Hebreeën 11:32-40
Nadat de apostel ons een reeks van vele uitnemende gelovigen gegeven heeft, wier namen en bijzondere beproevingen en daden des geloofs genoemd worden, besluit hij zijn verhaal met een meer algemene vermelding van een andere groep van gelovigen, wier bijzondere daden niet bij hun namen besproken worden, maar waarvan hij het opzoeken overlaat aan hen, die in de Heilige Schrift thuis zijn. En als goddelijk redenaar begint hij dit deel van zijn verhaal met een sierlijke uitdrukking: En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zou mij ontbreken! Alsof hij zeggen wilde: Het is vergeefse moeite te trachten dit onderwerp uit te putten, het zou spoedig de grenzen van een brief overschrijden, en daarom zal ik nu nog van enkelen de namen noemen en laat het aan u over om wat ik zeg verder uit te breiden.
1. Na al ons onderzoek van de Schrift, valt er altijd nog meer uit te leren.
2. Wij moeten in goddelijke dingen goed overleggen wat wij zeggen zullen en zoveel wij kunnen met den tijd rekenen.
3. Het moet ons aangenaam zijn te overwegen hoe groot het aantal gelovigen onder het Oude Testament was, hoe krachtig hun geloof was, ofschoon de voorwerpen daarvan nog niet ten volle geopenbaard waren.
4. Wij moeten het betreuren, dat nu, in den tijd des Evangelies, nu den weg des geloofs beter en duidelijker bekend is, het aantal der gelovigen zo klein en hun geloof zo zwak is.
I. In deze samenvatting noemt de apostel:
1. Gideon, wiens geschiedenis wij vinden in Richteren 6 en verder. Hij was een uitnemend werktuig, door God verwekt om Zijn volk te bevrijden van de onderdrukking door de Midianieten, hij was iemand uit een kleinen stam en onaanzienlijk geslacht, bezig met gering handwerk, het dorsen van koren, maar werd door een engel Gods op verrassende wijze gegroet met de woorden: De Heere is met u, gij strijdbare held! Gideon wilde in het eerst die eer niet aannemen, maar verzette er zich tegen door den engel nederig op zijn lagen en bedroevenden staat te wijzen. De engel des Heeren gaf hem daarna zijn opdracht en verzekerde hem van den goeden uitslag, zijn verzekering bevestigende door het vuur uit de rots. Gideon werd opgedragen een offerande te offeren, en, onderricht omtrent hetgeen hem te doen stond, trok hij op tegen de Midianieten, nadat zijn leger van twee en dertig duizend tot drie honderd was teruggebracht. Door dezen met hun fakkels en kruiken, bracht God het gehele leger der Midianieten in verwarring en tot ondergang. Hetzelfde geloof, dat Gideon zoveel moed en eer gaf, stelde hem instaat om later jegens zijne broederen met grote zachtheid en bescheidenheid te handelen. Het is de uitnemendheid van de genade des geloofs, dat terwijl het de mensen helpt om grote daden te doen, het hen terughoudt van hoge en grote gedachten van zich zelven te hebben.
2. Barak, een ander werktuig door God verwekt, om Israël te redden uit de hand van Jabin, den koning van Kanaän, Richteren 4, waar wij lezen: A. Ofschoon hij een krijgsman was, ontving hij zijn opdracht en aanwijzingen van Deborah, ene profetes des Heeren, en hij bleef er op aandringen dat deze goddelijk-geïnspireerde vrouw den veldtocht met hem maakte.
B. Hij behaalde een grote overwinning door zijn geloof over het leger van Sisera.
C. Zijn geloof leerde hem al den prijs en de heerlijkheid daarvoor aan God te geven. Dit is de natuur des geloofs: het heeft toevlucht tot God in alle gevaren en moeilijkheden, en het brengt God den dank voor al Zijne barmhartigheden en verlossingen.
