7. En Ik zal a) haar die hinkende was, Mijn arm, door vele plagen verootmoedigd volk, maken tot een overblijfsel, en haar, die verre henen verstoten was, zo als Ik in
Hoofdstuk 2:12 beloofd heb, tot aan machtig volk; en de HEERE zal dan Zijn rijk in volkomene heerlijkheid oprichten, en zelf b) Koning over hen zijn; zo groot zal die heerlijkheid zijn, dat Davids en Salomo's heerlijkheid niets zal zijn bij dit rijk, en wel in het weer bloeiende en verlaagde Kanaän op den berg Zions, van nu aan, dat Israël zich zal hebben bekeerd en weer vergaderd zal zijn tot in eeuwigheid.
a) Zefanja 3:19. b) Daniël 7:14. Lukas 1:33.
Micha noemt hier niet de nakomelingen van David, maar Jehova zelven, niet om dat rijk van David uit te sluiten, maar om te tonen, dat God, geopenbaard in het vlees, de Stichter van dat rijk is, ja dat Hij zelfs alle macht bezit. Want hoewel God door de hand van David, Josia en Hizkia het oude volk heeft geregeerd, zo lag er toch als ene schaduw tussen; zodat God op verborgen wijze regeerde. De Profeet drukt dus hier een onderscheid uit tussen die voorafbeeldende schaduw van het rijk en het latere nieuwe rijk, dat God door de komst van den Messias wil openbaren. En dat is waarachtig en zeker vervuld in den persoon van Christus. Hoewel namelijk Christus het ware zaad Davids was, was Hij toch tevens Jehova, namelijk God, geopenbaard in het vlees.
Door twee zaken moet de Zionsberg worden verheerlijkt, daardoor dat Zich de Heere op dezen berg zo schitterend openbaart, dat alle volken toestromen, het dus tot middelpunt der wereld wordt, en daardoor, dat de Heere in dien zelfden tijd, dat dit het geval is, op dezen over Israël regeert.
Hoe vele volken ook tot hiertoe reeds in de Christelijke kerk zijn ingegaan, zo is toch de tijd nog niet gekomen, dat zij ook geheel door den Geest van Christus doordrongen, hun twisten door den Heere als hunnen Koning laten beslissen, en zich onthoudende van den krijg in eeuwigen vrede leven. Ook voor Israël is de tijd nog niet gekomen, dat het hinkende en verstotene vergaderd en tot een sterk volk zou worden gemaakt, hoevele Joden ook elk afzonderlijk in den schoot der Christelijke kerk heil en vrede hebben gevonden. Het ophouden van den strijd en de eeuwige vrede kunnen eerst na vernietiging van alle Gode vijandige machten op aarde, en na de wederkomst van Christus ten gerichte en tot volmaking van Zijn rijk plaats hebben. Het rijk der heerlijkheid wordt op de nieuwe aarde opgericht in dat Jeruzalem, dat den heiligen Ziener op Pathmos in den geest op enen groten en hogen berg werd getoond (Openbaring 1:10). In deze heilige stad zal geen tempel zijn "want de Heere, de Almachtige God, is haar tempel en het Lam. " (Openbaring 1:22). Het woord des Heeren tot de Samaritaanse, dat men God noch op dezen berg noch te Jeruzalem zal aanbidden, maar in geest en in waarheid (Johannes 4:21, 23), heeft niet alleen op het rijk Gods en zijne tijdelijke ontwikkeling in de Christelijke kerk, maar ook op den tijd der volmaking van het rijk Gods in heerlijkheid betrekking.
Eerst moet Zion, het bevlekte, verwoest worden, voordat het de plaats der heilige heerschappij van God kan worden. Eerst moet Zions volk gevangen in den vreemde worden gevoerd, waar het een volk wordt, sterk in den Heere en zegerijk voor alle volken. Eerst moet Zions Koning diep verootmoedigd worden, voordat de ware Koning uit Davids huis komt, die Zijn volk eeuwigen vrede aanbrengt.
8.
II. Vers 8-14. De Profeet had tot hiertoe het op te richten rijk alleen als een rijk Gods geschilderd, zonder een kansel te vermelden, waardoor zich Zijne genade op de gemeente zou uitstorten, enen Middelaar, die Hem onder hen vertegenwoordigde. Zijne voorstelling was dus nog gedeeltelijk. Zij miste nog de aanknoping aan de belofte ener eeuwige heerschappij, van zijn geslacht, aan David gegeven, en door hem en andere heilige zangers en Profeten dikwijls verheerlijkt. Volgens deze moest die latere grote betoning van genade geschieden door ene spruit van dezen stam, en deze stam steeds het substraat (fondament) zijn, waaraan zich de goddelijke kracht en het goddelijk wezen op het hoogst openbaarde. " Nu voegt hij er aan toe: Zions heerschappij, de door David gestichte, maar door verwoesting en vernietiging van Zion-Jeruzalem op gehevene, zal te dier tijd weer worden opgericht, en Gods heerschappij zal niets anders zijn dan de heerschappij van enen anderen David. Voordat dit echter geschiedt-en hiermede stelt de Profeet tegenover de schitterende toekomst den tijd van lijden, die dadelijk nabij is als in de scherpste tegenstelling- moet Zion eerst zijnen Koning verliezen, naar Babel in ballingschap gaan, van daar moet het eerst door den Heere uit de macht der vijanden worden verlost. Het zal dan alle vijandige machten in de kracht van zijnen God overwinnen. Nu moge het zich vooraf voorbereiden en verenigen, om belegering en zware verootmoediging te ondergang.