Jesaja 10:5-19
De verwoesting van het rijk van Israël door Salmaneser, koning van Assyrië, was in het vorige hoofdstuk voorzegd, en in het zesde jaar van Hizkia is die voorzegging vervuld geworden 2 Koningen 18:10. Die verwoesting was volkomen en finaal, kop en staart werden afgehouwen. Nu wordt in dit hoofdstuk de kastijding voorzegd van het rijk van Juda door Sanherib, koning van Assyrië, en deze voorzegging werd vervuld in het veertiende jaar van Hizkia, toen deze machtige vorst, namelijk Sanherib, aangemoedigd door de voorspoed van zijn voorganger tegen de tien stammen, opkwam tegen alle vaste steden van Juda, en ze innam, en Jeruzalem belegerde, 2 Koningen 18:13, tengevolge waarvan Hizkia en zijn koninkrijk, naar wij wel kunnen veronderstellen, grotelijks beroerd en ontsteld waren, hoewel er toen een goed werk van hervorming onder hen begonnen was. Maar het eindigde in de beschaming van de Assyriërs tot grote bemoediging van Hizkia en zijn volk in hun wederkeren tot God.
Laat ons hier nu zien:
I. Hoe God in Zijn vrijmacht de koning van Assyrië afzond om Zijn knecht te zijn, en gebruik van hem maakte als een gewoon werktuig om er Zijn eigen doeleinden mee te dienen, vers 5, 6. "O Assyriër, weet dit, gij zijt de roede van Mijn toorn, en Ik zal u zenden, om een gesel te zijn voor het volk van Mijn toorn."
Merk hier op:
1. Hoe slecht het karakter van de Joden is, hoe wel zij zeer goed schenen te zijn, zij zijn een huichelachtig volk, die de godsdienst beleden, en toen inzonderheid zich schenen te hervormen en te verbeteren, maar zij waren niet waarlijk godsdienstig, niet wezenlijk hervormd en verbeterd, zie waren niet zo goed, niet zo vroom als zij voorgaven te zijn, nu door Hizkia Godsdienst en vroomheid in zwang waren gekomen. Als heersers vroom zijn en de godsdienst dus in ere is, dan is het iets geheel gewoons dat de volken huichelachtig zijn. Zij zijn een onheilig volk-zo lezen het sommigen. Hizkia had hen in grote mate van hun afgoderij genezen, maar nu geven zij zich aan goddeloosheid over, ja geveinsdheid is al goddeloosheid. Niemand ontheiligt de naam van God zo als zij die naar die naam genoemd zijn en die naam aanroepen, terwijl zij toch in de zonde leven. Daar zij een onheilig, huichelachtig volk zijn, zijn zij het volk van Gods toorn, zij liggen onder Zijn toorn, en zullen er waarschijnlijk door verteerd worden. Huichelachtige volken zijn het volk van Gods toorn, niets is aanstotelijker voor God dan veinzerij in de godsdienst. Zie welk een verandering de zonde gemaakt heeft, zij, die boven alle anderen Gods verkoren en geheiligd volk zijn geweest, zijn nu het volk van Zijn toorn geworden. Zie Amos 3:2.
2. Hoe laag het karakter is van de Assyriër, hoe laag en min, hoewel hij zeer groot scheen, hij is niets meer dan de roede van Gods toorn een werktuig, waarvan God zich wil bedienen om Zijn volk te kastijden, opdat zij, aldus van de Heer getuchtigd zonde, met de wereld niet zouden veroordeeld worden. De tirannen van de wereld zijn slechts de werktuigen van Gods voorzienigheid. Mensen zijn Gods hand, soms Zijn zwaard, om te doden, Psalm 17:13-14. Op andere tijden zijn zij Zijn roede om te kastijden. De staf in hun hand, waarmee zij Zijn volk slaan, is Zijn verbolgenheid, het is Zijn toorn, die de stok in hun handen geeft en hen instaat stelt slagen toe te brengen aan hen, die dachten tegen hen opgewassen te zijn. Soms maakt God een afgodisch volk, dat Hem volstrekt niet dient, tot een gesel voor een huichelachtig volk, dat Hem niet in oprechtheid en waarheid dient. 3. De Assyriër wordt de roede van Gods toorn genoemd, omdat hij door Hem gebruikt wordt.