3. Simson, een ander werktuig van God, door wie Hij Israël verloste van de Filistijnen, zijn geschiedenis vinden wij in Richteren 13 -16. Daaruit leren wij dat de genade des geloofs de kracht der ziel is voor grote diensten. Indien Simson niet een sterk geloof had gehad zo goed als een sterken arm, zou hij nooit zulke grote daden hebben kunnen verrichten. Mer k op:
A. Door het geloof overwinnen Gods dienaren zelfs de brullende leeuwen.
B. Waarachtig geloof wordt erkend en aangenomen, ook al is het met vele gebreken vermengd.
C. Het geloof volhardt tot den einde, en geeft den gelovige, als hij sterft, de overwinning over den dood en al zijn dodelijke vijanden, zijn grootste overwinning behaalt hij stervende.
4. Jeftha, wiens geschiedenis wij lezen in Richteren 1
1. Hij werd verwekt om Israël te verlossen van de Ammonieten. Wanneer verschillende en nieuwe vijanden tegen Gods volk opstonden, verwekte God verscheidene en nieuwe verlossers tegen hen. In de geschiedenis van Jeftha merken wij op:
A. De genade Gods neemt dikwijls de minst waardige personen, om grote dingen voor en door hen te doen. Jeftha was een hoerenkind.
B. De genade des geloofs, waar zij ook is, wekt de mensen op om God te kennen in al hun wegen, Richteren 11:11. Jeftha beloofde al zijne geloften voor den Heere te Mizpa.
C. De genade des geloofs maakt de mensen vrijmoedig en ondernemend in een goede zaak.
D. Het geloof wekt de mensen op niet alleen om God hun geloften te doen, maar om ze ook na het ontvangen der barmhartigheid te betalen, ook al geeft dat hun hart grote droefheid en verlies, zoals in de zaak van Jeftha en zijne dochter. 5.. David, de man naar Gods hart. Weinigen hadden met groter beproevingen te kampen en weinigen toonden een krachtiger geloof. Zijn eerste optreden op het toneel was een groot bewijs van zijn geloof. Toen hij jong was had hij den leeuw en den beer verslagen, en nu moedigde zijn geloof in God hem aan om den groten Goliath te ontmoeten en hielp hem om over dien te zegepralen. Hetzelfde geloof stelde hem instaat om geduldig de ondankbare boosaardigheid van Saul en zijn gunstelingen te verdragen en te wachten tot God hem in de beloofde macht en waardigheid zou stellen. Hetzelfde geloof maakte hem een zeer voorspoedig en overwinnend vorst, en na een lang leven in deugd en eer, ofschoon niet zonder enige zware smetten van zonde, stierf hij in het geloof, steunende op het eeuwig verbond, dat God met hem en de zijnen gemaakt had, in alle dingen geordend en wèl verzekerd. En hij liet ons in het boek der Psalmen zulke uitnemende gedenkschriften van de beproevingen en daden des geloofs na, dat die altijd de hoogste achting en liefde van Gods volk zullen hebben. 6.. Samuël, door God verwekt om een van de uitnemendste profeten en een der heersers van Israël te zijn. God openbaarde zich aan Samuël toen deze nog een kind was en ging voor t dat te doen tot zijn dood. Merk in deze geschiedenis op:
A. Zij, die waarschijnlijk tot enige uitnemendheid in het geloof zullen opgroeien, beginnen de oefening daarvan tijdig.
B. Zij, wier roeping het is den zin en den wil van God aan anderen te openbaren, moeten zelf wèl gefundeerd zijn in het geloof. 7.. Aan Samuël voegt hij toe: En de profeten, die buitengewone dienaren in de Oud Testamentische kerk waren, door God gebruikt soms om oordelen aan te kondigen, op andere tijden om beloften mede te delen, altijd om zonden te bestraffen, meermalen om merkwaardige gebeurtenissen, alleen aan God bekend, te voorzeggen. en voornamelijk om kennis te geven van den Messias, Zijn komst, persoon en bedieningen, want in Hem als middelpunt trekken zowel de profetieën als de wet zich samen. Een sterk en oprecht geloof was een van de grootste vereisten voor de rechte vervulling van zulk een bediening.
