Spreuken 23:19-28
Hier is goede raad voor ouders om aan hun kinderen te geven, er worden hun woorden in de mond gelegd, opdat zij hen leren de weg, die zij te gaan hebben. Wij hebben hier:
I. Een ernstige roepstem tot jonge lieden, om naar de raad van hun Godvruchtige ouders te luisteren, niet alleen naar dezen, die hier gegeven is, maar naar alle andere nuttig onderricht. Hoor gij, mijn zoon, en word wijs, vers 19. Dit zal een blijk zijn dat gij wijs zijt, en een middel om u wijzer te doen worden." Evenals geloof is wijsheid uit het gehoor. En wederom, vers 22 : Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft, en die daarom gezag over u heeft, en genegenheid voor u heeft, en geen andere bedoeling heeft dus kunt gij zeker zijn van uw welzijn." -Wij behoren de vaders van ons lichaam te ontzien, die ons gewonnen hebben en de oorzaken waren van ons bestaan, veel meer behoren wij de Vader van de geesten te gehoorzamen en Hem onderworpen te zijn, die ons gemaakt heeft en die de oorsprong is van ons bestaan. En daar ook de moeder uit besef van plicht tegenover God en uit liefde voor haar kind hem goed onderricht geeft, zo laat hem haar niet verachten als zij oud geworden is. Wij kunnen veronderstellen dat als de moeder oud is geworden, de kinderen volwassen zijn, maar laat hen niet denken dat zij nu geen onderricht meer nodig hebben zelfs van haar niet, maar haar veeleer eren en achten wegens de veelheid van haar jaren en de wijsheid, die zij leren. Spottende, onbeschaamde jonge lieden kunnen misschien de spot drijven met de goede raad van een bejaarde moeder en denken dat het voor hen van generlei belang is wat een oude vrouw zegt, maar de zodanigen zullen op een andere dag zeer veel te verantwoorden hebben, niet alleen omdat zij goede raad voor niets geteld hebben maar omdat zij een goede moeder gering hebben geacht en haar gegriefd hebben, Hoofdst. 30:17.
II. Een argument om aan deze roepstem kracht bij te zetten, ontleend aan de grote troost, die dit voor hun ouders zijn zal, vers 24, 25. Het is de plicht van kinderen om er zich op toe te leggen het hart van hun ouders te verheugen, en dit al meer en meer te doen zodat zij zich grotelijks in hen verblijden zelfs als de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke zij zeggen zullen: wij hebben geen lust in dezelf, behalve dit: dat zij zien dat hun kinderen zich goed gedragen, zoals Barzillai om Chimham bevorderd te zien. Kinderen zullen een vreugde voor hun ouders wezen als zij rechtvaardig en wijs zijn. Rechtvaardigheid is ware wijsheid, zij die goed doen doen ook goed voor zichzelf. Diegenen zijn volkomen zoals zij behoren te wezen, die niet alleen wijs, kundig en geleerd zijn, maar rechtvaardig zijn, eerlijk en goed, en niet alleen rechtvaardig, nauwgezet van geweten en welmenend zijn, maar wijs, voorzichtigen bedachtzaam zijn in het bestuur over zichzelf. Als zodanig de kinderen zijn, inzonderheid als al de kinderen zo zijn, dan zullen de vader en de moeder blij wezen, niets te veel achten van hetgeen zij voor hen gedaan hebben of nog voor hen doen, zij zullen behagen in hen hebben, en God voor hen danken, inzonderheid zij, die hen met smart gebaard heeft, en hen met smarten opgevoed heeft, zal zich in hen verheugen en zich wel beloond achten, en de smart zal meer dan vergeten zijn, omdat een wijs en goed man er het voortbrengsel van is, die een zegen is voor de wereld, waarin hij geboren werd.
III. Enige algemene voorschriften van wijsheid en deugd.
1. Richt uw hart op de weg, vers 19. Het is het hart, waarvoor gezorgd moet worden, dat recht moet worden bestuurd. De bewegingen en neigingen van de ziel moeten naar goede voorwerpen uitgaan en onder een gestadige leiding zijn. Als het hart gericht is op de weg, dan zullen de gangen gericht wezen, en zal de wandel wel geordend zijn.