a. Van Hem komt zijn macht. Ik zal hem zenden, Ik zal hem bevel geven. Al de macht die goddelozen hebben, ontvangen zij altijd van God, of schoon zij haar dikwijls tegen Hem gebruiken. Pilatus kon geen macht hebben tegen Christus, of ze moest hem van boven gegeven zijn, Johannes 19:11. De uitoefening van die macht wordt door Hem bestuurd. De Assyriër moet de roof roven en de plundering plunderen, maar bloed moet hij niet vergieten, wij lezen van geen verslagenen, maar hij moet het land plunderen en de huizen plunderen, het vee wegvoeren en hen van al hun rijkdom en hun sieraden beroven, en hen vertreden gelijk het slijk van de straten. Als Gods belijdend volk zich wentelt in het slijk van de zonde, dan is het rechtvaardig in God om aan hun vijanden toe te laten hen als slijk te vertreden. Maar waarom moet de Assyriër aldus tegen hen overmogen? Niet opdat zij ten verderve zouden gebracht worden, maar opdat zij grondig hervormd en verbeterd zouden worden.
II. Zie hoe de koning van Assyrië zich in zijn hoogmoed verheft en verheerlijkt als zijn eigen meester te zijn, voorgeeft onbeperkt heerser te zijn, onder generlei bedwang of toezicht te staan, zuiver en alleen naar zijn eigen wil en voor zijn eigen eer en heerlijkheid te handelen. God had hem gesteld tot een oordeel en om te straffen had Hij hem gegrondvest, Habakuk 1:12, om een werktuig te zijn om Zijn volk tot bekering te brengen, hoewel hij het zo niet meent en zijn hart alzo niet denkt, vers 7. Hij denkt niet dat hij hetzij Gods dienstknecht, of Israëls vriend is, dat hij niet meer kan doen dan God hem toelaat te doen, noch dat hij niet meer zal doen dan hetgeen God zal doen medewerken ten goede van Zijn volk. God bedoelt Zijn volk te tuchtigen voor, en hen aldus te genezen van, hun huichelarij, en hen nader tot zich te brengen, maar was dat Sanheribs bedoeling? Neen, dat was zeer ver van zijn gedachten, hij meende het niet zo. De alwijze God maakt soms zelfs de zondige hartstochten en plannen van de mensen dienstbaar aan Zijn eigen grote en heilige doeleinden. Als God gebruik maakt van de mensen als werktuigen in Zijn hand om Zijn werk te doen, dan is het iets geheel gewoons, dat Hij een zaak bedoelt en zij een geheel andere op het oog hebben, ja dat zij het tegenovergestelde bedoelen van wat Hij bedoelt. Wat Jozefs broeders ten kwade bedoelden, heeft God ten goede beschikt en geleid, Genesis 50:20. Zie Micha 4:11, 12. De mensen hebben hun doeleinden, en God heeft de Zijne, maar wij zijn er zeker van dat de raad des Heeren zal bestaan. Maar wat is het, dat de trotse Assyriër op het oog heeft? Het hart van de koningen is ondoorgrondelijk, maar God wist wat in zijn hart was: hij bedoelt niets anders dan te verdelgen, uit te roeien niet weinig volkeren, en zich van hen meester te maken.
a. Hij bedoelt zich toe te geven in zijn wreedheid, met niets minder is hij tevreden dan met verdelgen en uitroeien. Hij hoopt zich te vergasten op bloed en slachting, het bloed van particuliere personen is niet voldoende voor hem, hij moet hele volkeren uitroeien. Het is beneden hem om in het klein te handelen, hij handelt in moorden in het groot, volkeren en niet weinige, moeten allen tezamen maar één hals hebben, die hij dan het genoegen kan hebben van af te snijden.
b. Hij bedoelt zijn hebzucht te bevredigen en zijn eerzucht, hij wil monarch zijn van de gehele wereld, alle volken tot zich vergaderen, Habakuk 2:5. Een onverzadelijke begeerte naar rijkdom en heerschappij is hetgeen hem drijft in deze onderneming.
De profeet stelt hem hier voor als snoevende en dreigende, en te oordelen naar de brief die zijn generaal in zijn naam aan Hizkia geschreven heeft, moet deze man het in verwaandheid en laatdunkendheid zeer ver gebracht hebben. Zijn hoogmoed en aanmatiging worden hier zeer uitvoerig beschreven zelfs zijn taal wordt aangehaald, deels om hem bespottelijk te maken, en deels om aan het volk van God te verzekeren dat hij naar beneden gebracht zal worden, want het gezegde blijkt meestal waar te zijn, dat hoogmoed voor de val komt. Het geeft ook te kennen dat God kennis neemt en rekening houdt van al de trotse en vermetele woorden waarmee de mensen hemel en aarde trotseren. Zij, die trotse woorden van ijdelheid spreken, zullen er nog van horen.