II. Nadat hij nu enige bijzondere personen genoemd heeft, gaat hij er toe over ons te verhalen wat zij door het geloof gedaan hebben. Hij noemt sommige dingen op, die men gemakkelijk op een of ander van de genoemde personen kan toepassen, maar hij vermeldt ook andere, die niet zo licht bij de hier-genoemde zijn thuis te brengen, maar moeten overgelaten worden aan algemene toepassing.
1. Zij hebben door het geloof koninkrijken overwonnen, vers 33. Dat deden David, Jozua en velen van de richteren. Leer hieruit:
A. De belangen en de macht van koningen en koninkrijken zijn dikwijls in tegenstand tegen God en Zijn volk.
B. God kan gemakkelijk al die koningen en koninkrijken verslaan, die zich tegen Hem verzetten.
C. Het geloof is een zeer nuttige en uitnemende hoedanigheid voor hen, die de oorlogen des Heeren vechten, het maakt hen rechtvaardig, moedig en wijs.
2. Zij hebben gerechtigheid geoefend, zowel in het algemeen als in het bijzonder. Het geloof gaf hun de kracht om in den weg der gerechtigheid velen van de afgoderij terug te brengen, zij geloofden God en het werd hun tot gerechtigheid gerekend, zij wandelden en handelden rechtvaardig jegens God en de mensen. Het is groter eer en gelukzaligheid om gerechtigheid te werken dan om wonderen te doen, geloof is een werkzaam beginsel voor algemene gerechtigheid.
3. Zij hebben de beloftenissen verkregen. Zowel in het algemeen als in het bijzonder. Het geloof geeft ons deel aan de beloften, door het geloof hebben wij den troost van de beloften, en het is het geloof dat ons bereidt om de beloften te verwachten en op den bepaalden tijd te ontvangen. 4. Zij hebben de muilen der leeuwen toegestopt. Dat deed Simson, Richteren 14:5, 6, en David, 1 Samuël 17:34, 35, en Daniël, Daniël 6:22. Hier leren wij:
A. De macht van God is groter dan de macht van het schepsel.
B. Het geloof verkrijgt de macht van God voor den mens, wanneer het tot Zijne heerlijkheid strekt, om wilde beesten en woeste mensen te overwinnen.
5. Zij hebben de kracht des vuurs uitgeblust. Dat deed Mozes door het gebed des geloofs, toen hij het vuur van Gods toorn bluste, die tegen de kinderen Israël's was ontbrand, Numeri 11:1, 2. Dat deden de drie jongelingen. de geloofshelden in den vurigen oven, Daniël 3:17-27. Hun geloof in God, toen zij weigerden het gouden beeld te aanbidden, dat Nebukadnezar had opgericht, stelde hen bloot aan den vurigen oven van den koning, en hun geloof verwierf hun in dien oven de kracht en de tegenwoordigheid Gods, die de hitte des vuurs zo volkomen blusten, dat zelfs de reuk van het vuur niet over hun klederen gegaan was. Nooit werd het geloof zwaarder beproefd, nooit edeler beoefend, nooit schitterender beloond, dan het hun.
6. Zij zijn de scherpte des zwaards ontvloden. David ontkwam aan de scherpte des zwaards van Goliath en van Saul. Mordechai en de Joden ontkwamen aan het zwaard van Haman. God houdt de zwaarden der mensen in Zijne hand en Hij kan de scherpte stomp maken en het zwaard, indien het Hem behaagt, van Zijn volk tegen hun vijanden keren. Het geloof houdt de hand Gods vast, die het zwaard der mensen houdt, en God heeft dikwijls zich zelven doen overwinnen door het geloof van Zijn volk.
