Jesaja 22:15-25
Wij hebben hier een profetie van ontzetting uit zijn ambt van Sebna, een grootwaardigheidsbekleder aan het hof, en de bevordering van Eljakim tot die post van eer en vertrouwen. Zulke veranderingen komen veelvuldig voor aan de hoven van de vorsten, en daarom is het vreemd dat er hier zoveel nota van wordt genomen door de profeet, maar door de vervulling van hetgeen voorzegd was nopens deze particuliere personen, bedoelde God Zijn woord te bevestigen in de mond van Jesaja betreffende andere en grotere gebeurtenissen, en het is ook om aan te tonen dat, gelijk God lasten heeft voor de volken en koninkrijken in de vreemde, die openbare vijanden zijn van Zijn kerk en Zijn volk, zo heeft Hij ze ook voor de particuliere personen in het eigen land, die valse vrienden van hen zijn en hen verraden. Het is ook een bevestiging in het algemeen dat de hand Gods in alle gebeurtenissen van die aard is, welke ons toevallig schijnen en afhankelijk van de wil en de luimen van vorsten. "Het verhogen komt niet uit het oosten noch uit het westen noch uit de woestijn, maar God is Rechter, Hij vernedert deze, en verhoogt gene," Psalm 75:7, 8. Het is waarschijnlijk dat deze profetie werd uitgesproken terzelfder tijd als die, vervat in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk, en nog voor Sanheribs inval vervuld begon te worden, want nu was Sebna over het huis, maar toen Eljakim, Hoofdstuk 36:3, en Sebna, trapsgewijze verlaagd zijnde, was toen slechts schrijver. Hier is:
I. De profetie van Sebna's ongenade, hij wordt die schatmeester genoemd, daar hem het bestuur over de inkomsten was opgedragen, en hij wordt ook gezegd hofmeester of over het huis te zijn, want zo onbegrensd was zijn eerzucht en hebzucht, dat minder dan twee posten aan het hof en die nog wel de belangrijkste waren, hem niet konden bevredigen, zelfzuchtige op eigen voordeel bedachte lieden grijpen gewoonlijk naar meer dan zij omvatten kunnen en zo wordt het werk van de post, die zij bekleden, veronachtzaamd, daar zij zich alleen om de pracht en het gewin ervan bekommeren. Het blijkt niet wat de bijzondere voorbeelden waren van Sebna's wanbeheer, waarvoor Jesaja hier gezonden wordt om tegen hem te profeteren, maar de Joden zeggen: "Hij voerde een verraderlijke briefwisseling met de koning van Assyrië, en had een verdrag met hem aangegaan om hem de stad over te leveren." Hoe dit nu zij, hij schijnt een vreemdeling geweest te zijn-want nergens lezen wij de naam van zijn vader-en dat hij aan de ware belangen van Juda en Jeruzalem vijandig gezind was, het is waarschijnlijk dat hij eerst door Achaz was benoemd en bevorderd. Hizkia zelf was een voortreffelijke vorst, maar de beste meesters kunnen zich niet altijd van goede dienaren verzekeren, het is ons nodig dat wij bidden voor vorsten, dat zij wijs en gelukkig mogen zijn in de keus van hen, in wie zij vertrouwen steller. Het was nu een tijd van reformatie, maar Sebna, een slecht man, heeft er zich in zoverre in geschikt, dat hij zijn plaats aan het hof kon behouden, en waarschijnlijk hebben vele anderen gedaan wat hij deed, en daarom wordt Sanherib gezegd gezonden te zijn tegen een huichelachtig volk, Hoofdstuk 10:6. In deze boodschap aan Sebna hebben wij:
1. Een bestraffing van zijn hoogmoed, ijdelheid en valse gerustheid, vers 16. Wat hebt gij hier, of wie hebt gij hier? Welk een geweldige beweging en gedruis maakt gij I Tot welke staat zijt gij hier geboren? Wien hebt gij hier, aan wie zijt gij hier verwant? Zijt gij niet van geringe afkomst, "filius populi-niets dan een plebejer," die men weet niet waar vandaan komt? Wat betekent het dan, dat gij u een fraai huis hebt gebouwd, u een woning bebouwen en gegraveerd hebt? Zo keurig en kunstig was het, dat het veeleer het werk van een beeldhouwer dan van een metselaar of timmerman scheen te zijn. En het scheen uitgehouwen te zijn in een rots, zo stevig was het gefundeerd, en zo oninneembaar was het. Ja meer, gij hebt u een graf uitgehouwen, alsof hij bedoelde dat zijn pracht zijn begrafenis zou overleven. Ofschoon Jeruzalem de plaats niet was van de begrafenissen zijner vaderen, zoals Nehemia haar aandoenlijk noemde, Nehemia 2:3, wilde hij dat zij de plaats zal zijn van zijn eigen begrafenis, en daarom richtte hij reeds bij zijn leven een monument voor zich op, en hij richtte het hoog op. Zij, die statige monumenten oprichten voor hun hoogmoed, vergeten dat, hoe schoon die graven er nu ook van buiten uitzien, zij van binnen toch vol van doodsbeenderen zijn, het is jammer, dat de grafsteen het graf doet vergeten.
