2 Kronieken 24:15-27
Wij hebben hier een treurig bericht van de ontaarding en de afval van Joas. God had grote dingen voor hem gedaan, hij had iets gedaan voor God, maar hij bleek ondankbaar te zijn aan zijn God, en ontrouw aan de verbintenissen, die hij had aangegaan. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hier zien wij:
I. Wat de aanleiding was van zijn afval. Toen hij deed wat recht was was het niet met een volkomen hart, hij is nooit oprecht geweest, heeft nooit uit beginsel gehandeld, maar uit inschikkelijkheid voor Jojada, die hem aan de kroon had geholpen, en omdat hij beschermd was geweest in de tempel en verhoogd werd op de puinhopen van afgoderij. En daarom toen de wind veranderde, draaide hij met de wind.
1. Zijn goede raadsman werd hem door de dood ontnomen. Het was een zegen voor hem en zijn rijk, dat Jojada zolang heeft geleefd, honderd en dertig jaren oud is geworden, vers 15.
Hieruit blijkt dat hij in Salomo's tijd werd geboren, en reeds onder zes vorige regeringen had geleefd. Het was een bemoediging voor Joas om voort te gaan op de goeden weg, waarin Jojada hem had opgevoed, te zien welke eer aan Jojada werd aangedaan in zijn dood, zij begroeven hem onder de koningen, met deze eervolle lofspraak, die misschien een deel was van het opschrift op zijn grafsteen, dat hij goed had gedaan in Israël.
Juda wordt Israël genoemd, omdat zij alleen, daar de andere stammen van God waren afgevallen, waarlijk Israëlieten waren. Het is de grootste eer om goed te doen in ons geslacht, en zij, die doen wat goed is, zullen er de lof voor hebben.
Hij had Gode goed gedaan, niet dat de goedheid van enigen mens tot Hem kan raken, maar had Zijn huis goed gedaan door de tempeldienst te herstellen, Hoofdstuk 23:8.
Diegenen doen het grootste goed aan hun land, die zich in hun plaats ten koste geven om de Godsdienst te bevorderen. Zo heeft dan Jojada met eer zijn loop voleindigd, maar in zijn graf werd al het weinigje Godsdienst, dat Joas had, begraven, en na zijn dood zijn beide koning en koninkrijk ellendig ontaard.
Zie hoeveel een man vermag in stand te houden, en hoe groot een oordeel de dood van Godvruchtige, ijverige, zegenrijke mannen is voor een vorst en een volk.
Zie hoe noodzakelijk het is dat wij, gelijk onze Heiland zegt, "zout hebben in onszelf", opdat wij in de Godsdienst handelen uit een innerlijk beginsel, dat ons door alle veranderingen heen zal helpen. Dan zal het verlies van een ouder, een leraar, een vriend, niet het verlies van onze Godsdienst tengevolge hebben.
2. Slechte raadslieden, die om hem heen waren gekomen, wisten zich bij hem in te dringen, door hem te vleien-zij bogen zich voor hem neer zijn genegenheid te winnen, en inplaats van hem hun rouwbeklag te doen over de dood van zijn ouden voogd en leermeester, wensten zij er hem geluk mede, als een verlossing van de tucht, waaronder hij zolang geweest was, een tucht, een koning onwaardig. Zij zeggen hem dat hij zich nu niet langer door priesters moest laten regeren, hij is nu ontslagen van alle banden en bedwang, hij is zijn eigen heer en meester en kan doen wat hem behaagt, en-zou men het geloven? -het waren de vorsten van Juda, die zich zo beijverden om hem te verleiden en te verderven, vers 17.
Zijn vader en zijn grootvader werden verdorven door het huis van Achab, waarvan niets beters verwacht kon worden, maar zeer treurig was het, dat de vorsten van Juda de verleiders zijn van hun koning. Maar zij, die zich neigen naar de weg van de goddelozen, zullen nooit aan goddeloze raadgevers gebrek hebben. Zij bogen zich neer voor de koning, vleiden hem zodat hij een hoge dunk kreeg van zijn absolute macht, beloofden hem hem te zullen bijstaan om zijn koninklijke wil en welbehagen tot wet te maken, hoe die ook mocht indruisen tegen de wet en de inzettingen Gods. En hij luisterde naar hen, hun redeneringen behaagden hem, waren hem aangenamer, meer naar de zin, dan Jojada's bevelen hem plachten te wezen.