7. Zij hebben uit zwakheid krachten gekregen. Uit nationale zwakheid, waarin de Joden door hun ongeloof dikwijls vervielen, terwijl bij de opleving van hun geloof al hun belangen opleefden en opbloeiden. Uit lichamelijke zwakheid, gelijk Hizkia, die, het woord van God gelovende, uit dodelijke ziekte werd opgewekt en zijn herstel toeschreef aan de belofte en de kracht Gods. Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij gedaan. Heere, bij deze dingen leeft men en in dit alles is het leven van mijnen geest, Jesaja 38:15, 16. En het is dezelfde genade des geloofs, die de mensen van geestelijke zwakheid herstelt en hun de krachten vernieuwt.
8. In den krijg sterk geworden zijn. Zo ging het Jozua, David en de richteren. Waar geloof geeft kracht en geduld, want het bewerkt de kracht Gods en de zwakheid der vijanden. En zij werden niet alleen sterk, maar ook voorspoedig. God joeg de heirlegers der vreemden voor hen op de vlucht, als beloning en aanmoediging van hun geloof, van allen die vijanden van hun burgerstaat en van hun godsdienst waren, God deed hen vluchten en vallen voor Zijn gelovige dienstknechten. Gelovige en biddende veldheren aan het hoofd van gelovige en biddende legers zijn door God zo erkend en aangenomen, dat niemand voor hun aangezicht bestaan kon.
9. De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding wedergekregen. Zo ging het de weduwe te Zarpath, 1 Koningen 17:23, en de Sunamietische, 2 Koningen 4:36.
A. In Christus is geen man of vrouw, velen van de zwakkere sekse zijn sterk geweest in het geloof. B. Ofschoon het genadeverbond de kinderen der gelovigen opneemt, toch laat het hen onderworpen aan den natuurlijken dood.
C. Arme moeders kunnen hun belangstelling aan hun kinderen niet onttrekken, ook nadat de dood ze weggenomen heeft.
D. Soms heeft God zich zover geschikt naar de tedere liefde van treurende vrouwen, dat Hij haar de gestorven kinderen teruggaf. Zo had Christus medelijden met de weduwe te Nain. Lukas 7:12.
E. Hier door wordt ons geloof in de algemene opstanding versterkt.
III. De apostel deelt ons mede wat de gelovigen door kracht van het geloof hebben uitgestaan.
1. Zij zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, vers 35. Zij werden op de pijnbank gelegd, om hen te brengen tot verloochening van God, hun Zaligmaker en hun godsdienst. Zij doorstonden de marteling en wilden op zulke schandelijke voorwaarden de aangeboden verlossing niet aannemen, en het- geen hen aanmoedigde om zo te lijden was de hoop, dat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. Men meent dat dit ziet op de merkwaardige geschiedenis ten tijde der Maccabeën, 2 Maccabeën 7 en v.v.
2. Zij hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis, vers 36. Zij werden in hun goeden naam gekrenkt door bespottingen, hetgeen voor de gevoelige ziel zeer wreed is, in hun personen vervolgd door geselingen, de straf voor slaven, in hun vrijheid door banden en gevangenis. Merk op hoe vindingrijk de woede der godlozen tegen de rechtvaardigen is, hoe ver ze gaan kan, en welk een verscheidenheid van wreedheden zij bedenkt en uitvoert tegen hen, die haar geen aanleiding tot twist gaven, behalve door hun gedrag jegens God.
3. Zij werden ter dood gebracht op de wreedaardigste wijzen. Gestenigd, zoals Zacharia, 2 Kronieken 24:21, in stukken gezaagd, zoals Jesaja door Manasse. Zij werden verzocht, anderen lezen: verbrand, 2 Maccabeën 7:5. Met het zwaard ter dood gebracht. Alle wijzen van sterven werden op hen toegepast, hun vijanden brachten hun den dood in de wreedste en schrikwekkendste gedaanten, maar toch gingen zij dien onverschrokken tegemoet.