A. Hij snoeft op de grote dingen, die hij aan andere volken gedaan heeft.
Ten eerste. Hij heeft hun koningen tot zijn hovelingen gemaakt, vers 8. "Zijn niet mijn vorsten al tezamen koningen? Zij, die nu mijn vorsten zijn zijn koningen geweest." Of, hij bedoelt dat hij zijn troon dermate verhoogd heeft, dat zijn dienaren en zij, die onder hem bevel voerden even voornaam waren, en een even grote staat voerden, in even veel pracht en weelde leefden, als koningen van andere landen. Of zij, die oppermachtige vorsten waren in hun eigen gebied, hielden hun kroon van hem en deden hem hulde. Dit was een verwaand snoeven, maar hoe groot is onze God, die wij dienen, die in waarheid en werkelijkheid Koning van de koningen is, en wiens onderdanen Hem tot koningen gemaakt zijn! Openbaring 1:6.
Ten tweede. Hij heeft zich meester gemaakt van hun steden, hij noemt er verscheidene, vers 9 die alle door hem tenonder zijn gebracht Kalno heeft zich even spoedig onderworpen als Karchemis, Hamath kon hem evenmin weerstand bieden als Arfad, en Samaria is de zijne geworden zowel als Damascus. Om dit snoeven te kunnen volhouden is hij genoodzaakt de overwinningen van zijn voorganger mee in rekening te brengen, want hij was het, die Samaria veroverd heeft, en niet Sanherib.
Ten derde. Hij is te sterk geweest voor hun afgoden, hun beschermgoden, hij had de koninkrijken van de afgoden gevonden, en hij had middelen gevonden om ze tot de zijne te maken, vers 10. Hun koninkrijken ontleenden hun naam aan de afgoden, die zij aanbaden, de Moabieten worden het volk van Kamos genoemd, Jeremia 48:46, omdat zij zich verbeeldden dat hun goden hun beschermheren waren, en daarom verbeeldt zich Sanherib dat iedere verovering van een koninkrijk een zege was, die over een god was behaald.
Ten vierde. Hij had zijn eigen gebied vergroot, hij had de landpalen van de volken weggenomen, vers 13, die vele grote landstreken omsloten binnen de grenzen van zijn eigen koninkrijk, en verschoof de oude landpalen, die zijn vaderen hadden gesteld, veel verder naar de andere kant, hij kon het niet dulden om zo nauw ingesloten te zijn, hij moest meer ruimte hebben om te kunnen groeien. Onder het wegnemen van de landpalen van de volkeren verstaat Ds. White zijn willekeurige overbrenging van kolonies van plaats tot plaats, de gewone praktijk van de Assyriërs bij al hun veroveringen, dit is een zeer waarschijnlijke verklaring.
Ten vijfde. Hij had zich verrijkt met hun schatten, die hij in zijn eigen schatkist deed vloeien. Ik heb hen voorraad geroofd, hierin heeft hij waarheid gesproken. Grote veroveraars zijn dikwijls niets meer dan grote rovers. Eindelijk. "Hij had de tegenstand, die hij ontmoette, overwonnen, ik heb als een geweldige de inwoners doen neerdalen, hen, die hoog gezeten waren en dachten wel bevestigd te zijn, heb ik vernederd en naar beneden gebracht." Hij roemt:
1. Dat hij dit alles gedaan heeft door zijn eigen wijsheid en macht, vers 13. Door de kracht van mijn hand, want ik ben geweldig, en door mijn valsheid, want ik ben verstandig, heb ik dit gedaan, niet door de toelating van Gods voorzienigheid en door de zegen van God, hij weet niet dat het God is, die hem maakt tot hetgeen hij is, en de staf in zijn hand geeft, maar offert aan zijn eigen net, Habakuk 1:16. Mijn kracht en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen, Deuteronomium 8:17. Zuiver atheïsme en godslastering zijn evenzeer als hoogmoed en ijdelheid de oorzaak, dat de mensen hun voorspoed en welslagen toeschrijven aan zichzelf, aan hun eigen verstand en beleid, en er hun eigen hoedanigheid op verheffen en verheerlijken.