2. Een profetie van zijn val en het tanen van zijn heerlijkheid.
A. Dat hij nu spoedig uit zijn ambt ontzet en verlaagd zal worden, vers 19. Ik zal u afstoten van uw staat. Hoge plaatsen zijn glibberig, en zij worden terecht van hun ere ambten beroofd, die er zich op verhovaardigen en er door opgeblazen worden, beroofd van hun macht die er kwaad mee doen. God zal dit doen, die zich toont God te zijn, door allen hoogmoedige te zien en hem tenonder te brengen, Job 40:7. Hiernaar verwijst vers 25. De nagel, die nu aan een vaste plaats gestoken is, Sebna, die denkt onwrikbaar bevestigd te zijn in zijn ambt, zal weggenomen worden, en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen. Diegenen dwalen, die denken dat enigerlei plaats in deze wereld een vaste plaats is, of zichzelf als nagelen beschouwen, die er vast in gestoken zijn, want er is hier op aarde niets dan onzekerheid. Als de nagel valt, wordt de last, die er op was, afgesneden, toen Sebna in ongenade viel, kwam er verachting over allen, die van hem afhankelijk waren. Zij, die hoge posten bekleden, zullen velen hebben, die op hen steunen, als gunstelingen op wie zij trots zijn op wie zij vertrouwen, maar zij zijn lasten op hen, en zullen misschien door hun gewicht de nagel doen breken, en dan zullen beide tezamen vallen, door misleiding elkaar in het verderf storten-het gewone lot van hoge personen en hun vleiers die meer van elkaar verwachten dan zij doen kunnen.
B. Dat hij na een wijle niet alleen afgestoten zal worden van zijn staat, maar weggedreven zal worden uit het land. De Heere zal u wegvoeren met de gevangenschap eens machtigen, vers 17, 18. Sommigen denken dat de Assyriërs hem grepen en wegvoerden, omdat hij beloofd had hen te zullen helpen, doch het niet had gedaan, maar tegen hen optrad, of, misschien heeft Hizkia, zijn verraad ontdekkende, hem verbannen en hem verboden om ooit terug te komen, of misschien heeft hij, zelf bevindende dat hij aanstotelijk was geworden voor het volk, zich naar een ander land teruggetrokken, om daar zijn overige dagen in geringheid en onbekendheid door te brengen. Hugo de Groot denkt dat hij door melaatsheid was aangetast, een ziekte, die algemeen verondersteld werd onmiddellijk van de hand Gods te komen, een teken zijnde van Zijn misnoegen inzonderheid als straf voor hoogmoed, zoals in het geval van Mirjam en van Uzzia, en vanwege deze ziekte werd hij als een bal uit Jeruzalem geworpen. Zij, die als zij macht hebben, anderen heen en weer werpen, zullen rechtvaardiglijk zelf weggeslingerd worden, als hun dag om te vallen gekomen is. Velen, die zichzelf bevestigd achtten als een nagel in een vaste plaats, kunnen er toe komen om als een bal weggeworpen te worden, want wij hebben hier geen blijvende stad. Sebna dacht dat zijn plaats te eng voor hem was, hij had geen ruimte genoeg om te groeien, daarom zal God hem in een groot land zenden, waar hij ruimte zal hebben om rond te dwalen, maar nooit de weg zal vinden om terug te keren, want daar zal hij sterven, daar zal zijn gebeente gelegd worden, en niet in het graf, dat hij zich had uitgehouwen en daar zullen zijn wagenen, waarin hij toen hij in zijn heerlijkheid was rondreed in de straten van Jeruzalem, en die hij medenam in zijn ú ballingschap, hem slechts zijn vroegere grootheid smadelijk in de herinnering brengen tot schande van het huis zijns heren, van het hof van Achaz, die hem tot ere ambten had verheven.
