Jesaja 16:1-5
God heeft doen blijken dat Hij geen lust heeft aan het verderf van zondaren, door hun te zeggen wat zij doen kunnen om het verderf te voorkomen. Dat zegt Hij hier aan Moab.
I. Hij raadt hun aan rechtvaardig te zijn jegens het huis van David, en de schatting te betalen, die zij voorheen bij verdrag overeengekomen zijn aan de koningen uit zijn stamhuis te zullen opbrengen, vers 1. Zend de lammeren aan de heerser over het land. David had de Moabieten schatplichtig aan zich gemaakt, 2 Samuël 8:2. De Moabieten werden David tot knechten, brengende geschenken. Later betaalden zij hun schatting aan de koningen van Israël, 2 Koningen 3:4, en zij betaalden haar in lammeren. Nu eist de profeet van hen dat zij haar aan Hizkia zullen betalen. Laat haar geheven worden in alle delen van het land, van Sela, een stad aan de grenzen van Moab aan de ene zijde, tot aan de woestijn, die de grens was aan de andere zijde van het koninkrijk, en laat haar gezonden worden, waar zij behoort gezonden te worden, tot de berg van de dochter Zions, de stad Davids. Sommigen vatten het op als een raad om een lam te zenden tot een offer aan God, de heerser van de aarde--zo kan het gelezen worden-de Heer van de gehele aarde, de heerser van alle landen, van het land van Moab zowel als van het land van Israël. "Zend het tot de tempel, gebouwd op de berg Zion." En sommigen denken dat het in die zin ironisch gesproken is, de Moabieten hun dwaasheid verwijtende van hun dralen en uitstellen om zich te bekeren en met God verzoend te worden. "Nu zoudt gij gaarne een lam zenden naar de berg Zion, ten einde de God van Israël tot uw vriend te maken, maar het is te laat, het raadsbesluit is uitgegaan, de voleinding is besloten en de dochters van Moab zullen zijn als een zwervende vogel," vers 2. Ik houd het veeleer voor een goede reed, die in alle ernst gegeven is, zoals die van Daniël aan Nebukadnezar toen hij hem zijn oordeel aankondigde. Breek uw zonden af door gerechtigheid, of er verlenging van uw vrede mocht wezen. En het is van toepassing op de groten evangelieplicht van onderworpenheid aan Christus, als de heerser over het land en onze heerser. Zend Hem het lam, het beste dat gij hebt, uzelf als een levende offerande. Als gij tot God komt de grote heerser, kom dan in de naam van het Lam, het Lam Gods. Want anders zal het geschieden dat de dochters van Moab zullen zijn als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde, vers 2. Indien gij uw erfcijns niet wilt betalen uw rechtmatige schatting aan de koning van Juda, dan zult gij uit uw huizen gezet worden, "de dochters van Moab-de landelijke dorpen, of de vrouwen van uw land-zullen omfladderen aan de veren van Arnon, beproevende of zij langs die weg kunnen ontkomen naar een ander land, als een zwervende vogel, die nog maar half gevederd uit het nest gedreven is." Zij, die zich niet aan Christus willen onderwerpen, niet vergaderd willen worden onder de schaduw van Zijn vleugelen, zullen wezen als een vogel, die van het nest afgedwaald is, en of door de eerste de beste roofvogel gegrepen zal worden, of in verschrikking en angst eindeloos zal omdwalen. Zij, die niet willen buigen onder de vreze Gods, zullen onder de vrees van alle andere dingen moeten bukken.
II. Hij raadt hun aan vriendelijk te zijn voor het zaad Israëls, vers 3. "Breng een raad aan, roep een vergadering samen, en beraadslaagt onder elkaar wat er in dit moeilijk tijdsgewricht behoort te geschieden, en gij zult bevinden dat het de beste weg voor u is, om gericht te houden, al de onrechtvaardige decreten te herroepen die gij hebt uitgevaardigd en waarmee gij het volk hardheden hebt opgelegd, en ten teken van uw berouw er van legt u thans er op toe hen aan u te verplichten door vriendelijkheid en rechtvaardigheid, en dit zal Gode meer welbehaaglijk zijn dan alle brandoffers en slachtoffers." 1. De profeet voorzag dat er een storm opkwam tegen het volk van God, over de vromen misschien van de tien stammen, of over de twee en een halve stam aan de andere kant van de Jordaan, wier land aan dat van Moab grensde, en die door de genadige voorzienigheid van God aan de woede van het Assyrische leger waren ontkomen en voor betere tijden bewaard bleven, maar nu in de uiterste nood waren. Het gevaar en de benauwdheid, waarin zij zich bevonden, waren als de verschroeiende hitte op de middag, het aangezicht van de verstoorder was zeer toornig en dreigend tegen hen gekeerd, de verdrukker en de vertreder staan gereed hen te verslinden.