2. Dat hij dit alles met grote gemakkelijkheid had gedaan, het is slechts spel en vermaak voor hem geweest, alsof hij vogelnestjes had uitgehaald, vers 14. Mijn hand heeft gevonden het vermogen van de volken als een nest, toen hij het gevonden had, was het niet moeilijker om het te nemen dan om een nest uit te halen, en evenmin gevoelde hij aarzeling of leedwezen om gezinnen ten ondergang te brengen en steden te verwoesten, als om een kraaiennest te vernielen, kinderen om te brengen was voor hem niets meer dan vogels te doden. Gelijk men de eieren, die door de moer in het nest verlaten zijn, samenraapt, even gemakkelijk heb ik het gehele aardrijk samengeraapt (zoals Alexander, die dacht de gehele wereld veroverd te hebben). Welke prooi hij ook greep, daar is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of de bek opendeed, of piepte, zoals vogels doen als hun nesten worden verstoord, zij durfden geen tegenstand bieden, ja niet eens een klacht uiten, zo'n ontzag hadden zij voor de machtige veroveraar, zij waren zo zwak dat zij wisten, dat het doelloos was om weerstand te bieden, en hij was zo willekeurig, dat zij wisten dat het nutteloos was om te klagen. Hoe vreemd is het toch dat mensen, die gemaakt waren om goed te doen, er trots op zijn en er behagen in scheppen om onrecht te doen, kwaad te doen aan allen, die om hen heen zijn, zonder enigerlei dwang, datgene tot hun roem en eer rekenen, wat hun schande is! Maar hun dag om te vallen zal komen, van hen namelijk die zich aldus tot de schrik maken van de machtigen, en nog veel meer van de zwakken in het land van de levenden.
B. Hij dreigt met hetgeen hij aan Jeruzalem zal doen, dat hij er het beleg voor ging slaan, vers 10, 11. Hij zal Jeruzalem en haar afgoden oververmeesteren, zoals hij andere plaatsen en haar afgoden tenonder heeft gebracht, inzonderheid Samaria.
Ten eerste. Godslasterlijk noemt hij de God van Israël een afgod en stelt Hem gelijk met de valse goden van andere volken, alsof niemand de ware God was dan Mithras, de zon, die hij aanbad. Zie hoe onwetend hij was, en het zal ons minder verwonderen dat hij zo hoogmoedig was.
Ten tweede. Hij geeft de voorkeur aan de gesneden beelden van andere landen boven die van Jeruzalem en Samaria, terwijl hij had kunnen weten dat het de aanbidders van de God van Israël uitdrukkelijk verboden was om enigerlei gesneden beelden te maken, en dat, zo iemand het deed, hij het steelsgewijze moest doen, weshalve zij niet zo rijk en prachtig konden wezen als die van andere volken. Indien hij de ark en het verzoendeksel bedoelt, dan spreekt hij als een dwaas, die hij dan ook is, en als iemand, die oordeelt naar het aanzien van de ogen, en dus gemakkelijk bedrogen kan zijn ten opzichte van geestelijke zaken. Zij, die uitwendigen glans en pracht voor een kenmerk houden van de ware kerk oordelen naar dezelfde regel.
Ten derde. Omdat hij Samaria veroverd had, maakt hij de gevolgtrekking dat Jeruzalem natuurlijk ook vallen zal. "Zou ik alzo niet kunnen doen aan Jeruzalem? Kan ik het niet even gemakkelijk en zou ik het niet even rechtvaardiglijk doen?" Maar de gevolgtrekking was onjuist, want Jeruzalem bleef haar God aankleven, terwijl Samaria Hem verlaten had. III. Zie hoe God in Zijn gerechtigheid zijn hoogmoed bestraft, en het oordeel over hem uitspreekt. Wij hebben gehoord wat de grote koning, de koning van Assyrië, zegt, wij hebben zijn grootspraak gehoord, laat ons nu horen wat de grote God door Zijn dienstknecht, de profeet, te zeggen heeft, en wij zullen bevinden dat in hetgeen, waarin hij trots handelt, God boven hem is.