Vorsten, en ook mindere personen, zijn menigmaal aldus gevleid geworden tot hun verderf door hen, die hun vrijheid en waardigheid voorspiegelden, maar hen in werkelijkheid tot de grootste schande en zwaarste slavernij hebben gebracht.
II. De afval zelf, vers 18. Zij verlieten het huis des Heeren, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden. De vorsten hebben waarschijnlijk een verzoek gedaan aan de koning, dat zij zeggen zij, hem niet durfden doen terwijl Jojada nog leefde, maar nu hopen zij dat het geen ergernis zal geven, het is: dat het hun vergund moge zijn de bossen en afgoden weer op te richten, die in het begin van zijn regering nedergeworpen waren, want zij haten het om altijd beperkt te blijven tot de somberen, ouderwetsen eredienst in de tempel. En hij gaf hun niet slechts verlof om dit te doen, maar hij verenigde zich met hen er in.
De koning en de vorsten, die enige tijd geleden de tempel herstelden, verlieten nu de tempel, die de bossen en afgoden hadden nedergeworpen, dienden ze nu. Zo onstandvastig is de mens, en zo weinig verbouwen kan er in hem gesteld worden.
III. De verzwaringen van die afval, en de schuld, die er nog aan toegevoegd werd. God zond profeten onder hen, vers 19, om hen te bestraffen voor hun goddeloosheid, en hun te zeggen wat er het einde van zou wezen, en hen aldus tot de Heere te doen wederkeren.
Het is het werk van de leraren, om de mensen niet tot hen, maar tot God te brengen, hen tot Hem te doen wederkeren, die van Hem afgehoereerd hebben. In de meest ontaarde tijden heeft God zich niet onbetuigd gelaten, hoewel zij zeer onoprecht met God hadden gehandeld, heeft Hij hun toch profeten gezonden, om hen van zonde te overtuigen en te onderwijzen, en hun de verzekering te geven dat zij gunst bij Hem zullen vinden, indien zij tot Hem wilden wederkeren, want Hij wil liever dat de zondaars zich bekeren en leven dan dat zij zullen voortgaan op de weg van de zonde en sterven, en zij die omkomen, zullen zonder verontschuldiging gelaten worden.
De profeten deden hun plicht, zij betuigden tegen hen, maar geen of weinigen hebben hun getuigenis aangenomen. 1. Zij minachtten al de profeten, zij neigden de oren niet, zij waren zo verzot op hun afgoden, dat geen bestraffing, geen waarschuwing, geen bedreiging, geen van de verschillende methoden door de profeten aangewend, hen kon terugbrengen van hun bozen weg Weinigen wilden naar hen luisteren, nog minderen sloegen acht op hen, en nog veel kleiner was het getal van hen, die hen wilden geloven of zich door hen wilden laten leiden.
2. Zij doodden een van de uitnemendsten van hen, Zacharia, de zoon van Jojada, en misschien nog anderen. Betreffende hem hebben wij te letten op:
A. De boodschap, die hij hun in de naam van God gebracht heeft, vers 20. Het volk was vergaderd in het voorhof van de tempel (want zij hadden hem nog niet geheel verlaten) waarschijnlijk bij het een of ander plechtig feest, toen deze Zacharia, vervuld zijnde van de geest van de profetie en waarschijnlijk bekend staande als profeet, opstond in het voorhof van de priesters en het volk zeer duidelijk, maar zonder verbitterende taal te gebruiken, hun zonde voorhield, en hun zei wat er de gevolgen van zijn zouden. Hij brengt geen beschuldiging in tegen een bepaald persoon, voorzegt ook geen bijzonder oordeel, zoals de profeten soms gedaan hebben, maar op zo onaanstotelijke wijze als het hem slechts mogelijk was, herinnerde hij hen aan hetgeen in de wet was geschreven. Laat hen slechts hun Bijbel openslaan, en daar zullen zij:
a. Het gebod vinden dat zij overtreden hebben: " Waarom overtreedt gij de geboden des Heeren? Gij weet dat gij die overtreedt door de bossen en de afgoden te dienen, waarom wilt gij aldus God beledigen en uzelf kwaad doen?"