4. Zij, die aan den dood ontkwamen, werden zo slecht behandeld, dat de dood verkieslijk scheen boven het leven. Hun vijanden spaarden hen alleen om hun ellende te verlengen en al hun geduld uit te putten. Zij werden genoodzaakt te wandelen in schaapsvellen en in geitenvellen, verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde, hebben in woestijnen gedoold en op bergen, en in spelonken, en in de holen der aarde. Zij werden uitgesloten van alle gemakken des levens, van huis en haard verdreven, zij hadden geen kleding overgehouden, maar waren genoodzaakt zich te dekken met de huiden van gedode beesten. Zij werden uit de menselijke samenleving weggejaagd en gedwongen met de dieren des velds te leven, zich in spelonken en holen te verbergen, en hun klaagtonen den rotsen en bergen te doen horen, die niet harder waren dan hun vijanden. Zulk lijden verdroegen zij ter wille van hun geloof, en zij verdroegen het door de genade en kracht des geloofs. En wat zullen wij verwonderlijker achten: de boosheid der menselijke natuur, die instaat is zulke wreedheden aan medemensen te plegen, of de uitnemendheid der goddelijke genade, die machtig is om de gelovigen onder die wreedheden staande te houden en hen veilig door dat alles heen te brengen? IV. Wat zij ver kregen door hun geloof.
1. Een zeer eervol getuigenis van God, den rechtvaardigen Rechter en de fontein van alle eer. De wereld was hunner niet waardig. De wereld verdiende zulke zegeningen, als deze mensen waren, niet, zij wist hen niet te waarderen noch voordeel van hen te trekken. Godlozen! De rechtvaardigen zijn niet waardig in deze wereld te leven, en God verklaart dat de wereld hunner niet waardig is. En ofschoon de godlozen hemelsbreed in hun oordeel van God verschillen: hierin stemmen zij met Hem overeen, dat het niet behoorlijk is dat de godvrezenden in de wereld rust genieten zouden. En daarom neemt God hen er uit, en in die wereld, die voor hen geschikt is en ver al de verdiensten van hun werken en lijden overtreft.
2. Zij hebben getuigenis gehad, vers 39, van alle godvrezenden, en van de waarheid zelf, en hebben de eer van opgenomen te worden in deze naamlijst van Oud Testamentische heiligen en Godsgetuigen, ja, zij hebben getuigenis gehad in de gewetens hunner vijanden, die, terwijl zij hen vervolgden, door hun eigen geweten veroordeeld werden als vervolgers van hen, die rechtvaardiger waren dan zij.
3. Zij verkregen deel aan de beloften, ofschoon niet het volle bezit daarvan. Zij hadden recht op de belofte, ofschoon zij de grote beloofde dingen niet ontvingen. Daarmee wordt niet de gelukzaligheid van den hemel bedoeld, want die verkregen ze bij hun dood naar de mate van hun deel, dat is overvloedig, maar het wordt gezegd van de gelukzaligheid der Evangelische bedeling. Zij hadden typen, maar niet het antitype, zij hadden de schaduwen, maar kregen het wezen niet te aanschouwen, en toch, onder die gebrekkige bedeling, ontwikkelden zij zulk een kostelijk geloof. Daar wijst de apostel op om hun geloof des te meer te verheffen, en om de Christenen aan te sporen tot heiligen naijver en tot navolging, opdat zij niet mochten onderdoen in de oefening des geloofs bij dezen, die in al de hulpmiddelen en voordelen van het geloof zoveel minder deel hadden. Hij zegt den Hebreeën, dat God wat beters over ons voorzien had, vers 40, en daarom konden zij verzekerd zijn dat hij op zijn minst even goede dingen van hen verwachtte Aangezien het Evangelie het doel en de volmaking van het Oude Testament is, waarvan de uitnemendheid bestond in zijn heen wijzing naar Christus en naar het Evangelie, kon verwacht worden dat hun geloof ook uitnemender zou zijn dan dat der Oud Testamentische heiligen, want hun toestand en bedeling waren uitnemender dan die van genen, en waren inderdaad de volmaking van de eerste, omdat zonder de Evangelische kerk de Joodse kerk in een onvolmaakten toestand zou gebleven zijn. De redenering is krachtig en moet daarom op ons allen werkdadigen invloed hebben.