Numeri 21:10-20
Wij hebben hier een bericht van de verschillende tochten van de pleisterplaatsen van de kinderen Israëls, totdat zij aan de vlakten van Moab kwamen, waarvan zij eindelijk over de Jordaan Kanaän binnentrokken, zoals wij in het begin van het boek Jozua zullen lezen. De natuurlijke bewegingen gaan sneller, naarmate zij dichter bij haar middelpunt zijn. En nu verreisden zij, vers 10. Het zou goed zijn indien wij aldus op onze weg naar de hemel meer spoed maakten om hem af te leggen, om hoe dichter wij er bij komen, deste ijveriger en overvloediger te zijn in het werk des Heeren. Twee dingen inzonderheid zijn in het korte bericht van deze tochten opmerkelijk:
1. De grote voorspoed, waarmee God Zijn volk zegende bij de beken van Arnon, vers 13-15. Zij hadden nu het land van Edom, dat zij niet mochten aanvallen, ja zelfs niet mochten verontrusten of lastig vallen, Deuteronomium 2:4, 5, omgetrokken, en waren aan de grenzen van Moab gekomen. Het is gelukkig, dat er meer dan een weg is naar Kanaän. De vijanden van Gods volk kunnen hun tocht daarheen vertragen, maar kunnen hun ingaan tot de beloofde rust niet beletten. Er wordt zorg gedragen om ons te doen weten, dat de Israëlieten op hun tocht stipt en nauwkeurig de orders hebben opgevolgd die God hun gegeven had, om geen vijandelijkheden te plegen tegen de Moabieten, Deuteronomium 2:9, omdat zij de nakomelingen waren van de rechtvaardige Lot, weshalve zij zich aan deze zijde van de Arnon legerden, vers 13, de zijde, die nu in het bezit was van de Amorieten, een van de verbannen volken, hoewel zij vroeger aan Moab had behoord, zoals hier blijkt, vers 26, 27. Deze zorg van hen om geen geweld te plegen jegens de Moabieten wordt lang daarna aangevoerd door Jeftha in zijn protest tegen de Ammonieten, Richteren 11:15 en verv, en als een getuigenis tegen hen gekeerd. Welke krijgsbedrijven zij verrichtten, nu zij aan die rivier Arnon gelegerd waren, wordt ons niet in bijzonderheden meegedeeld, maar wij worden verwezen naar "het boek van de oorlogen des Heeren," het boek wellicht, dat begonnen was met de geschiedenis van de oorlog met de Amalekieten, Exodus 17:14. Schrijft het (zei God) ter gedachtenis in een boek, waarbij nog andere veldslagen, door de Israëlieten geleverd, gevoegd werden, en onder deze hun krijgsbedrijven bij de rivier Arnon, te Waheb in Supha, zoals de kanttekening op de Engelse Bijbelvertaling het heeft, en aan andere plaatsen bij deze rivier. Of, er zal gezegd worden (zoals sommigen de tekst hier lezen) in de gedachtenis van de oorlogen des Heeren, wat Hij gedaan heeft aan de Rode Zee, toen Hij Israël heeft uitgevoerd uit Egypte en wat Hij gedaan heeft aan de beken van Arnon even voordat Hij hen in Kanaän bracht. Bij de herdenking van Gods gunsten jegens ons is het goed er de reeks van na te gaan, en te zien hoe Gods goedheid en genade ons voortdurend hebben gevolgd, van de Rode Zee aan tot aan de beken van Arnon. In ieder tijdperk van ons leven, ja bij iedere stap die wij doen, moeten wij opmerken wat God voor ons gedaan heeft wat Hij toen en toen, en in zulk en zo'n plaats voor ons gedaan heeft moet duidelijk en onderscheidenlijk herdacht worden.
2. De wonderbare voorziening van water waarmee God Zijn volk gezegend heeft te Beer, vers 16. In vers 10 wordt gezegd: zij legerden zich te Oboth, dat flessen betekent, aldus genoemd, omdat zij daar hun flessen met water vulden, om voor enige tijd voorraad te hebben, maar wij kunnen veronderstellen, dat het toen met hen was zoals met Hagar Genesis 21:15. "Het water uit de fles was uit" maar wij bevinden niet dat zij murmureerden, en daarom heeft God in Zijn ontferming over hen, hen tot een waterput gebracht, om hen aan te moedigen om in ootmoed en kalmte op Hem te vertrouwen, en te geloven dat Hij genadig kennis zal nemen van hun behoeften, al klagen zij er ook niet over. In deze wereld legeren wij ons op zijn best te Oboth, waar onze vertroostingen in weinige en bekrompen vaten liggen besloten, als wij in de hemel komen, dan gaan wij naar Beer, de bron des levens, de fontein van levende wateren. Tot nu toe hebben wij gezien dat als zij van water werden voorzien, zij er in onrechtvaardig misnoegen om gevraagd hadden, en dat God het hun in rechtvaardig misnoegen had gegeven, maar hier bevinden wij:
a. Dat God het hun heeft gegeven in liefde, vers 16. Verzamel het volk, om getuige te zijn van het wonder en deelgenoten te zijn in de gunst, zo zal Ik hun water geven. Eer zij vroegen, heeft God gegeven, en is Hij hun voorgekomen met de zegeningen van Zijn goedheid.
