Spreuken 24:30-34
1. Hier is de blik, die Salomo wierp op de akker en de wijngaard van een luiaard. Hij is niet opzettelijk heengegaan om ze te bezien maar toen hij voorbijging bespeurde hij de vruchtbaarheid van de grond, hetgeen gepast is voor reizigers of wandelaars, en lette hij op de wijze, waarop zijn onderdanen hun grond handelden, hetgeen zeer goed en gepast is voor overheidspersoneel. Hij wierp een blik op een akker en een wijngaard, die geheel verschillend waren van de overige, want hoewel de grond goed was, groeide er toch niets anders op dan distels en brandnetels, niet maar hier en daar één maar zij waren er geheel mee overdekt, en al zouden er enige vruchten gegroeid zijn, zij zouden door de dieren zijn opgegeten, want er was geen omheining, de stenen scheidsmuur was afgebroken. Zie de uitwerkselen van de vloek op de aardbodem, Genesis 3:18 :"doornen en distelen zal het aardrijk u voortbrengen, en niets anders, tenzij gij er moeite voor doet." Zie welk een zegen voor de wereld het beroep van de landman is, en welk een woestijn deze aarde, ook zelfs Kanaän, er zonder zijn zou. De koning zelfs wordt van het veld gediend, maar hij zou slecht gediend zijn, indien God de landman niet leerde van de wijze om de grond van onkruid te zuiveren, hem te beplanten, te bezaaien en te omtuinen. Zie welk een groot verschil er is tussen sommigen en anderen in het bestuur over hun wereldse zaken en hoe weinig sommigen te rade gaan met hun goede naam, daar er hun niets aan gelegen is dat zij van de wereld hun luiheid bekend maken in de blijkbare gevolgen ervan, die voor elke voorbijganger zichtbaar zijn, er ook niets om geven dat zij door de vlijt en naarstigheid van hun buren beschaamd gemaakt worden.
2. Zijn opmerkingen er over. Hij bleef een weinig staan, hij zag het aan en nam het ter harte, zag het nogmaals aan en ontving onderricht. Hij barstte niet los in heftige afkeuring van de eigenaar, heeft hem geen scheldnamen gegeven, maar poogde voor zichzelf goeds te verkrijgen uit hetgeen hij zag en waarnam, er door tot vlijt aangespoord te worden. Zij, die onderwijs moeten geven aan anderen, moeten zelf onderwijs ontvangen, en wij kunnen onderwijs ontvangen niet alleen van wat wij lezen en horen, maar ook van hetgeen wij zien, niet alleen van hetgeen wij zien van de werken Gods, maar ook van wat wij zien van de wijze van doen van de mensen, niet alleen van van de mensen goede manieren, maar ook van hun slechte manieren. Plutarchus deelt een gezegde mee van Cato Major, dat wijze mensen meer profiteren van dwazen dan dwazen van wijzen, want wijze mensen zullen de fouten van dwazen vermijden, maar dwazen zullen de deugden van de wijzen niet navolgen. Salomo achtte dat hij onderwijzing verkreeg uit hetgeen hij zag, hoewel het hem geen nieuw denkbeeld aan de hand deed, maar hem slechts een opmerking voor de geest bracht, die hij zelf tevoren gedaan had, omtrent de bespottelijke dwaasheid van de luiaard, die, als hij nodig werk te verrichten heeft, in bed ligt te dommelen, en roept: nog een weinig slapers een weinig sluimerend, en dan nog altijd een weinig meer, totdat hij zijn ogen uitgeslapen heeft, en inplaats van door de slaap geschikt te zijn gemaakt voor de arbeid, zoals wijze mensen het zijn, er verstompt en verstijfd door is geworden, zodat hij nergens toe instaat is. Daarom is ellende zijn deel de armoede overkomt hem als een wandelaar, zij komt al nader en nader tot hem, en zal hem weldra overvallen, het gebrek grijpt hem even onweerstaanbaar aan als een gewapend man, een struikrover, die hem alles wat hij heeft ontneemt.
Dit nu is van toepassing niet alleen op onze wereldlijke zaken om aan te tonen hoe ergerlijk luiheid is daarin, en hoe schadelijk voor het gezin, maar ook op de zaken van onze ziel. Onze zielen zijn onze akkers en wijngaarden, waarvoor een ieder onder zorg heeft te dragen, die wij hebben te bebouwen en te bewaren. Zij zijn vatbaar om door goede zorgen in betere toestand te worden gebracht, er kan vrucht van verkregen worden, die overvloedig is tot onze rekening. Wij zijn er mee belast om er handeling mee te doen, totdat onze Heer komt en het is een vereiste, dat wij er zeer veel zorg en moeite aan besteden. Deze akkers en wijngaarden zijn dikwijls in zeer slechte toestand, zij brengen niet alleen geen vruchten voort, maar zij zijn geheel bedekt met distelen en brandnetels, krabbende, stekende, ongeregelde hartstochten en lusten, hoogmoed, hebzucht, zinnelijkheid, boosaardigheid, dat zijn de distelen en netels, de stinkende druiven die het ongeheiligde hart voortbrengt, geen wacht gehouden tegen de vijand, de stenen scheidingsmuur is afgebroken, alles ligt open en bloot. Waar het zo is, is dit te wijten aan des zondaar eigen luiheid en dwaasheid, hij is een luiaard, heeft de slaap lief, haat de arbeid en is verstandeloos, hij verstaat noch zijn werk noch zijn belang, hij is ten enenmale versuft. Het wisse gevolg ervan is het verderf van de ziel en van geheel haar welvaren. Het is eeuwigdurend gebrek, dat aldus als een gewapend man over haar komt. Wij weten welke plaats de boze en luie dienstknecht werd toegewezen.