b. De straf, waaraan zij zich blootstelden: "Gij weet dat gij, zo het woord van God waar is, niet voorspoedig kunt zijn op die bozen weg, verwacht toch niet kwaad te kunnen doen en wèl te varen. Neen, gij bevindt reeds dat, omdat gij de Heere verlaten hebt, Hij u verlaten heeft, gelijk Hij gezegd heeft dat Hij doen zal, Deuteronomium 29:25, 31:16-17. Dat is het werk van leraren, zij moeten door het woord van God als een lamp en een licht de mensen hun zonde ontdekken en de leidingen van Gods voorzienigheid verklaren.
B. De wrede behandeling, die zij hem aandeden voor zijn vriendelijkheid en trouw in hun deze boodschap over te leveren, vers 21.
Door de verbintenis van de vorsten of door sommigen van hun partij tegen hem, en door het gebod des konings, die zich beledigd achtte door deze eerlijke waarschuwing, hebben zij hem onmiddellijk gestenigd, niet onder schijn van wet, hem beschuldigende een Godslasteraar, een verrader of een valse profeet te zijn maar in een volksoploop in het voorhof van het huis des Heeren, even ontzettend een goddeloosheid als waarvan wij misschien in geheel de geschiedenis van de koningen gelezen hebben.
De persoon was heilig, een priester, de plaats was heilig, het voorhof van de tempel, het binnenste voorhof, tussen het voorportaal en het altaar, de boodschap was nog heiliger, wij hebben reden te geloven dat zij wisten, dat zij van de geest van de profetie kwam, de bestraffing was rechtvaardig, de waarschuwing getrouw, beide ondersteund door de Schrift, de wijze van overbrengen van de boodschap zeer zacht en liefdevol, en toch hebben zij zo onbeschaamd en vermetel God zelf getrotseerd, dat niets minder dan het bloed van de profeet hun toorn kan stillen wegens de profetie. Ontzet u hierover, gij hemelen, en beef, gij aarde, dat ooit zo'n snoodheid bedreven is geworden door mensen, door Israëlieten, in minachting en verkrachting van alles wat rechtvaardig, eerlijk en heilig is! Dat een koning, een koning in verbond met God, de moord zou bevelen van een man, die hij door zijn ambt verplicht was te beschermen en te steunen! De Joden zeggen: hier weren zeven overtredingen in, want zij doodden een priester, een profeet, een rechter, zij vergoten onschuldig bloed, verontreinigden het voorhof van de tempel, ontwijdden de Sabbat en de groten verzoendag, want volgens hun overlevering is dit op die dag geschied.
C. De verzwaring van deze zonde, hierin gelegen, dat deze Zacharia, die het martelaarschap onderging om zijn getrouwheid aan God en zijn land, de zoon was van Jojada, die zoveel goed had gedaan in Israël en voor Joas inzonderheid een vader was geweest, vers 22.
Op de belediging, hiermede aan God aangedaan, en de minachting betoond aan de Godsdienst, wordt niet zo nadrukkelijk gewezen als op de ondankbaarheid jegens de nagedachtenis van Jojada, die er in was gelegen. Hij gedacht niet van de weldadigheid van de vader, maar doodde de zoon, omdat deze zijn plicht deed, deed wat zijn vader gedaan zou hebben, indien hij daar ware geweest. Noem een man ondankbaar, en gij kunt hem geen slechter benaming geven.
D. De stervende martelaar profetische inroeping over zijn moordenaars: De HEERE zal het zien en zoeken! vers 22. Dit kwam niet voort uit een geest van wraakzucht maar uit de geest van de profetie, Hij zal het zoeken. Dat zal het voortdurend roepen zijn van het bloed, dat zij vergoten, zoals Abels bloed tegen Kaïn geroepen heeft: "Laat God wiens de wrake is, bloed voor bloed eisen.' Hij zal het doen, want Hij is rechtvaardig. Voor dit kostelijke bloed werd spoedig afrekening gehouden in de oordelen, die over deze afvalligen vorst zijn gekomen, later werd het ook in rekening gebracht in de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeën, hun mishandelen van de profeten was hetgeen een verderf over hen bracht, waaraan geen helen was, Hoofdstuk 36:16, ja meer, onze Heiland stelt de vervolgers van Hem en Zijn Evangelie verantwoordelijk voor het bloed van deze Zacharia, zo luid en zo lang is het roepen van het bloed van de martelaren, zie Mattheus 23:25.