b. Dat zij het met vreugde en dankbaarheid hebben ontvangen, waardoor de zegen dubbel lieflijk voor hen werd, vers 17. Toen zongen zij ter ere Gods en ter bemoediging van elkaar dit lied: Spring op, gij put. Aldus bidden zij dat de bron zal ontspringen, want beloofde zegeningen moeten tot ons komen door gebed. Zij verheugen zich er over, dat hij opspringt, en begroeten dit met blij gejuich, wij moeten "met vreugde water scheppen uit de fonteinen des heirs," Jesaja 12:3. Gelijk de koperen slang een type was van Christus, die verhoogd werd tot onze genezing, zo is deze put of bron, een type van de Heilige Geest, die uitgestort is tot onze vertroosting, en uit wie "stromen van levend water vloeien," Johannes 7:38. Ontspringt deze bron in onze ziel? Dan moeten wij daarvan zingen, ons er de vertroosting van toeëigenen en Gode de eer er van geven, wek deze gave op, zing er van. `Spring op, gij put, gij fontein van de hoven, om mijn ziel te bewateren," Hooglied 4:15, pleit op de belofte, die wellicht zinspeelt op deze geschiedenis: "Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten,' Jeremia 41:17, 18.
c. Dat, terwijl tevoren de gedachtenis aan het wonder vereeuwigd werd in de namen, welke aan de plaatsen gegeven werden, en het twisten en murmureren van het volk betekenden, het wonder nu vereeuwigd werd in een loflied, waarin de herinnering bewaard werd aan de wijze, waarop het gedaan werd, vers 18. Gij put, die de vorsten gegraven hebben, de zeventig oudsten waarschijnlijk, door de wetgever, of op aanwijzing van de wetgever, dat is Mozes, onder God, met hun staven, dat is: met hun staven maakten zij kuilen in de losse, zandige grond, en God heeft in de kuilen, die zij gemaakt hebben, het water wonderdadig doen opspringen. Zo hebben lang daarna de vrome Israëlieten, "gaande door het dal van Baca," een dorre en dorstige plaats, putten gemaakt, en God heeft door regen van de hemel die poelen gevuld, Psalm 84:7.
Merk op:
Ten eerste. God beloofde hun water te geven, maar zij moeten de grond openen, om er doortocht aan te geven en het te ontvangen. Gods gunsten moeten verwacht worden in het gebruik van de middelen, die onder ons bereik zijn, maar toch is de uitnemendheid van de kracht Godes.
Ten tweede. De edelen van Israël waren ijverig om hun handen aan dit werk te slaan, en gebruikten hun staven, waarschijnlijk die welke de tekenen waren van hun eer en macht ten dienste van het publiek, en hiervan wordt tot hun eer melding gemaakt. En wij kunnen veronderstellen, dat het gestrekt heeft om hen zeer te bevestigen in hun ambt, en dat het een grote troost was voor het volk, dat zij door de Goddelijke macht gebruikt werden als werktuigen voor deze wonderbare voorziening van water. Hieruit bleek dat de geest van Mozes die weldra moest sterven, enigermate op de edelen van Israël heeft gerust. Mozes heeft niet zelf de grond geslagen, zoals hij vroeger de rots geslagen heeft, maar hij gaf hun de aanwijzing om het te doen, opdat hun staven in de eer zouden delen van zijn staf, en opdat zij de troostrijke hoop zouden koesteren, dat, als hij hen ging verlaten, God hun niet zou verlaten, maar dat ook zij in hun tijd en geslacht tot een zegen zullen zijn, en Gods tegenwoordigheid onder hen zouden kunnen verwachten, zolang zij handelden onder de leiding van de wetgever. Want troost kan alleen verwacht worden in de weg van de plicht, en zo wij Goddelijke blijdschap willen smaken dan moeten wij zorgvuldig de Goddelijke leiding volgen.