Job 5:17-27
In deze slotparagraaf van zijn rede geeft Elifaz aan Job een troostrijk vooruitzicht op het einde, de uitkomst van zijn beproevingen, als hij slechts zijn hartstocht wist in te tomen en zich wilde voegen naar Gods wil.
Merk op:
I. Het gepaste woord van waarschuwing en vermaning, dat hij tot hem richt, vers 17. "Verwerp de kastijding van de Almachtige niet. Noem uw lijden een kastijding, die komt van des Vaders liefde, en het welzijn van het kind ten doel heeft. Noem het de kastijding van de Almachtige, met wie te strijden onzinnig is en aan wie zich te onderwerpen wijsheid is en plicht, en die een algenoegzame God zal zijn," -want dat is de betekenis van het woord-"voor allen, die op Hem betrouwen. Verwerp haar niet", het oorspronkelijke woord is van ruime betekenis.
1. "Wees er niet afkerig van. Laat genade de tegenzin overwinnen, die de natuur heeft in lijden, en verzoen u met de wil van God er in." Wij hebben de roede nodig, en wij verdienen haar, en daarom moeten wij het noch hard, noch vreemd vinden zo wij er de pijn van gevoelen. Laat het hart niet opkomen tegen een bittere medicijn, als zij ons tot ons welzijn wordt voorgeschreven.
2. "Denk er geen kwaad van, doe haar niet van u weg (als iets dat schadelijk, of tenminste onnut is, en waaraan geen voordeel is te ontlenen), alleen maar omdat zij voor het tegenwoordige geen zaak van vreugde, maar van droefheid is." Wij moeten het nooit verachten om voor God te buigen, noch denken dat het beneden ons is om onder Zijn tucht te komen, integendeel, wij moeten geloven dat God in werkelijkheid de mens groot maakt, die Hij aldus bezoekt en beproeft, Hoofdst. 7:17, 18.
3. Zie haar niet voorbij, misken haar niet alsof zij slechts bij geval kwam, door ondergeschikte oorzaken werd teweeggebracht, maar geef er nauwlettend acht op als op de stem van God en een bode van de hemel. Er wordt meer stilzwijgend te kennen gegeven dan uitgedrukt: "Eerbiedig de kastijdingen des Heeren. Zie met ootmoed en ontzag op Zijn kastijdende hand, en sidder als de leeuw brult, Amos 3:8. Onderwerp u aan de kastijding, en leg er u op toe om op de roepstem te antwoorden, aan het doel ervan te beantwoorden, dan eerbiedigt gij haar." Als God door een beproeving een wissel op ons trekt voor goederen, die Hij ons heeft toevertrouwd, dan moeten wij Zijn wissel honoreren door hem aan te nemen en te ondertekenen, Hem het Zijne teruggevende zodra Hij er om vraagt.
II. De troostrijke woorden van aanmoediging die hij hem geeft om zich te schikken in zijn toestand en (zoals hijzelf het heeft uitgedrukt) het kwade uit de hand van God te ontvangen, en het niet te verachten als een gave, die niet waard is om aangenomen te worden. Indien zijn beproeving op die wijze gedragen wordt, dan zal:
1. De natuur en eigenschap ervan veranderd worden, hoewel zij het aanzien zou hebben van des mensen ongeluk te zijn, zou zij in werkelijkheid zijn zaligheid wezen, gelukzalig is de mens, die God straft, zo hij van de straf slechts een goed gebruik maakt. Een Godvruchtige is gelukzalig, al is hij ook beproefd, want wat hij ook verloren moge hebben zijn genieting van God heeft hij niet verloren, evenmin als zijn recht op de hemel, ja meer hij is gelukzalig omdat hij beproefd is, want de kastijding is een blijk en bewijs van zijn kindschap en een middel tot zijn heiligmaking, zij doodt zijn bederf, speent zijn hart van de wereld, doet hem nader tot God komen, voert hem tot zijn Bijbel, brengt hem op de knieen, werkt voor hem een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid. "Gelukzalig is dus de" "mens, denwelken God straft," Jakobus 1:12.