2. Koop de waarheid, en verkoop haar niet, vers 23. Waarheid is hetgeen, waardoor het hart geleid en bestuurd moet worden, want zonder waarheid is er geen goedheid, geen geregelde praktijken zonder rechte beginselen. Het is door de kracht van de waarheid, gekend en geloofd, dat wij moeten teruggehouden worden van zonde en gedrongen tot onze plicht, het verstand moet goed ingelicht zijn door wijsheid en onderricht. En daarom:
a. Moeten wij haar kopen, gewillig zijn om van alles afstand te doen ten einde haar te verkrijgen. Hij zegt niet tot welke prijs wij haar moeten kopen, want wij kunnen er niet te veel voor betalen, maar moeten haar hebben tot elke prijs, wat zij ons ook moge kosten, nooit zullen wij spijt hebben van die koop. Als wij grote onkosten doen om de middelen van de kennis te verkrijgen, en vast besloten zijn zo goed een zaak niet te beknibbelen, dan kopen wij de waarheid. Rijkdom behoort gebruikt te worden voor het verkrijgen van kennis, veeleer dan dat kennis gebruikt moet worden om rijkdom te verkrijgen. Als wij ons moeite geven om de waarheid te zoeken, ten einde tot de kennis ervan te komen en te kunnen onderscheiden tussen haar en de leugen, dan kopen wij haar. "Di laboribus omnia vendunt Alles staat de hemel toe aan de willigen". Als wij liever verliezen lijden in onze tijdelijke belangen dan de waarheid te loochenen of te veronachtzamen, dan kopen wij haar, en het is een parel van een grote waarde, dat wij bereid moeten zijn om van alles afstand te doen ten einde haar te kunnen kopen, wij moeten liever schipbreuk lijden aan bezitting, beroep en bevordering, dan schipbreuk lijden aan het geloof en een goed geweten.
b. Wij moeten haar niet verkopen, ontdoe er u niet van voor genot en genoegen, eer en rijkdom, voor wat het ook zij in deze wereld, veronachtzaam er de studie niet van, laat niet na haar te belijden, verzet u niet tegen haar heerschappij om enigerlei wereldlijk belang, van welke aard het ook zij, te verkrijgen of te behouden. Houd het voorbeeld van de gezonde woorden vast, en laat het nooit onder generlei beding glippen.
3. Geef mij uw hart, 26. In deze vermaning spreekt God tot ons als tot kinderen. Zoon, dochter: geef Mij uw hart. Het is het hart, dat de grote God van een ieder an onze begeert en eist, wat wij ook geven, zo wij Hem ons hart niet geven, zal het andere niet aangenomen worden. Wij moeten onze liefde op Hem vestigen. In onze gedachten moeten wij veel met Hem spreken, en op Hem als ons hoogste doel moeten de gedachten van ons hart gericht zijn. Het moet onze eigen vrijwillige daad zijn, om ons aan de Heer te wijden, en wij moeten er goedsmoeds, blijmoedig in zijn. Wij moeten er niet aan denken om ons hart te verdelen tussen God en de wereld, Hij wil alles of niets hebben. Gij zult liefhebben de Heer uw God met geheel uw hart. Op de roepstem moeten wij geredelijk antwoorden: "Mijn Vader, neem mijn hart zoals het is, en maak het zoals het moet wezen, neem er bezit van en richt er Uw troon in op."
4. Laat uw ogen mijne wegen bewaren. Heb het oog op de regel van Gods Woord, de leiding van Zijn voorzienigheid en de goede voorbeelden van Zijn volk. Onze ogen moeten daarop zien zoals hij, die schrijven leert, naar zijn voorbeeld ziet, opdat wil in de rechte paden blijven, er in voortgaan en er in volharden. IV. Enige bijzondere waarschuwingen tegen die zonden, welke, van alle andere, het verderfelijkst zijn voor de zaden van wijsheid en genade in de ziel, haar verarmen en ten ondergang brengen.
