Genesis 8:20-22
Hier is:
I. Noach's dankbare erkentenis van Gods gunst jegens hem in de voltooiing van de zegen van zijn redding, vers 20.
1. Hij bouwde een altaar. Totnutoe had hij niets gedaan zonder bijzondere instructies en bevelen van God. Hij had een bijzondere aanwijzing gehad om in de ark te gaan, en een andere om er van uit te. gaan, maar dewijl altaren en offeranden reeds een Goddelijke instelling waren voor de Godsverering, heeft hij niet gewacht op een bijzonder gebod om aldus uitdrukking te geven aan zijn dankbaarheid. Zij, die genade van God hebben verkregen, behoren ijverig te wezen om Hem hun dank er voor te brengen, en dit te doen niet uit bedwang, maar gewillig. God heeft een welbehagen in vrijwillige offeranden. Noach was nu uitgevoerd in een koude, verwoeste wereld, waar, naar men zou denken, zijn eerste zorg geweest moet zijn zich een huis te bouwen, maar zie, hij begint met een altaar voor God. God, die de eerste is, moet het eerst bediend worden, en wie met God begint begint goed.
2. Hij offerde brandoffers op zijn altaar van al het reine vee en het rein gevogelte een, het oneven zevende, waarvan wij lazen in Hoofdstuk 7:2, 3.
Merk hier op:
a. Hij offerde alleen reine dieren, want het is niet genoeg dat wij offeren, wij moeten offeren hetgeen God verordineerd heeft overeenkomstig de wet van de offeranden en niet iets, dat verdorven is.
b. Hoewel zijn veestapel zo klein was, en ten koste van zo grote zorg en moeite van het verderf gered was, heeft hij toch niet met morren of tegenzin aan God het Zijne er van gegeven. Hij zou gezegd kunnen hebben: "Heb ik slechts zeven schapen om er de wereld mee te beginnen, en moet nu nog een van die zeven geslacht worden ten brandoffer? Zou het niet beter zijn om hiermede te wachten, totdat wij ruimer voorzien zijn?" Neen, om de oprechtheid van zijn liefde en dankbaarheid te bewijzen geeft hij blijmoedig het zevende aan zijn God als erkenning dat alles het Zijne is, dat hij aan Hem alles verschuldigd is. God te dienen met het weinige, dat wij hebben, is het middel om het weinige veel te maken, en nooit moeten wij verspild achten, waarmee God geëerd wordt.
c. Zie hier de hoge oudheid van de Godsdienst: het eerste, dat wij in de nieuwe wereld zien doen, is een daad van Godsverering Jeremia 6:16. Wij moeten thans onze dankbaarheid te kennen geven, niet door brandoffers, maar door de offeranden des lofs, en de offeranden van de gerechtigheid door oefening van de Godsvrucht en een Godzalige wandel.
II. Gods genadig welbehagen in Noach's dankbaarheid. In de patriarchale tijd was het een gevestigde regel: Zult gij, indien gij wel doet niet aangenomen worden? Hoofdstuk 4:7. Noach deed wel, en was aldus aangenomen, dat is: God had een welbehagen in hem.
1. God had een welbehagen in zijn daad, vers 21. Hij rook die lieflijke reuk, of een reuk van de ruste, zoals er staat in het Hebreeuws. Gelijk Hij, nadat Hij in den beginne de wereld gemaakt heeft, op de zevende dag heeft gerust en zich heeft verkwikt, zo heeft Hij, nu Hij de wereld opnieuw gemaakt heeft, gerust en zich verkwikt in het offer van het zevende. Hij had een welbehagen in Noach's vrome ijver en dit hoopgevende begin van de nieuwe wereld, zoals mensen een welbehagen hebben in aangename welriekende geuren. Zijn offerande was wel klein, maar zij was overeenkomstig zijn vermogen, en God nam haar aan. Na Zijn toorn te hebben doen rusten op de wereld van de zondaren, deed Hij hier op het kleine overblijfsel van gelovigen Zijn liefde rusten.
2. Hierop nam Hij het besluit om de wereld nooit meer door water te laten verdelgen. Hierin had Hij het oog, niet zozeer op Noach's offerande, als wel op de offerande van Christus zelf, die er door afgeschaduwd en vertegenwoordigd werd, en die in waarheid een offerande en slachtoffer Gode tot een welriekender reuk is geweest, Efeze 5:2. Er wordt hier een goede waarborg gegeven, waarop wij gerust kunnen steunen en bebouwen:
a. Dat dit oordeel nooit herhaald zal worden. Noach zou kunnen denken: Met welk doeleinde zal de wereld hersteld worden, als zij toch naar alle waarschijnlijkheid om haar boosheid op dezelfde wijze verwoest zal worden?" neen", zegt God, "dat zal nooit meer geschieden. In Hoofdstuk 6-6 werd gezegd: Het berouwde de Heere, dat Hij de mens gemaakt had, en hier is het, alsof het Hem berouwde, dat Hij de mens verdelgd had, maar noch daar, noch hier wordt er een verandering van zin mee bedoeld, maar wèl een verandering in Zijn wijze van doen. "Het zal Hem over Zijn knechten berouwen," Deuteronomium 32:36. Zijn besluit wordt op tweeërlei wijze uitgedrukt:
a.a. Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken, in het Hebreeuws: Ik zal niet toevoegen om de aardbodem te vervloeken. God had de aardbodem vervloekt bij het eerste inkomen van de zonde. Hoofdstuk 3:17, toen Hij hem door de watervloed verwoestte, heeft Hij aan die vloek toegevoegd, maar nu besluit Hij om er nooit meer aan toe te voegen.