Aldus is ook het geroep van de zielen onder het altaar, Openbaring 6:10 : "Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerser! oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet?" Want het zal niet altijd ongewroken blijven.
Eindelijk. De oordelen Gods, die over Joas wegens deze zijn verzwarende goddeloosheid gekomen zijn.
1. Een klein leger van Syriërs maakte zich meester van Jeruzalem, zij verdierven de vorsten des volks, plunderden de stad en zonden de buit naar Damascus, vers 23, 24. Zolang Gods volk zich aan God hield, zijn zij dikwijls overwinnaars geweest over vijandelijke legers die hen verre in. aantal overtroffen, terwijl nu een onbeduidende handvol van Syriërs een zeer groot heir van Israëlieten versloeg, omdat zij de Heere, de God hunner vaderen, hadden verlaten, toen waren zij niet slechte op gelijke voet gesteld met hun vijanden, maar waren zij volstrekt niet tegen hen opgewassen, want hun God was niet slechts van hen geweken, maar was hun in een vijand verkeerd, en Hij streed tegen hen. De Syriërs, werden gebruikt als werktuigen in Gods hand, om Zijn oordelen uit te voeren tegen Joas, hoewel zij dit weinig dachten, Jesaja 10:6, 7 , zie ook Deuteronomium 32:30. 2. God sloeg hem met zware ziekte van lichaam of van ziel, of van beide, hetzij zoals zijn grootvader, Hoofdstuk 21:18, of dat hij, evenals Saul, door een bozen geest Gods verschrikt werd, Toen hij geplaagd werd door de Syriërs, dacht hij dat het hem, zo hij slechts van deze verlost was, wel goed zou gaan, maar eer zij hem verlieten sloeg God hem met ziekte. Als de wraak de mensen vervolgt, dan is het einde van de ene benauwdheid het begin van een andere.
3. Zijn eigen dienaren maakten een verbintenis tegen hem. Misschien begon hij reeds de hoop te koesteren van zijn ziekte genezen te worden, hij was een man van nog slechts middelbaren leeftijd, en zou nog wel kunnen herstellen, maar die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden.
Toen hij aan de dood door ziekte dacht te ontkomen, vond hij de dood door het zwaard, zij doodden hem op zijn bed, om het bloed van de zonen van de priester Jojada. Het schijnt dus dat hij niet alleen Zacharia, maar om zijnentwil ook andere zonen van Jojada gedood heeft.
Misschien hebben zij bedoeld dat bloed te wreken, maar het was in ieder geval wat God bedoeld heeft door het toe te laten. Aan hen, die het broed van de heiliger drinken, zal hun eigen bloed te drinken worden gegeven, want zij zijn het waardig.
De koningsmoordenaars worden hier genoemd, vers 26, en het is opmerkelijk dat de moeders van beide vreemdelingen waren, de ene een Moabietische, de andere een Ammonietische. De afgodische koningen hebben waarschijnlijk deze huwelijken gesteund en bevorderd, die door de wet verboden waren ter voorkoming van afgoderij, en zie hoe zij op hun eigen verderf uitliepen.
4. Zijn volk wilde hem niet begraven in de graven van de koningen, omdat hij door zijn slechte regering zijn eer had bezoedeld, "laat hem met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden", Psalm 69:29
Deze oordelen worden de last genoemd, die hem was opgelegd, vers 27,, want de toorn Gods is een zware last, te zwaar voor enigen mens om hem te dragen. Het kan ook bedoeld zijn van bedreigingen, die tegen hem uitgesproken werden door de profeten want die worden lasten genoemd. Gewoonlijk plaatst God een bijzonder teken van Zijn misnoegen op afvalligen in dit leven, ter waarschuwing aan allen om te gedenken aan de vrouw van Lot.