Numeri 12:4-9
Mozes was niet vertoornd over de belediging hem aangedaan, hij heeft er zich niet over beklaagd bij God, noch heeft hij enigerlei beroep op Hem gedaan, maar God is er vertoornd om Hij hoort alles wat wij zeggen in onze drift en is een snel getuige van onze haastige woorden, hetgeen een reden is waarom wij vastberaden onze tong in toom moeten houden, teneinde geen kwaad te spreken van anderen en waarom wij geduldig onze oren moeten toestoppen, en er geen acht op moeten geven als anderen kwaad spreken van ons. "Ik hoor niet-"want Gij "zult verhoren," Psalm 38:14-16. Hoe meer wij in onze eigen zaak stil zijn hoe meer God verbonden is haar voor te staan. De onschuldig beschuldigde behoeft weinig te zeggen, als hij weet dat de Rechter zelf zijn pleitbezorger zal wezen.
I. De zaak komt in behandeling, en de partijen worden opgeroepen om terstond aan de deur van de tent van de samenkomst te verschijnen, vers 4, 5. Mozes had zich dikwijls ijverig betoond voor Gods eer, en nu toonde God zich ijverig voor de eer van Mozes, want die God eren zal Hij eren, en nooit zal Hij achterblijven bij hen, die voor Hem ijveren. In oude tijden zaten de rechters in de stadspoort om recht te spreken, en nu stond bij deze gelegenheid de Shechina in de wolk van de heerlijkheid aan de deur van de tent van de samenkomst, en Aäron en Mirjam worden als misdadigers voor de balie geroepen.
II. Aan Aäron en Mirjam werd te kennen gegeven, dat zij, groot als zij waren, toch niet moeten denken Mozes' gelijken te zijn, noch zich als zijn mededingers moeten voordoen, vers 6-8. Waren zij profeten des Heeren? Van Mozes zou in waarheid gezegd kunnen worden: Hij meer.
1. Het was waar dat God zeer veel eer legde op profeten, al hebben de mensen hen bespot en mishandeld, toch waren zij de gunstgenoten des hemels, de vertrouwelingen Gods. God heeft zich aan hen bekend gemaakt, hetzij in dromen als zij sliepen, of door visioenen als zij wakker waren, en door hen heeft Hij zich bekend gemaakt aan anderen. En deze zijn gelukkig, deze zijn groot, waarlijk groot waarlijk gelukkig, aan wie God zich bekendmaakt. Thans doet Hij het niet door dromen en visioenen zoals vanouds, maar door de Geest van de wijsheid en van de openbaring, die aan kinderkens de dingen bekendmaakt, welke koningen en profeten begeerden te zien, en ze niet zien mochten. Vandaar dat in de laatste dagen, de dagen van de Messias, de "zonen en dochteren" gezegd worden te zullen "profeteren" Joël 2:28, omdat zij beter bekend zullen zijn met de verborgenheden van het koninkrijk van de genade, dan zelfs de profeten zelf geweest zijn, zie Hebreeën 1:1,2.
2. Maar de eer, op Mozes gelegd, was veel groter, vers 7. Alzo is Mijn knecht Mozes niet, hij overtreft ze allen. Om Mozes te belonen voor zijn zachtmoedig en geduldig dragen van de beledigingen, door Mirjam en Aäron hem aangedaan, heeft God hem niet slechts gezuiverd, maar geprezen, en die gelegenheid gebruikt om hem een lof toe te kennen, die in de geschiedenis tot zijn onsterflijke eer vermeld blijft, en zo zullen zij, die gesmaad en vervolgd worden om van de gerechtigheid wil, een groot loon hebben in de hemel, Christus zal hen belijden voor Zijn Vader en de heilige engelen.