2. Hij vraagt om een schuilplaats voor hen in het land van Moab, als hun eigen land onhoudbaar voor hen geworden zal zijn. Dit gericht moeten zij houden, en aldus verstandig handelen voor zichzelf, en zo vriendelijk moeten zij wezen jegens het volk van God. Indien zij zelf in hun woonstede wensen te blijven laat hen dan nu hun deuren openen voor de verdrukte en verdreven leden van Gods kerk en voor hen wezen als de koele schaduw voor hen is, die de last en de hitte des daags dragen. Laat hen deze niet ontdekken, die zich onder hen verscholen hebben, hen niet overleveren aan de vervolgers, die hen zoeken, "Meld de omzwervende niet, dat is: verraad hem niet aan degenen, die hem zoeken, lever hem niet over," zoals de Edomieten gedaan hebben, Obadja: 13, 14, "maar verberg de verdrevenen." Dat was het goede werk, waardoor Rachabs geloof werd gerechtvaardigd, en gebleken was oprecht te zijn, Hebreeën 11:31. "Ja verberg hen niet slechts voor een tijd, maar als het nodig is, laat hen bij u genaturaliseerd worden, laat Mijn verdrevenen onder u verkeren, O Moab, vind een verblijfplaats voor hen, wees gij hun een schuilplaats. Laat hen onder de bescherming genomen worden van de regering, ofschoon zij arm zijn en waarschijnlijk een last voor u zullen wezen." Het is dikwijls het lot zelfs van hen die waarlijk Israëlieten zijn, om verdrevenen te wezen, verdrevenen uit huis en hof door vervolging of door oorlog, Hebreeën 11:37. God erkent hen, als de mensen hen verlaten en verstoten. Zij zijn verdrevenen, maar zij zijn Mijn verdrevenen. De Heer kent degenen, die de Zijnen zijn, waar Hij hen ook vindt, zelfs daar waar niemand anders hen kent. God zal een rust en schuilplaats vinden voor Zijn verdrevenen, want hoewel zij vervolgd zijn zijn zij toch niet verlaten. Hij zelf zal hun toevlucht wezen, als zij geen andere hebben, en in Hem zullen zij thuis wezen. Als het Hem behaagt kan God vrienden verwekken voor Zijn volk, zelfs onder de Moabieten, als zij er geen kunnen vinden in het gehele land van Israël, die hen kunnen en durven herbergen en beschutten. Dikwijls komt de aarde de vrouw te hulp, Openbaring 12:16. Zij, die verwachten gunst te zullen vinden als zij zelf in benauwdheid zijn, moeten gunst betonen aan hen, die thans in benauwdheid zijn, en welke dienst aan Gods verdrevenen ook wordt bewezen, hij zal ongetwijfeld op de ene of andere wijze beloond worden.
3. Hij verzekert hun van de barmhartigheid en de zegen, die God voor Zijn volk had weggelegd.
A. Dat zij niet lang hun vriendelijke hulpvaardigheid nodig zullen hebben, hun niet tot last zullen wezen, want de verdrukker heeft bijna een einde, en de verstoring is teniet geworden. Gods volk zullen niet lang verdrevenen zijn, zij zullen een verdrukking hebben van tien dagen, Openbaring 2:10, en dat is alles. De verstoorder zou nooit ophouden van te verstoren, als hij zijn zin kon hebben, maar God heeft hem in een keten. Tot hiertoe zal hij gaan, maar niet verder.
B. Dat zij eerlang in staat zullen zijn hun hun vriendelijkheid te vergelden, vers 5. "Ofschoon de troon van de tien stammen omver is geworpen, zal toch de troon van David bevestigd worden in goedertierenheid, door de goedertierenheid, die zij ontvangen van God, en de goedertierenheid, die zij bewijzen aan anderen, en door dezelfde methode kan, als het u behaagt, uw troon bevestigd worden." Het zou grote aanzienlijke lieden aansporen om vriendelijk te wezen voor het volk van God, als zij slechts wilden opmerken, hetgeen zij gemakkelijk zouden kunnen, hoe dikwijls dit de zegen Gods brengt over koninkrijken en geslachten." Maak Hizkia tot uw vriend, want gij zult bevinden dat dit in uw belang is, beide vanwege de genade Gods in hem en vanwege de tegenwoordigheid Gods bij hem. Hij zal op die troon zitten in waarheid en dan zit hij er waarlijk in ere, en zit hij er bestendig. Dan zal hij recht doen, en een beschermer wezen voor hen, die goed en vriendelijk zijn geweest voor het volk van God."
a. Hij zal het recht zoeken, hij zal de gelegenheid zoeken om recht te doen aan hen, aan wie onrecht geschied is, en de kwaaddoeners straffen voor er nog over hen geklaagd wordt. Of, hij zal naarstig iedere zaak onderzoeken, die voor hem gebracht wordt, ten einde te ontdekken waar het recht ligt.
b. Hij zal het recht bespoedigen, en niet uitstellen om gerechtigheid te doen, en hen niet lang laten wachten, die zich om herstel van grieven tot hem wenden. Hoewel hij het recht zoekt en het overweegt, er over nadenkt, zal hij toch onder voorwendsel daarvan de loop van het recht niet stuiten. Laat de Moabieten hier een voorbeeld aan nemen, en er zich dan verzekerd van houden, dat hun staat bevestigd zal worden.