1. Gulzigheid en dronkenschap, vers 20, 21. De wereld is vol van voorbeelden van deze zonde en van de verzoekingen er toe, waartegen alle jonge lieden op hun hoede moeten wezen, en er zich verre van moeten houden. Wees geen wijnzuiper. Het is ons geoorloofd om een weinig wijn te drinken, 1 Timotheus 5:23, maar niet veel, nooit overmatig. Wees geen vleesvraat, zoals de Israëlieten, die met lust bevangen werden en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Paulus is vrij om vlees te eten, maar besluit toch in eeuwigheid geen vlees te eten, opdat hij zijn broeder niet ergere, zo onverschillig is hij er voor, 1 Corinthiers 8:13. Wees geen overmatig eter van vlees, onmatigheid moet vermeden worden in eten zowel als in drinken. Wees geen weelderig eter van vlees, zodat u niets kan behagen dan wat zeer bijzonder fijn en lekker is, geurige schotels, gekruide spijzen. Sommigen scheppen er niet alleen behagen in, maar zijn er trots op, dat zij kieskeurig zijn op hun dieet, en dat zij, zoals zij het noemen, goed eten, alsof dat het sieraad was van een voornaam man, dat in werkelijkheid de schande is van een Christen, daar zij van hun buik een god maken. "Wees geen wijnzuiper, en wees geen vleesvraat, en daarom: wees niet onder de wijnzuipers noch onder de vleesvreters. Steun hen niet door uw tegenwoordigheid, opdat gij hun wegen niet leert en ongemerkt in deze zonden valt, of er ten minste de vrees voor en de afschuw van verliest. Zij begeren u onder hen te hebben, want zij, die zelf verdorven zijn, zijn zeer begerig om anderen te verderven, en daarom, geef hun die voldoening niet, opdat gij uzelf niet in gevaar brengt." Hij ontleent een argument tegen deze zonde aan de grote onkosten. die men er voor moet doen, en haar strekking om de mensen te verarmen en als de mensen er zich niet van willen laten weerhouden door het verderf, dat zij veroorzaakt aan hun wereldlijke belangen, die hun het naast aan het hart liggen, geen wonder, dat zij er niet van weggeschrikt worden door hetgeen hun uit het Woord van God gezegd wordt van het kwaad, dat zij aan hun geestelijke en eeuwige belangen doet. De dronkaard en de gulzigaard willen zich niet verbeteren, hoewel hun gezegd wordt dat zij arm zullen worden, ja, al wordt hun gezegd dat zij naar de hel zullen gaan. Dronkenschap veroorzaakt sluimering, zij verstompt de mensen, maakt hen achteloos voor hun werk en hun zaken, en dan gaat alles te gronde, zo is het, dat mensen, die met eer geleefd hebben, er toe komen om verscheurde klederen te dragen, in lompen gekleed te zijn.
2. Hoererij, dat is nog een zonde, die het hart wegneemt, dat aan God gegeven moest worden, Hosea 4:11. Hij toont het gevaar aan, dat deze zonde meebrengt, vers 27, 28.
A. Het is een zonde, uit welker strik slechte weinigen zich zullen losmaken. Zij is een diepe gracht en een enge put, waaruit het nagenoeg onmogelijk is op te komen, en daarom is het verstandig om ver weg te blijven van de rand ervan. Hoed u voor iedere nadering tot haar want het is zeer moeilijk om er zich weer van terug te trekken, daar het geweten, hetwelk de terugtocht moest aanvoeren, door haar verleid en verdorven werd, en de Goddelijke genade werd verbeurd.
B. Het is een zonde, die de mensen betovert tot hun verderf, de overspeelster loert als een rover, vriendschap voorwendende, maar het grootste kwaad bedoelende, zij wil hen beroven van alles wat zij hebben en dat van waarde is, van hun wapenrusting en van hun sieraden. Zelfs op hen, die, deugdzaam opgevoed zijnde, de overspeelster zoeken te mijden, loert zo, ten einde hen aan te vallen op een ogenblik, wanneer zij niet op hun hoede zijn en zij dus het voordeel over hen heeft. Laat dus niemand ooit al te gerust wezen. C. Het is een zonde, die meer de enigerlei andere zonde bijdraagt tot de verspreiding van ondeugd en onzedelijkheid in een land. Zij vermenigvuldigt de overtreders onder de mensen. Een overspeelster kan het verderf zijn voor menige kostelijke ziel, en kan er toe medewerken om een gehele stad te verleiden en te bederven. Zij vermenigvuldigt de trouwelozen. Zij maakt niet slechts dat mannen ontrouw worden aan hun wettige vrouwen en dienstboden aan hun meesters, maar dat velen, die de godsdienst hebben beleden hun belijdenis van zich werpen en hun verbond met God verbreken. Huizen van ontucht zijn daarom zulke pesthuizen dat zij verboden moesten worden door hen, wier ambt is om voor het openbare welzijn te zorgen.