1 Samuël 18:12-30
Saul had nu eigenlijk aan David de oorlog verklaard, hij begon in openlijke vijandschap, toen hij de spies naar hem wierp, nu wordt ons gezegd, hoe hij in zijn vijandschap handelde, en hoe David zich onder de aanvallen er van gedroeg.
I. Zie hoe Saul zijn boosaardigheid tegen David uitdrukte.
1. Hij vreesde voor hem, vers 12. Misschien wendde hij voor te vrezen dat David hem kwaad zou doen, ten einde zich een weg te banen naar de troon. Zij, die kwaad in de zin hebben tegen anderen, willen gewoonlijk doen denken dat anderen kwaad bedoelen tegen hen, maar Davids heengaan was een duidelijk bewijs, dat zo'n denkbeeld verre van hem was. Maar hij had toch werkelijk ontzag voor hem, zoals Herodes Johannes vreesde, Markus 6:20.
Saul was zich bewust dat hij zelf de gunstrijke tegenwoordigheid Gods had verloren, en dat David haar had, en daarom vreesde hij hem. Diegenen zijn waarlijk groot en te Beren, met wie God is. Hoe voorzichtiger David zich gedroeg, hoe meer Saul hem vreesde, vers 15, en wederom in vers 29.
De mensen denken dat het middel om zich gevreesd te maken is te snoeven en te dreigen, dat slechts hen door dwazen doet vrezen, maar hen bij de wijzen en goeden veracht maakt terwijl het middel om beide gevreesd en bemind te zijn, gevreesd door hen voor wie wij een schrik willen wezen, en bemind door hen voor wie wij een verlustiging wensen te zijn, is: dat wij ons voorzichtig gedragen op al onze wegen. Wijsheid doet het gelaat glinsteren en gebiedt eerbied.
2. Hij verwijderde hem van het hof en gaf hem een regiment in de provincie, vers 13. hij zette hem zich tot een overste van duizend ten einde niet onder zijn oog te zijn, want hij was hem hatelijk om aan te zien, en opdat hij geen invloed zou hebben op de hovelingen.
Toch heeft hij hierin onstaatkundig gehandeld want hij gaf aan David de gelegenheid om zich bemind te maken bij het volk, dat hem dan ook liefhad, vers 16, want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht, dat is: hij bestuurde de zaken zijns lands, de burgerlijke zowel als de militaire, en gaf algemeen voldoening.
3. Hij porde hem aan om bij alle mogelijke gelegenheden met de Filistijnen te twisten en met hen te strijden, vers 17, hem te kennen gevende dat hij hiermede goeden dienst zou bewijzen aan zijn vorst: wees mij een dapper zoon, en goede dienst aan zijn God: Voer den krijg des HEEREN, en ook een vriendelijkheid aan hemzelf zou zien, want hierdoor zou hij zich bevoegd maken voor de eer, die hem bestemd was, namelijk de oudste dochter des konings te huwen. Dit had hij verdiend door Goliath te doden, want dit was bij proclamatie beloofd aan hem, die deze daad zou verrichten Hoofdstuk 17:25, maar David was zo bescheiden, dat hij het niet eiste, en nu stelde Saul het hem voor met de bedoeling van hem er kwaad door te berokkenen, hem te doen uitgaan op gevaarlijke ondernemingen, zeggende in zijn hart: maar de hand der Filistijnen tegen hem zij, hopende dat zij hem zullen doden, maar hoe kon hij dit verwachten, als hij zag dat God met hem was? 4. Hij deed wat hij kon om hem tot ontevredenheid en muiterij te brengen, door zijn hem gedane belofte te verbreken, en zijn dochter aan een ander te geven, toen de tijd gekomen was, dat hij haar aan hem zou geven, vers 19.
Dit was zo groot een belediging als hij hem met mogelijkheid kon aandoen, het trof hem beide in zijn eer en in zijn liefde, daarom dacht hij dat Davids toorn zich op de een of andere onbetamelijke wijze lucht zou geven, in woord of in daad, waardoor hij het voordeel over hem zou krijgen en hem door een proces uit de weg zou kunnen ruimen. Aldus bedenken de bozen kwaad.
5. Toen hij hierin teleurgesteld werd, bood hij hem zijn andere dochter aan, (die liefde voor David schijnt opgevat te hebben, vers 20) maar met de bedoeling, dat zij hem ten valstrik zij, vers 21.
A. Hij hoopte misschien dat zij, zelfs na haar huwelijk met David, de partij van haar vader zou trekken tegen haar man, en hem de gelegenheid zou geven om hem kwaad te doen.
