35. En van de leraars, de voorgangers, die tot den strijd tegen den tiran oproepen, en de leiding in dezen strijd op zich nemen, zullen er sommigen, gelijk in
Vers 33 gezegd is, vallen, om hen (Hebreeën door hen) te louteren en te reinigen, en wit te maken, opdat door hun voorbeeld anderen tot gelijken moed en tot godsvrucht worden opgewekt, terwijl het ook openbaar wordt onder de vervolging, wie het niet oprecht met den Heere en Zijne zaak houden. Doch deze tijd van reiniging is slechts een voorbeeld van de louteringen en reinigingen, die het volk van God nog in de toekomst wachten, en welke door alle eeuwen doorgaan tot den tijd van het einde toe, tot het einde van den tegenwoordigen toestand der wereld, wanneer de gemeente hare door zulke reinigingen bewerkte volkomene reinheid en heiligheid verkrijgt; want het zal nog zijn voor enen bestemden tijd, de vervolging van Antiochus eindigt, maar daarom komt ene andere tot aan het einde, waarvan het volgende handelt.
Zeer opmerkelijk wordt in Vers 34 de overwinning der Makkabeërs ene "kleine hulp" genoemd. Uit de hand van den Antichrist zal het volk daardoor worden gered, dat het in de eeuwige volmaaktheid wordt overgeplaatst, maar de redding uit de hand van Antiochus zal slechts ene tijdelijke, dus ene kleine hulp zijn, terwijl ook na de tijden van Antiochus het volk Gods nog lang in den druk der tijden zal blijven.
Onder het Oude Verbond was ene bijzondere profetie voor den tijd, waarin gene openbaring was, des te noodzakelijker, omdat toen het volk van God in zijn lijden den troost, die ons Christenen is geschonken, namelijk het uitzicht op de onvergankelijke erve in den hemel, nog niet zo volkomen bezat, aan den dood de macht nog niet was ontnomen, en voor den mens de persoonlijke ingang in de hogere wereld van licht en leven nog toegesloten was. De Christelijke gemeente is, wat haren eigenlijken levenskern aangaat, reeds aan den geest dezer wereld ontrukt en in een hemels bestaan overgezet; haar hart en schat, haar wandel en burgerrecht is in den hemel bij haren verheerlijkten Heer, en tevens heeft het kruis van Christus ook het lijden en de beproevingen van dezen tijd eens voor altijd voor haar in het ware Goddelijke licht geplaatst (2 Corinthiërs 4:8, Efeze 2:6. Filippenzen 3:20 Colossenzen 3:1). In `t kort, de betrekking tussen de tegenwoordige en toekomstige wereld, die aan deze zijde en aan gene zijde des grafs is voor degenen, die uit God geboren en reeds nu het eeuwige leven deelachtig zijn, juist het ongekeerde, als voor de vóórchristelijke, ook de Israëlietische mensen. Ook Israël was nog niet geplaatst boven de elementen van den geest der wereld, ook het heiligdom des Ouden Verbonds was nog een aards heiligdom (Galaten 4:3, 9. Hebreeën 9:1); de blik van Israël moest en kon nog niet op de hemelse, maar slechts op de aardse toekomst gevestigd zijn, daar de verschijning op aarde te wachten was van Hem, in wien al de bedoelingen en voorbereidingen Gods onder Zijn volk zouden vervuld worden. Daarom is de kern der Oud-Testamentische profetie ook de leer van het rijk Gods op aarde. Was echter het hart van Israël nog niet in den hemel, zo moest het tegen de aardse verzoekingen des te beter worden gewapend. Was volgens Gods bedoeling het oog van het volk op de aardse toekomst gericht, zo moest ook deze tot op den tijd, dat de Messias op aarde verscheen, zeer nauwkeurig worden ontsluierd. De specialiteit der profetie van aardse lotgevallen moest aanvullen wat op Oud-Testamentischen bodem nog ontbrak aan het uitzicht in de hemelse heerlijkheid. Daarom worden bij Daniël, en wel juist in het tweede door, die op den vóór Christelijken tijd betrekking hebbende, zo bijzonder gedetailleerde voorzeggingen gevonden, veel meer gedetailleerd dan bij Johannes (in de Openbaring), zowel wat de oud-historische feiten als de chronologische bepalingen aangaat. Ten opzichte van het eerste kennen wij de Openbaring van hoofdstuk II over de Syrisch-Egyptische oorlogen met hun slagen, veroveringen, huwelijken en als de profetie, die van de gehele Heilige Schrift het meest tot in bijzonderheden gaat. Niet minder wonderbaar zijn echter ook de chronologische details, zowel wat den tijd van Antiochus (Hoofdstuk 8:14, 12:11, 12) als wat den Messiaansen (Hoofdstuk 9:24) aangaat. Wat het laatste betreft, zijn voor den gehelen tijd tot op de vervulling der jaren, bij de eerste voor den tijd der vervulling zelfs de dagen nauwkeurig opgegeven.
36.
VAN DEN ANTICHRIST, DE LAATSTE TIJDEN, OPSTANDING DER DODEN ENZ.
III. Vers 36-Hoofdst 12:3. gelijk Vers 35 reeds aantoonde, gaat de voorspelling van Antiochus nu over tot zijn tegenbeeld, den Antichrist, en de laatste dingen, die op zijnen val zullen volgen. Vooraf wordt een karakteristiek van den Antichrist gegeven (Vers 36-39), vervolgens wordt over zijne daden en zijne geschiedenis geprofeteerd (Vers 40-45), en ten laatste bericht gegeven van de gevolgen, die zijne verschijning voor het volk van God zal hebben. (Hoofdstuk 12:1-3).