2. De uitkomst en het gevolg zullen zeer goed zijn, vers 18.
a. Of schoon Hij het lichaam smart aandoet door zweren en de geest door treurige gedachten, zal Hij toch tegelijkertijd verbinden, zoals de bekwame medelijdende arts de wonden verbindt, die hij met zijn scherp snijdend instrument heeft moeten maken. Als God wondt door de bestraffingen van Zijn voorzienigheid, verbindt Hij de wonden door de vertroostingen van Zijn Geest, die dikwijls het meest overvloedig zijn als de beproevingen overvloedig zijn en doet ze er aldus tegen opwegen, tot onuitsprekelijke voldoening van de geduldige lijders.
b. Hij doorwondt wel, maar Zijn handen helen op de juiste tijd, gelijk Hij Zijn volk ondersteunt en hen gerust en geduldig maakt onder hun beproevingen, zo zal Hij hen ook op de juiste tijd verlossen en een weg ter ontkoming voor hen maken. Alles is weer goed, en Hij zal hen ook vertroosten naar de tijd, in denwelken Hij hen beproefd heeft. De methode, die God gewoonlijk volgt, is eerst te doorwonden en dan te helen, eerst van zonde te overtuigen en dan te vertroosten, eerst te vernederen en dan te verhogen, en (zoals Ds. Caryl opmerkt) nooit maakt hij een wonde te groot of te diep om door Hem genezen te worden. Una cadamque manus vulnus opemque tulit-De hand, die de wond toebracht brengt de genezing aan. God verscheurt de goddelozen en gaat heen, Iaat hen die willen, hen helen, zo zij het kunnen, Hosea 5:14, maar de nederigen en boetvaardigen kunnen zeggen: Hij "heeft verscheurd en Hij zal ons genezen," Hosea 6:1.
Dit in het algemeen, maar in de volgende verzen wendt hij zich rechtstreeks tot Job en geeft hem vele kostelijke beloften van kostelijke vriendelijke dingen, die God voor hem doen zou, indien hij zich slechts wilde vernederen onder Zijn hand. Hoewel zij toen, voorzover wij weten, geen Bijbels hadden, is Elifaz toch genoegzaam gemachtigd door zijn algemene ontdekkingen van Gods liefde voor Zijn volk om aan Job deze verzekeringen te geven. En hoewel Jobs vrienden niet in alles wat zij zeiden door de Geest Gods geleid werden (want beiden van God en van Job zeiden zij dingen die niet recht waren), komt toch in de algemene leerstellingen, die zij uitspraken, de Godvruchtige zin uit van de patriarchale tijd, en daar de apostel Paulus vers 13 heeft aangehaald als canonieke Schrift, en het gebod in vers 17 ongetwijfeld ook voor ons bindend is, zo kunnen en moeten deze beloften hier ontvangen en toegepast worden als Goddelijke beloften, en kunnen wij door lijdzaamheid en vertroosting ook van dit deel van de Schriften hoop hebben. Laat ons ons dus benaarstigen om ons deel in deze beloften vast te maken, en dan de bijzonderheden ervan nagaan, en de vertroosting ervan voor ons nemen.
A. Er wordt hier beloofd dat, naarmate beproevingen en benauwdheden over ons komen, ons ook ondersteuning en uitredding zal worden geschonken en dat wel even dikwijls. In zes benauwdheden zal Hij gereed en bereid zijn u te verlossen, ja in zeven. Dit geeft te kennen dat, zolang wij hier in deze wereld zijn, wij een opeenvolging van benauwdheden hebben te verwachten, dat na de regen de wolken zullen weerkeren, na zes benauwdheden kan een zevende komen. Na vele, zie uit naar meer maar uit die allen verlost God hen, die de Zijnen zijn, 2 Timotheus 3:11, T Psalm 34:20. Vroegere verlossingen zijn, niet zoals bij de mensen, een reden om er geen meer te geven, maar juist een onderpand van nog meer, Spreuken 19:19.
B. Dat, in welke benauwdheden Godvruchtigen ook zijn kunnen, geen kwaad hen zal aanroeren, zij zullen hun geen wezenlijk kwaad doen, het boosaardige, de prikkel, zal er uit weggenomen zijn, zij kunnen sissen, maar zij kunnen niet schaden, Psalm 91:10. De boze zal Gods kinderen niet vatten, 1 Johannes 5:18. Bewaard zijnde van zonde, zijn zij ook bewaard van het kwaad van elke benauwdheid.
C. Dat zij, als verwoestende oordelen uitgaan, onder Gods bijzondere bescherming zullen wezen, vers 20. Zijn er velen rondom hen, die omkomen uit gebrek aan het noodzakelijke levensonderhoud? In hun nood zal worden voorzien. "In de honger zal Hij u verlossen van de dood," wat er ook van anderen moge worden "gij zult in het leven worden gehouden," Psalm 33:19. "In tijden van oorlog, als duizenden vallen aan uw rechterhand en uw linkerhand zal Hij u van het geweld des zwaards verlossen. Als het God behaagt, zal het u niet aanroeren, of, zo het u wondt, zo het u doodt, zal het u toch niet schaden, het kan slechts het lichaam doden, en zelfs daartoe heeft het geen macht, zo zij er niet van boven aan gegeven is."