II. De profetie van Eljakims bevordering vers 20 en verv. Hij is Gods dienstknecht, heeft zich als zodanig getrouw betoond in andere ambten of bedieningen, en daarom zal God hem tot die hoge staat roepen. Zij, die naarstig zijn in plichtsbetrachting in een lagere sfeer, zijn goed op weg om in Gods boeken te staan voor bevordering. Eljakim ondermijnt Sebna niet, heeft geen invloeden tegen hem aangewend, hij dringt zich ook niet in in zijn ambt, maar God roept hem er toe, en in hetgeen waartoe God ons roept, zal Hij ons ook erkennen.
Hier wordt voorzegd:
1. Dat Eljakim in Sebna's plaats gesteld zal worden van hofmeester, schatmeester en eerste staatsminister. De profeet moet dit aan Sebna zeggen, vers 21. "Hij zal met uw rok bekleed worden, met het gewaad van de ere, hij zal met uw gordel, het teken van de macht, gesterkt worden, want hij zal uw heerschappij hebben." Dit te horen zal een grote vernedering zijn voor Sebna, en nog groter vernedering zal het voor hem wezen om het te zien. Voorname mannen kunnen, vooral als zij hoogmoedig zijn, hun opvolgers niet dulden of verdragen. God neemt het op zich om dit te doen, niet alleen omdat Hij het in het hart van Hizkia zal geven om het te doen, en Zijn hand erkend moet worden, die het hart van vorsten leidt en bestuurt in de aanstelling en de verwijdering van mensen, Spreuken 21:1, maar omdat de machten, de ondergeschikte zowel als de opperste, van God verordineerd zijn. Het is God, die de vorsten met hun gewaad bekleedt, en daarom moeten wij hun onderdanig zijn om des Heeren wil, en met het oog op Hem, 1 Petrus 2:13. En daar Hij het is, die de regering in hun handen stelt, moeten zij regeren naar Zijn wil, tot Zijn eer en heerlijkheid, zij moeten richten voor Hem, door wie zij richten, en gerechtigheid stellen, Spreuken 8:15. En zij kunnen op Hem vertrouwen, dat Hij hen bekwaam zal maken voor hetgeen waartoe Hij hen roept, naar de belofte, die hier gedaan wordt: Ik zal hem bekleden, en dan volgt erop: Ik zal hem sterken. Zij, die geroepen worden tot posten van vertrouwen en macht, moeten God bidden om genade om hen in staat te stellen de plichten te volbrengen van hun ambt, want dat behoort hun voornaamste zorg te zijn.
Eljakims bevordering wordt verder beschreven door het leggen van de sleutel van het huis Davids op zijn schouder, vers 22. Waarschijnlijk droeg hij een gouden sleutel op zijn schouder als een kenteken van zijn ambt, of was er een geborduurd op zijn rok of mantel, waarop dit een toespeling is. Daar hij over het huis gesteld is, en daar hem de sleutel is overgegeven, zoals de zegels overgegeven zijn aan de lord groot-zegelbewaarder, "zal hij opendoen en niemand zal sluiten, en zal hij sluiten en niemand zal opendoen." Hij had toegang tot het schathuis, het zilver en het goud, en de specerijen, en het wapenhuis en de schatten, Hoofdstuk 39:2, en beschikte over hetgeen daar voorhanden was naar hij het goed oordeelde voor de openbare dienst. Hij stelde op mindere of ondergeschikte posten wie hij wilde, en verwijderde er uit wie hij wilde. Onze Heere Jezus beschrijft Zijn macht als Middelaar door een toespeling hierop Openbaring 3:7, namelijk dat Hij "de sleutel Davids heeft, waarmee Hij opent en niemand sluit, en sluit en niemand opent." Zijn macht in het koninkrijk van de hemelen en in het regelen van alle zaken in dat koninkrijk is volstrekt, onweerstaanbaar en onbetwistbaar.