bb. En Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, dat is: het besluit was genomen, dat God, welk verderf Hij ook over bijzondere personen, of geslachten, of landen brengen zou toch nooit meer de gehele wereld zal verderven vóór de dag komt, wanneer er geen tijd meer zijn zal. Maar de reden van dit besluit is zeer verrassend, want het schijnt dezelfde reden te zijn, die gegeven is voor de verwoesting dier wereld, Hoofdstuk 6:5. Want het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan. Maar er is dit verschil: daar werd gezegd: het gedichtsel van de gedachten zijns harten is te allen dage boos, voortdurend boos, dat is: zijn overtredingen roepen voortdurend tegen hem." Hier wordt gezegd: het is boos van zijn jeugd aan, of zijn kindsheid, aan. De boosheid zit hem in het bloed, hij bracht haar met zich in de wereld, hij is er in ontvangen en geboren. Nu zou men denken, dat hierop moet volgen: Daarom moet dat schuldig geslacht geheel en al uitgeroeid worden, Ik zal er een voleinding mee maken". Neen: "Daarom zal Ik die strenge methode niet meer volgen, want:
Ten eerste. Hij is veeleer te beklagen, want het is alles de uitwerking van de inwonende zonde, en van zo'n ontaard geslacht was niet anders te wachten, van de moederschoot af is hij een overtreder genaamd. en daarom is het niet vreemd, dat hij zo verraderlijk handelt", Jesaja 48:8. Aldus gedenkt God dat hij vlees is, verdorven en zondig Psalm 78:39.
Ten tweede. "Hij zou geheel en al verdelgd worden, want indien er met hem gehandeld werd naar hetgeen hij verdient, dan zou de ene watervloed op de andere moeten volgen, totdat allen omgekomen zijn." Ziehier: 1. Dat uitwendige oordelen wèl de mensen kunnen verschrikken en in bedwang houden, maar op zichzelf hen niet kunnen heiligen of vernieuwen, Gods genade moet medewerken met deze oordelen. De natuur des mensen was even zondig na de zondvloed als vóór de zondvloed.
2. Dat de boosheid van de mensen de goedheid Gods des te meer doet uitkomen, Zijn redenen tot barmhartigheid zijn alle ontleend aan Hemzelf, niet aan iets dat in ons is.
b. Dat de gewone loop van de natuur nooit zal ophouden, vers 22. Voortaan, zolang de aarde bestaat en de mens er op bestaat, zullen zomer en winter zijn, niet enig en alleen winter, zoals het in het laatste jaar was, dag en nacht, niet geheel en alleen nacht, zoals het waarschijnlijk was toen de regen zonder ophouden neerkwam. Hier wordt nu duidelijk te kennen gegeven, dat deze aarde niet altijd zal duren, zij en alle werken, die er in zijn, zullen weldra verbranden, en wij verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, als alle dingen ontbonden zullen zijn. Maar, zolang zij nog bestaat, zal Gods voorzienigheid zorgvuldig de geregelde opvolging van de tijden en seizoenen in stand houden, en elk zijn plaats doen behouden. Hieraan zijn wij het verschuldigd, dat de wereld bestaat en het rad van de natuur in zijn spoor blijft. Zie hier hoe veranderlijk de tijden zijn, en toch ook hoe onveranderlijk.
Ten eerste. De loop van de natuur verandert steeds. Gelijk het is met de tijden zo is het ook met de gebeurtenissen van de tijd, zij zijn aan wisselvalligheden onderworpen, dag en nacht, zomer en winter, wisselen elkaar af. In de hemel en in de hel is dit niet zo, maar op aarde heeft God het een tegenover het andere gesteld.
Ten tweede. Toch verandert zij niet, zij is standvastig in haar onstandvastigheid. Deze jaargetijden hebben nooit opgehouden, en zullen nooit ophouden, zolang de zon zo'n gestadige aanwijzer blijft van de tijd, en de maan zo'n getrouwe getuige aan de hemel. Dit is Gods verbond van dag en nacht, waarvan de vastigheid vermeld wordt ter bevestiging van ons geloof in het verbond van de genade, dat niet minder onverbreekbaar is, Jeremia 33:20. Wij zien, dat Gods beloften aan de schepselen vervuld zijn, en daaruit kunnen wij afleiden, dat ook aan alle gelovigen Zijn beloften vervuld zullen worden.