1. Hij toont de ijdelheid aan van zijn onbeschaamd en vermetel roemen, vers 15. Zal een bijl zich beroemen tegen degene, die daarmee hakt? Zal een zaag pochen tegen degene, die ze trekt? Even ongerijmd is het snoeven van de trotsaard. "O welk een stof maak ik!" zegt in de fabel, de vlieg op het wagenrad. Welk een verwoesting richt ik aan onder de bomen!" zegt de bijl. Op tweeërlei wijze kan de bijl gezegd worden zich te beroemen tegen hem, die er mee hakt.
a. Bij wijze van verzet en tegenstand. Sanherib lasterde God, beledigde Hem, dreigde dat hij Hem doen zal zoals hij aan de goden van de volken gedaan heeft, dit nu was alsof de bijl hem trotseert, die ermede hakt. Het gereedschap of werktuig dat twist met de werkman, is niet minder ongerijmd dan het twisten van het leem zou zijn met de pottenbakker, en gelijk het niet gerechtvaardigd kan worden, dat mensen tegen God strijden met het vernuft, de rijkdom en de macht, die Hij hun geeft, zo is het ook niet te dulden. Maar indien de mensen aldus trots en vermetel willen wezen, alles wat rechtvaardig en heilig is willen trotseren, laat hen dan verwachten dat God met hen zal afrekenen, hoe onbeschaamder en hoe meer beledigend zij zijn zoveel zekerder en ontzettender zal hun verderf wezen.
b. Bij wijze van mededinging zal de bijl zich de lof toeëigenen van het werk, waarvoor zij gebruikt werd? Even onzinnig, even ongerijmd was het van Sanherib om te zeggen: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, vers 13. Het is alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen. Maar als men een stok opheft, is het niet nog hout, zoals de laatste zinsnede gelezen kan worden. Al is hij een teken van waardigheid en gezag (zoals de edelen des volks er een droegen, Numeri 21:18), al is hij een werktuig van dienst, hetzij om een zwak man te ondersteunen of om een slecht man te tuchtigen, toch is hij slechts hout, en kan niets doen dan naar hij geleid of gericht wordt door hem, die hem gebruikt. De psalmist bidt dat God de heidenen zal laten weten dat zij mensen zijn, Psalm 9:21, de staf zal laten weten dat hij hout is.
2. Hij voorzegt zijn val en ondergang.
A. Dat God, nadat Hij Zijn werk heeft gedaan door hem, Zijn werk zal doen aan hem, vers 12. Het was een treurige sombere tijd voor het volk van God toen Sanherib zijn inval deed in hun land, maar laat hen weten tot hun vertroosting:
a. Dat God bedoelde door de beschikkingen van Zijn voorzienigheid goed te doen in Zion en Jeruzalem, er is een werk aan hen te doen, dat God voornemens is te doen en dat Hij zal volbrengen. Als God de vijanden van Zijn kerk en van Zijn volk loslaat, en hun voor een tijd toelaat te overmogen, dan is het ten einde een groot en goed werk aan hen te doen, en als dat gedaan is, dan en niet eerder, zal Hij verlossing voor hen werken. Als God Zijn volk in benauwdheid brengt, dan is het om hen te louteren, Daniël 11:35, hun hun zonde in gedachtenis te brengen, hen er om te verootmoedigen, en hen op te wekken tot het besef van hun plicht, hen te leren bidden en elkaar lief te hebben en te helpen, en dit is de vrucht, namelijk het wegnemen van de zonde, Hoofdstuk 27:9. Als deze doeleinden enigermate door de beproeving bereikt zijn, dan zal zij in genade worden weggenomen, Leviticus 26:41, 42, anders niet, want evenals het woord zal ook de roede datgene volbrengen, waartoe God haar zendt.
b. Dat God, nadat Hij dit werk van genade voor Zijn volk gewerkt heeft, een werk des toorns en van de wraak zal werken aan hun aanvallers. Ik zal thuiszoeken de vrucht van de grootsheivan het hart van de koning van Assyrië: Zijn trotse woorden worden hier gezegd uit zijn hart te komen, van de grootsheid van zijn hart, en zij zijn er vrucht van, want uit de overvloed des harten spreekt de mond. Er wordt gelet op de hoogheid van zijn ogen, want een trotse blik is de aanduiding van een hovaardig gemoed. De vijanden van de kerk zijn gewoonlijk zeer hoog en trots, maar vroeg of laat zal God hiervoor met hen afrekenen. Hij roemt er in als in een onbetwistbaar bewijs van Zijn macht en heerschappij, dat Hij alle hoogmoedigen ziet en hen vernedert, Job 40:6 en verv.
B. Dat, hoe dreigend deze aanval op Zion en Jeruzalem was, hij toch gewis zal falen, op niets zal uitlopen, dat hij zijn onderneming dus niet zal kunnen volvoeren, vers 16-19.
Merk op:
a. Wie het is, die zijn verderf op zich neemt en er de werker van zal Zijn, niet Hizkia, noch zijn vorsten, noch de krijgsmacht van Juda en Jeruzalem-wat kunnen zij uitrichten tegen zo'n machtig leger-maar God zelf zal het doen, God zelf, als de Heer der heerscharen en als het licht van Israël.