2. Dat hij in dat ambt bevestigd zal worden, hij zal het levenslang bekleden, en niet "durante beneplacito-gedurende het welbehagen," vers 23. Hij zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats, om niet weggenomen of afgesneden te worden. Zo duurzaam zal de eer wezen, die van God komt, voor allen, die haar voor Hem aanwenden. Onze Heere Jezus is als een nagel in een vaste plaats, Zijn koninkrijk kan niet wankelen, en Hij zelf is nog dezelfde.
3. Dat hij in zijn ambt tot grote zegen zal zijn, en dat is het wat de gunsten kroont, die hem hier bewezen worden. God maakt zijn naam groot, want hij zal een zegen zijn, Genesis 12:2. A. Hij zal een zegen wezen voor zijn land, vers 21. Hij zal de inwoners te Jeruzalem en de huize van Juda tot een vader zijn. Hij zal zorgdragen niet alleen voor de zaken van het huis des konings, maar voor al de openbare belangen in Jeruzalem en Juda. Regeerders moeten vaders wezen voor hen, die onder hun bestuur staan, om hen met wijsheid te onderwijzen, met liefde te regeren, en wat verkeerd is met tederheid te bestraffen, hen te beschermen en voor hen te zorgen, in zorg voor hen te zijn zoals een vader voor zijn eigen kinderen, voor zijn eigen gezin. Het is gelukkig voor een volk, als hof noch stad noch land afzonderlijke belangen hebben, maar aller belangen samenkomen in hetzelfde middelpunt, zodat de hovelingen ware patriotten zijn, en het land reden heeft om hen te zegenen, die door het hof gezegend worden, en als zij, die vaders zijn voor Jeruzalem, de koninklijke stad, dit niet minder zijn voor het huis van Juda.
B. Hij zal een zegen wezen voor zijn geslacht vers 23, 24. Hij zal wezen tot een stoel van de ere voor het huis zijns vaders, de hoge wijsheid en deugd, die hem voor die hoge waardigheid hebben aanbevolen, maakten hem tot een eer voor zijn geslacht, dat waarschijnlijk tevoren reeds zeer aanzienlijk was, maar nu tot nog veel hoger aanzien klom. Kinderen moeten er naar streven om een eer te zijn voor hun ouders en hun bloedverwanten. De eer, die de mensen doen afstralen op hun bloedverwanten door hun Godsvrucht en hun nuttige arbeid voor het openbare welzijn, is meer te waarderen, dan die welke zij aan hun geslacht ontlenen door hun naam en hun eretitels.
Eljakim bevorderd zijnde, zal men aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, allen maakten hem het hof, en de schoven van zijn broeders bogen zich neer voor de zijne.
Merk op: de eer van deze wereld geeft de mens geen innerlijke waardij of voortreffelijkheid, zij is slechts aan hem gehangen als iets bijkomends en zij zal spoedig van hem wegvallen. Eljakim werd vergeleken bij een nagel in een vaste plaats en naar deze vergelijking worden al de leden van zijn familie, die waarschijnlijk talrijk was-en dat was er de heerlijkheid van-gezegd van hem af te hangen, zoals in een huis de vaten, die handvatsels hebben, opgehangen worden aan nagelen. Het geeft ook te kennen dat hij edelmoediglijk zorg zal dragen voor hen allen, het gewicht van die zorg zal dragen, al de vaten, niet alleen de flessen, maar ook de bekers, alle kleine vaten, de minste, die tot zijn familie behoorden, zullen door hem verzorgd worden. Zie welk een last diegenen op zich nemen, die hoge posten bekleden, weinig denken zij hoevelen en hoeveel van hen afhankelijk zullen zijn, indien zij getrouw willen zijn in de uitoefening van hun plichten. Onze Heere Jezus, de sleutel van het huis Davids hebbende, is als een nagel in een vaste plaats, en al de heerlijkheid van het huis Zijns Vaders hangt aan Hem, is ontleend aan Hem, ook de geringsten, die tot Zijn kerk behoren, zijn Hem welkom, en Hij is in staat om de druk van hen allen te dragen. Die ziel kan niet omkomen, die zaak kan niet ter aarde vallen, hoe groot haar gewicht ook zij, die door het geloof aan Christus is gehangen.