Salomo vat ze alle samen in Spreuken 23:29-35. Zij, die bij den wijn vertoeven, vers 30, hebben gekijf en woorden zonder oorzaak, vers 29, en hun ogen zien naar vreemde vrouwen, vers 33.
IV. Welke maatregelen wij moeten nemen, vers 14. Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. Weest niet al te zorgvuldig voor uw lichaam. Onze grote zorg moet zijn voor de belangen onzer ziel. Maar moeten wij dan ook niet onze lichamen verzorgen? Moeten wij het niet voorzien van datgene, waaraan het behoefte heeft? Zeker, maar twee dingen worden hier verboden.
1. Het ons zelven verdiepen in onmatige zorgen wordt aangeduid in de woorden pronoian mê poieisthe. Weest niet vurig en ijverig in het verplegen van uw lichaam, geeft geen gehoor aan al uw begeerten, zet uw gedachten niet op vermaken en zorgt daar niet voor, weest niet bezorgd en vertroetelend er voor, bedenkt die dingen niet, Mattheus 6:31. Angstige en bezwarende bezorgdheid wordt verboden. 2. Geeft niet toe aan ongeregelde begeerten. Het wordt ons niet verboden om matig in de behoeften van ons lichaam te voorzien (het is als een lamp die met olie gevuld moet worden) maar ons wordt verboden zijn begeerlijkheden in te willigen. De behoeften van het lichaam moeten in aanmerking genomen worden, maar onbetamelijke en ontuchtige lusten moeten afgeweerd en verloochend worden. Te vragen naar de noodzakelijke spijze is onze plicht, ons wordt geleerd te bidden: Geef ons elke dag ons dagelijks brood. Doch het vragen om spijze voor onze begeerlijkheden is God verzoeken, Psalm 78:18. Zij, die belijden dat zij wandelen in den Geest, mogen niet de begeerlijkheden des vlezes vervullen, Galaten 5:16.