Ten eerste. Wij zijn er zeker van dat Hij het doen kan, want Hij is de Heer der heerscharen, van al de heerscharen van hemel en aarde, al de schepselen zijn tot Zijn dienst, Hij maakt gebruik van hen naar Zijn wil en welbehagen, en legt het bedwang op hen, dat Hij goedvindt. Hij is de Heer der heerscharen beide van Juda en van Assyrië, en kan de overwinning geven aan wie Hij wil. Laat ons de heerscharen niet vrezen van enigerlei vijand, als wij de Heer der heerscharen voor ons hebben.
Ten tweede. Wij hebben reden om te hopen dat Hij het zal doen, want Hij is het licht Israëls en de Heilige. God is licht. In Hem zijn volmaakte helderheid, reinheid en zaligheid. Hij is licht, want Hij is de Heilige, Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid. Hij is Israëls licht, om Zijn volk te leiden en te raden, hen te begunstigen en te ondersteunen, en hen aldus te verblijden en te vertroosten ook in de allerdonkerste tijden. Hij is hun Heilige, Hij is in verbond met hen: Zijn heiligheid is voor hen verpand en wordt voor hen gebruikt. Gods heiligheid is de vertroosting van de heiligen, ze doen dankzegging bij de gedachtenis er aan en met grote blijdschap noemen zij Hem hun Heilige, Habakuk 1:12.
b. Hoe de verwoesting het verderf wordt voorgesteld. Zij zal wezen
Ten eerste. Als een wegtering van het lichaam door ziekte. De Heer zal onder zijn vetten een magerheid zenden. Zijn talrijk leger, dat als een lichaam was, bedekt met vettigheid, zal verminderd worden en wegslinken, als een geraamte worden.
Ten tweede. Als een verteerd worden van gebouwen, of bomen en struiken door vuur. Juist onder hetgeen hij roemt zal Hij een brand ontsteken, die zijn leger zal verwoesten, even plotseling als een brand een statig huis in de as legt. Sommigen zien hierin een toespeling op het vuur, dat onder de offers werd aangestoken want trotse zondaars vallen als offers van de goddelijke gerechtigheid.
Merk op:
1. Hoe dit vuur ontstoken zal worden, vers 17. Dezelfde God, die een verblijdend licht is voor hen, die Hem getrouwelijk dienen, zal een verterend vuur zijn voor hen die met Hem beuzelen, of tegen Hem rebelleren, het licht van Israël zal een vuur zijn voor de Assyriërs, gelijk dezelfde wolkkolom een licht was voor de Israëlieten en een verschrikking voor de Egyptenaren, in de Rode Zee. Wat kan zulk een vuur tegenstaan, wat kan het uitblussen?
2. Welk een verwoesting het zal aanrichten. Het zal zijn doornen en distelen aansteken en verteren, zijn officieren en soldaten, die van weinig waarde zijn, en kwellend zijn voor Gods Israël, zoals doornen en distelen, wier einde is verbrand te worden, en die gemakkelijk en snel door een verterend vuur verbrand worden, Hoofdstuk 27:4. Wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen? Wel ver dat zij het vuur zouden tegenhouden, zullen zij het in vlam zetten. Ik zou door hen heengaan en hen tegelijk verbranden, Hoofdstuk 27:4. Zij zullen op een dag verteerd worden, allen in een ogenblik worden afgesneden, toen zij niet alleen vrede en veiligheid riepen, maar triomf en overwinning, toen is plotseling verderf over hen gekomen, het kwam bij verrassing en was in weinig tijd geheel volbracht. Zelfs de heerlijkheid van zijn bossen, vers 18, de keurbenden van zijn leger, de veteranen, de dapperste regimenten, die hij had, waar hij trots op was en waar hij het meest op rekende, die hij op prijs stelde zoals de mensen prijs stellen op hun kostbaarste bosbomen, de roem van het woud, of op hun vruchtbomen, de roem van hun Karmel, deze zullen als doornen en distelen gesteld worden voor het vuur, zij zullen verteerd worden, beide ziel en lichaam, geheel en al verteerd worden, niet slechts een lid, een lichaamsdeel, zal verbrand worden maar het leven zal weggenomen worden. God is machtig om beide ziel en lichaam te verderven, daarom moeten wij Hem meer vrezen dan de mens die alleen het lichaam kan doden, grote legers zijn voor Hem slechts als grote wouden die Hij kan omhouwen of verbranden als het Hem behaagt.