B. Maar hij hoopte dat de voorwaarden van dit huwelijk in elk geval zijn verderf zouden wezen, want (zó ijverig wilde Saul zich betonen tegen de Filistijnen) de voorwaarde, waarop dit huwelijk gesloten zou worden, bestond hierin, dat hij honderd Filistijnen zou doden, en als bewijs dat zij, die hij gedood had, onbesneden waren, moet hij hem hun voorhuiden brengen, dit zou een rechtvaardige smaad wezen voor de Filistijnen, die de besnijdenis haatten, daar zij een inzetting Gods was, en misschien zou David door dit te doen hen te meer tegen zich verbitteren, en zouden zij zoeken zich op hem te wreken, en dat was het wat Saul begeerde en bedoelde, veel meer dan op de Filistijnen gewroken te worden. want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen, vers 25. Zie hier:
a. Hoe de mensen zichzelf bedriegen. Sauls geweten wilde hem niet toelaten, behalve als de boze geest over hem was, om zelf David naar het leven te staan, want zelfs hij moest het denkbeeld van moord op zo'n onschuldig en voortreffelijk man wel afschuwelijk vinden, maar hij dacht dat er niets slechts of verkeerds in was om hem aan de Filistijnen bloot te stellen: Dat mijne hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij, terwijl toch dit boosaardig plan tegen hem voor God even goed moord was, alsof hij het met zijn eigen handen had gedaan.
b. Hoe zij de wereld bedriegen. Saul wendde buitengewone genegenheid voor voor David, zelfs toen hij zijn verderf beoogde, en er het plan toe beraamde. zult gij heden mijn schoonzoon worden, zegt hij, vers 21, hoewel hij hem een onverzoenlijker haat toedroeg.
Misschien doelt David hierop als hij in Psalm 55:22 zegt van zijn vijand, dat "zijn mond gladder is dan boter, maar zijn hart is krijg".
Toen Saul zijn dienaren zond om David tot een huwelijk met zijn dochter Michal te bewegen, heeft hij waarschijnlijk gedacht, dat hij, wegens het bedrog, dat hij aan hem gepleegd had ten opzichte van zijn oudste dochter, en de moeilijke voorwaarde, die hij hem nu oplegde, het voorstel zou afwijzen.
II. Zie hoe David zich gedroeg, toen de vloed van Sauls misnoegen tegen hem zo hoog oprees. 1. Hij gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen, vers 14. Hij bemerkte Sauls naijver op hem, dat hem zeer voorzichtig en omzichtig maakte in alles wat hij zei en deed, en zorgzaam om geen ergernis te geven.
Hij klaagde niet over harde behandeling, maakte zich niet tot hoofd van een partij, maar handelde in alle zaken, die hem opgedragen waren, als iemand, die er zich op toelegt goede diensten te bewijzen aan zijn koning en zijn land, daar hij dit als het doel beschouwde van zijn verhoging. En de Heere was met hem om hem voorspoed te geven in alles wat hij ondernam. Hij heeft daar nu wel Sauls misnoegen mee opgewekt, maar Gods gunst verkregen. Vergelijk hiermede Psalm 101:2, waar David belooft: "Ik zal verstandelijk handelen", en die belofte heeft hij hier vervuld, en het is zijn gebed: Wanneer zult Gij tot mij komen? Hoe de fortuin ook moge wezen om dwazen te begunstigen, God zal hen zegenen, die zich voorzichtiglijk gedragen.
2. Toen hem voorgesteld werd des konings schoonzoon te worden, heeft hij wederom en nogmaals dit voorstel met alle mogelijke bescheidenheid en nederigheid ontvangen. Toen Saul hem voorstelde zijn oudste dochter te huwen, vers 18, zei hij: Wie ben ik, en wat is mijn leven? Toen de hovelingen hem voorstelden de jongere te huwen, nam hij geen notitie van de belediging door Saul hem aangedaan door de oudste aan iemand anders te geven, maar bleef hij in dezelfde gemoedsstemming, vers 23 :Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben? hij wist dat Michal hem beminde, en toch poogde hij zijn voordeel niet te doen met haar genegenheid, om haar te winnen zonder haars vaders toestemming, maar wachtte tot zij hem werd aangeboden. En zie nu:
a. Hoe hoog hij de eer stelt, die hem wordt aangeboden: Des konings schoonzoon te worden! Hoewel de koning even gering van afkomst was als hijzelf en in zijn bestuur niet beter was dan hij moest wezen, spreekt hij toch van hem als gekroond hoofd, evenals van de koninklijke familie, met alle achting en eerbied. Wel verre dat de Godsdienst ons zou leren ruw en ongemanierd te zijn, wordt dit ons juist door de Godsdienst verboden. Wij moeten eer geven aan wie eer toekomt.
b. Met welk een nederigheid hij van zichzelf spreekt. Wie ben ik? Dit kwam niet voort uit een lage kruipende gemoedsaard, want als het te pas kwam, heeft hij getoond een even sterk eergevoel te hebben als de meesten, ook niet uit vrees voor Saul (hoewel hij reden genoeg had om te vrezen dat er een adder was onder het groene gras) maar uit zijn wezenlijke, oprechte nederigheid. Wie ben ik? een arm en verachtzaam man.
