Richteren 5:6-11
I. Hier beschrijft Debora de rampzalige toestand van Israël onder de tirannie van Jabin, opdat de grootheid van hun benauwdheid de verlossing zoveel heerlijker zal doen uitkomen vers 6. "In de dagen van Samgar, die iets gedaan heeft ter verlossing Israëls van de Filistijnen, tot aan de dagen van Jael, dat is: tot op de huidige dag, waarin Jael zich onderscheiden heeft, is het land verwoest geworden."
1. Er was geen handel. Uit gebrek aan krijgslieden om de kooplieden in hun doen van zaken te beschermen tegen de invallen van de vijand, en uit gebrek aan magistraten om dieven en rovers in hun eigen midden te beteugelen en te straffen (mannen aan wie, zoals men zegt, het geluk was tegengelopen, en geen werk of bezigheid hebbende struikrovers zijn geworden) zodat alle bedrijf stilstond, de grote wegen vermeden werden, en er nu geen karavanen van kooplieden meer gezien werden.
2. Er werd niet gereisd. In tijden, toen er nog een regering was en orde heerste, konden de reizigers veilig over de openbare wegen gaan, en waren de rovers genoodzaakt zich op bijwegen op te houden, maar nu maakten de rovers de grote wegen onveilig en waren de eerzame reizigers genoodzaakt om in voortdurenden angst langs bijwegen te gaan.
3. Er was geen landbouw. De akkers moesten wel braak liggen, als de dorpsbewoners, de landlieden, hun bedrijf staakten, hun huizen verlieten, waar zij voortdurend verontrust en geplunderd werden, om voor zich en hun gezin een toevlucht te zoeken in bemuurde en versterkte steden.
4. Geen bedeling van het recht. Er was strijd in de poorten, waar hun gerechtshoven zitting hielden, vers 8, zodat des Heeren volk niet af kon gaan tot de poorten voordat deze verlossing gewerkt was. De onophoudelijke invallen van de vijand beroofden de magistraten van hun waardigheid en het volk van de weldaad hunner regering,
5. Er was geen vrede voor hem, die uitging, of voor hem, die inkwam. De poorten, door welke zij heen en weer gingen, werden bezocht door vijanden, ja zelfs de plaatsen waar men water schept werden verontrust door de schutters-het was zeker wel een grote heldendaad, om de personen, die water schepten, te verschrikken!
6. Zij hadden wapens noch kloekmoedigheid, om zichzelf te helpen, onder veertig duizend in Israël werd schild noch spies gezien vers 8. Zij zijn òf door hun verdrukkers ontwapend, of zij hadden de krijgskunst veronachtzaamd, zodat, al hadden zij ook spiesen en schilden, zij toch niet gezien werden, zij waren ter zijde geworpen, of zij hadden ze laten verroesten, daar zij noch de bekwaamheid, noch de wil hadden om ze te gebruiken.
II. Zij toont in één woord wat het was, dat al deze ellende over hen had gebracht: Zij verkoren nieuwe goden, vers 8. Het was hun afgoderij, die God er toe bracht om hen aldus in de handen van hun vijanden over te geven. De Heere hun God was een Heere, maar dat was hun niet genoeg, zij moesten meer hebben veel meer, nog meer. Hun God was de Oude van dagen, nog dezelfde, en daarom werden zij Hem moede, en moesten zij nieuwe goden hebben, waar zij op verzot waren, zoals kinderen op nieuwe kleren, namen, die pas uitgevonden waren, helden, die pas tot goden waren verklaard. Toen aan hun vaderen de keus was voorgesteld, hebben zij de Heere tot hun God verkoren, Jozua 24:21, s maar zij wilden bij die keuze niet blijven, zij moeten goden hebben, die zij zichzelf hebben verkoren.