A. Mozes was een man van grote oprechtheid en beproefde trouw. Hij is in Mijn gehele huis getrouw. Dit wordt het eerst genoemd in zijn hoedanigheden, omdat genade hoger is dan gaven of talenten, liefde is meer en hoger dan kennis, en oprechtheid in de dienst van God geeft de mens grotere eer en beveelt hem meer aan in de gunst Gods, dan geleerdheid, diepzinnige bespiegeling en de bekwaamheid om in vreemde talen te spreken. Dit is dat gedeelte van Mozes' karakter, dat de apostel aanhaalt als hij wil aantonen dat Christus groter is dan Mozes, want Mozes was slechts getrouw als een dienstknecht, maar Christus als de Zoon, Hebreeën 3:2, 5, 6. God heeft het aan Mozes toevertrouwd om in alles Zijn wil aan Israël bekend te maken, Israël heeft het hem toevertrouwd om voor hen met God te handelen, en aan beide was hij getrouw. In de behandeling van de grote zaak zei en deed hij alles wat aan een eerlijk Godvruchtig man betaamde, die niets anders op het oog had dan de ere. Gods en Israëls welzijn.
B. Mozes werd daarom geëerd met helderder openbaringen van Gods wil en met inniger gemeenschap met God dan ieder ander profeet. Hij zal:
a. Meer dan enig ander profeet van God horen, helderder en duidelijker: "Van mond tot mond spreek Ik met hem of, van aangezicht" "tot aangezicht" Exodus 33:11," gelijk een man met zijn vriend spreekt", vrij en gemeenzaam, zonder verwarring of verschrikking als die, waaronder andere profeten soms geweest zijn, zoals Ezechiël en Daniël en zelfs Johannes, als God met hen sprak. Door andere profeten heeft God aan Zijn volk bestraffingen gezonden, en voorzeggingen van goed of kwaad, en die boodschappen Gods werden goed genoeg overgebracht in duistere bewoordingen, in beelden, en typen, en gelijkenissen, maar door Mozes heeft Hij aan Zijn volk wetten gegeven, en de inrichting van heilige inzettingen, die volstrekt niet in duistere bewoordingen overgebracht konden worden, maar in de duidelijkste en meest verstaanbare taal bekend gemaakt moesten worden.
b. Hij zal meer dan enig ander profeet van God zien, de gelijkenis des Heeren zal hij aanschouwen, zoals hij haar gezien heeft op Horeb, toen God Zijn naam voor hem uitriep. Toch zag hij slechts de gelijkenis des Heeren, engelen en verheerlijkte heiligen zien altijd het aangezicht onzes Vaders. Mozes bezat de geest van de profetie op een hem eigen wijze, die hem ver boven alle andere profeten stelde, en toch is de minste in het koninkrijk van de hemelen meerder dan hij, en nog veel meer wordt hij door onze Heere Jezus overtroffen, Hebreeën 3:1 en verv.
Laat nu Mirjam en Aäron eens bedenken wie het was, die zij beledigden. Waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? Hoe durft gij een dienstknecht van Mij beledigen, inzonderheid een dienstknecht als Mozes, die een vriend, een vertrouweling, een bezorger is van het huis?" Hoe durfden zij spreken tot smart en smaad van iemand, tot wiens lof God zoveel te zeggen heeft? Konden zij niet verwachten dat God er vertoornd om zou wezen, het als een belediging van Hemzelf zou beschouwen? Wij hebben reden om bevreesd te zijn om iets tegen de dienstknechten van God te zeggen of te doen, het is op ons gevaar zo wij het doen want God zal hun zaak verdedigen, en Hij acht dat wie hen aanraakt Zijn oogappel aanraakt. Het is gevaarlijk Christus' kleinen te ergeren, Mattheus 18:6 Diegenen zijn inderdaad wel verwaand en vermetel, die niet schromen de heerlijkheden te lasteren, 2 Petrus 2:10.
III. Nadat God hun aldus hun verkeerdheid en dwaasheid onder het oog had gebracht toonde Hij hun daarna Zijn misnoegen, vers 9. Zo ontstak des Heeren toorn tegen hen, waarvan misschien merkbare tekenen werden gegeven in de kleur van de wolk of misschien in bliksemstralen, die er uit kwamen. Maar het was inderdaad aanduiding genoeg van Zijn ongenoegen, dat Hij wegging, en niet eens hun verontschuldiging wilde aanhoren, want dat had Hij niet nodig, Hij verstond van verre hun gedachten, en aldus wilde Hij tonen dat Hij misnoegd was. Het wegnemen van Gods tegenwoordigheid onder ons is het stelligste en treurigste teken van Gods misnoegen op ons. Wee ons als Hij heengaat, en Hij gaat nooit heen, vóór wij Hem door onze zonde en dwaasheid van ons wegdrijven.