David had evenveel reden als wie ook om zichzelf te achten. Hij was van een oud en aanzienlijk geslacht in Juda, had een aangenaam voorkomen, was een groot staatsman en een groot krijgsman, zijn krijgsverrichtingen waren groot, hij had Goliaths hoofd en Michals hart gewonnen, hij wist dat hij in de raad Gods voor de troon van Israël bestemd was, en toch: Wie ben ik en wat is mijn leven? Het betaamt ons om, hoe God ons ook verhoogd moge hebben, altijd gering van onszelf te denken. Die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. En als nu David de eer om des konings schoonzoon te zijn, zo verheerlijkt, hoe moeten wij dan de eer niet groot achten om kinderen te zijn van de Koning van de koningen! Zie hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft! Wie zijn wij, dat ons zo'n grote eer wordt aangedaan? 3. Toen het doden van honderd Filistijnen tot voorwaarde werd gesteld voor het huwen van de dochter des konings, heeft hij die voorwaarde geredelijk aangenomen, vers 26.
Die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden op die voorwaarde, en voordat de tijd om was, die hem voor deze krijgsdaad gegeven was, heeft hij het dubbele gedaan van de eis, en twee honderd Filistijnen gedood, vers 27.
Hij wilde de schijn niet hebben van te vermoeden, dat Saul er zijn verderf mee beoogde, (hoewel hij er reden genoeg toe had) hij wilde veeleer handelen alsof Saul er zijn eer mee bedoelde, en daarom heeft hij de zaak goedsmoeds ondernomen, zoals het een dapper krijgsman betaamde, en die ook tonen wilde, dat hij Michal oprecht liefhad, hoewel haar de zaak wel enige ongerustheid gebaard zal hebben.
Tevens heeft David hierin een groot vertrouwen aan de dag gelegd in de bescherming Gods. Hij wist dat God met hem was, en daarom-wat Saul ook gehoopt moge hebben
a. David vreesde niet door de Filistijnen te zullen vallen, al moest hij zich, in een onderneming als deze, wel aan gevaar blootstellen.
b. Grote ijver voor het welzijn des lands, hij wilde niets weigeren, waarmee hij er dienst aan kon bewijzen, al is het ook met gevaar van zijn eigen leven.
c. Een juist begrip van eer, welke niet zozeer bestaat in verhoogd te worden, als wel in dit te verdienen. Het was toen recht in de ogen van David om des konings schoonzoon te worden, toen hij bevond hoe hoog de prijs was, waarvoor die eer verkregen moest worden meer in zorg zijnde hoe haar te verdienen, dan hoe haar te verkrijgen, hij zou die eer ook niet met voldoening kunnen dragen, vóór hij haar had gewonnen.
4. Zelfs nadat hij gehuwd was, volhardde hij in zijn goede diensten aan Israël. Toen de vorsten van de Filistijnen een nieuwen oorlog wilden beginnen, was David gereed om hen tegen te treden, en was hij kloeker dan al de knechten van Saul, vers 30. De wet verleende aan mannen in het eerste jaar van hun huwelijk vrijstelling van de krijgsdienst, Deuteronomium 24:5, maar David had te veel vaderlandsliefde om van die vrijstelling gebruik te maken.
Velen hebben zich ijverig betoond in de openbaren dienst, toen zij naar bevordering gestaan hebben, maar hebben er zich aan onttrokken, toen zij hun doel hadden bereikt, David heeft naar edeler grondbeginselen gehandeld.
Eindelijk.
Merk op hoe God voor David uit Sauls plannen tegen hem goed heeft laten voortkomen.
1. Saul gaf hem zijn dochter om hem ten valstrik te zijn, maar in dat opzicht was dit huwelijk een vriendelijkheid voor hem, dat, hij des konings schoonzoon zijnde, zijn opvolging er veel minder hatelijk door werd, inzonderheid toen zovelen van zijn zonen tegelijk met hem verslagen werden, Hoofdstuk 31:2. 2. Saul dacht hem uit de weg te ruimen door hem op gevaarlijke ondernemingen uit te zenden, maar juist dit bevestigde zijn invloed op het volk, want hoe meer afbreuk hij deed aan de Filistijnen, hoe meer zij hem liefhadden, zodat zijn naam zeer geacht was, vers 30, waardoor zijn komst op de troon gemakkelijk werd gemaakt. Zo zal God zelfs de toorn des mensen Hem loffelijk doen maken, en er Zijn vriendelijke bedoelingen jegens Zijn volk door doen dienen.