III. Zij neemt nota van Gods grote goedheid jegens Israël, door de zodanigen te verwekken, die hun leed en hun bezwaren konden verlichten. In de eerste plaats: zij zelf, vers 7. Totdat ik, Debora, opstond, om hen te beteugelen en te bestraffen, die de openbare vrede verstoorden, de mensen bij hun beroep en bedrijf te beschermen, en toen kregen de zaken spoedig een geheel ander aanzien. Toen dit blijde licht aanbrak, hebben deze roofdieren zich teruggetrokken, "de mens ging weer uit tot zijn werk en naar zijn arbeid,' Psalm 104:22, 23. Aldus werd zij een moeder in Israël, een voedstermoeder, zo groot was de liefde, die zij haar volk toedroeg, en zoveel zorg en moeite heeft zij zich gegeven voor het openbare welzijn. Onder haar waren nog andere bestuurders van Israël, vers 9. die evenals zij, het hun gedaan hebben om Israël te hervormen, en toen, evenals zij, zich vrijwillig hebben aangeboden, om in deze oorlog te dienen, niet aandringende op de vrijstelling, waarop hun ambt en waardigheid hun het recht gaven, toen zij zo'n schone gelegenheid hadden om voor de zaak van hun land op te treden, en ongetwijfeld heeft het voorbeeld van de regeerders invloed gehad op het volk, om zich gewillig aan te bieden, vers 2. Van deze regeerders, of wetgevers, zegt zij: mijn hart is tot hen, dat is: "Ik bemin en acht hen, zij hebben voor altijd mijn hart gewonnen, ik zal hen nooit vergeten," Diegenen zijn dubbele eer waardig, die vrijwillig de eisen van hun eer en hun belang opgeven, ten einde God en Zijn kerk te dienen.
IV. Zij roept hen op, die bijzonder deel hadden in de weldaad en het voordeel van deze grote verlossing, om er nu ook bijzonder dank voor te brengen aan God, vers 10, 11. Laat ieder spreken, naarmate hij de goedheid Gods heeft bevonden in deze gelukkige ommekeer van het aanzien van de publieke aangelegenheden.
1. Gij, die op witte ezelinnen rijdt, dat is: de hoge adel en de aanzienlijken. Paarden waren weinig in gebruik in dat land, waarschijnlijk hadden zij een veel beter en fraaier ras van ezels dan wij hebben, maar personen van rang en aanzien schijnen onderscheiden te zijn geworden door de kleur van de ezels, die zij bereden, de witte, meer zeldzaam zijnde, werden daarom het meest op prijs gesteld. Er wordt nota van genomen, dat Abdons zonen en kleinzonen op ezelsveulens reden, hetgeen hen kenmerkte als mannen van aanzien, Hoofdstuk 12:14. Laat zodanigen, die door deze verlossing hersteld zijn in hun vrijheid niet alleen, zoals andere Israëlieten, maar ook in hun waardigheid, Gods lof verkondigen.
2. Laat hen, die aan het gericht zitten, er zich van bewust zijn, en er dankbaar voor wezen als voor een zeer groten zegen, dat zij er veilig kunnen nederzitten, dat hun het zwaard van de gerechtigheid niet uit de hand wordt geslagen door het zwaard van de oorlog.
3. Laat hen, die over weg wandelen, en daar niemand ontmoeten, die hun schrik aanjaagt, in vrome overdenking spreken tot zichzelf, en in Godsdienstige gesprekken tot hun medereizigers, van de goedheid Gods in het bevrijden van de wegen van de bandieten, die ze zo lang onveilig hadden gemaakt.
4. Laat hen, die in vrede water scheppen, aan wie de put niet wordt ontnomen of toegestopt, noch in gevaar zijn van door de vijand te worden gevangen, als zij uitgaan om daar te putten, waar zij zich zo veel veiliger vinden en zoveel meer gerust, dan zij er geweest zijn tezamen spreken van de gerechtigheden des Heeren, niet van de daden van Debora, of van Barak, maar van de Heere, opmerkende hoe Zijn hand vrede maakt in onze landpalen, dat is de daad des Heeren. Merkt op in deze Zijn daden:
a. Gerechtigheid, geoefend aan Zijn vermetele vijanden. Dat zijn de rechtvaardige daden des Heeren. Ziet Hem een rechtvaardige zaak bepleitende, rechtmatig zittende op Zijn troon van het gericht, en eert Hem als de Rechter van de gehele aarde.
b. Goedertierenheid, bewezen aan Zijn sidderend volk, de bewoners van de dorpen, die het meest blootgesteld waren aan de vijand, hadden het meest geleden, en waren in het grootste gevaar, Ezechiël 38:11. Het is de eer en heerlijkheid Gods om hen te beschermen, die het meest aan gevaar zijn blootgesteld, en de zwaksten te hulp te komen. Laat ons allen opmerken het aandeel, dat wij, in het bijzonder hebben in openbare vrede en rust inzonderheid de bewoners van de dorpen, en er Gode de lof voor geven.