D. Dat zij door wat er ook boosaardig en lasterlijk tegen hen gezegd moge worden, niet geschaad zullen zijn, vers 21. "Gij zult niet slechts beschermd worden tegen het dodelijk zwaard van de oorlog, maar verborgen wezen tegen de gesel van de tong, die gelijk een gesel kwelt en pijn doet, maar niet doodt." De beste mensen en de onschuldigsten kunnen met hun onschuld zich niet beschermen tegen laster, smaad, of valse beschuldigingen. Voor deze kan de mens zich niet verbergen, maar God kan hem er tegen verbergen, zodat hij op de boosaardigste laster zo weinig acht zal slaan, dat zijn vrede er niet door gestoord wordt, en er zal ook door anderen zo weinig acht op worden geslagen, dat zijn goede naam er niet door lijdt, en het overblijfsel van de grimmigheid kan en zal God opbinden, want het is te danken aan de macht, die Hij uitoefent op het geweten van slechte mensen, dat de gesel van de tong het verderf niet is van al het lieflijke, dat Godvruchtige mensen hebben in deze wereld.
E. Dat zij een heilige rust en kalmte van gemoed zullen hebben, voortkomende uit hun hoop en vertrouwen op God, zelfs in de zwaarste donkerste tijden. Als gevaren het dreigendst zijn, zullen zij gerust wezen, gelovende dat zij veilig en geborgen zijn, en geen verwoesting vrezen en geen verderf, zelfs niet als zij het zien komen, vers 21, noch de dieren des velds als deze hen aanvallen, noch de mensen die even wreed zijn als de dieren, ja tegen de verwoesting en de honger zult gij lachen, vers 22, niet als om enigerlei kastijding Gods te minachten, of te spotten met Zijn oordelen door ze voor beuzelingen te houden, maar door te triomferen in God, in Zijn macht en goedheid, en aldus te triomferen over de wereld en al haar verdrietelijkheden, niet slechts gerust maar zeer overvloedig van blijdschap te zijn in verdrukking. De apostel Paulus lachte tegen de verwoesting, toen hij zei: "Dood! waar is uw prikkel?" toen hij in naam van al de heiligen alle rampen van de tegenwoordige tijd tartte om "ons te scheiden van de liefde Gods" en tot de slotsom kwam: "In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars," Romeinen 8:35 en verv. Zie Jesaja 37:22.
F. Dat er, als zij verzoend zijn met God een verbond van vriendschap zal zijn tussen hen en de gehele schepping, vers 23. "Als gij over uw grond gaat, behoeft gij niet te vrezen dat gij zult struikelen, want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, zodat gij aan geen er van uw voet zult stoten. Gij zult ook in geen gevaar zijn van het gedierte des velde, want het zal "met u bevredigd zijn, " vergelijk Hosea 2:17, "Ik zal te allen dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds." Dit geeft te kennen dat, terwijl de mens in vijandschap leeft met zijn Maker, de mindere schepselen strijd tegen hem voeren, maar Tranquillus Deus tranquillat omnia, -Een verzoend God verzoent alles. Ons verbond met God is een verbond met alle schepselen, dat zij ons niet schaden, maar bereid zijn ons te dienen en goed te doen.
G. Dat hun huizen en hun gezinnen hun aangenaam en lieflijk zullen wezen, vers 24. Vrede en Godsvrucht in het gezin brengen dit teweeg. "Gij zult weten en ervan verzekerd zijn, dat uw tent in vrede is en zijn zal gij kunt verzekerd zijn van haar tegenwoordige en toekomstige voorspoed." Dat vrede in uw tent is, zo luidt het oorspronkelijke. Vrede is het huis, waarin zij wonen, die in God wonen in Hem tehuis zijn. Gij zult uw woning bezoeken en niet zondigen, vers 24. Dit is: "gij zult de zaken uwer woning doorzoeken, er een overzicht van nemen, en zult niet zondigen."
Ten eerste. God zal voorzien in een vestiging voor Zijn volk, gering misschien en beweeglijk, een hut, een tent, maar toch een bepaalde en rustige woonstede. "Gij zult niet zondigen of dolen," dat is, naar sommigen het verstaan, "gij zult niet zwervende en dolende zijn," (Kaïns vloek), "maar in het land wonen, en waarlijk niet ongestadig, zoals zwervelingen gevoed worden."
Ten tweede. Hun gezinnen zullen onder de bijzondere bescherming staan van de Goddelijke voorzienigheid en zullen, in zoverre het goed voor hen is, voorspoedig zijn.
Ten derde. Zij zullen verzekerd wezen van vrede en van de voortduur ervan voor hen en de hunnen. "Gij zult tot uw onuitsprekelijke voldoening weten, dat vrede verzekerd is aan u en de uwen, daar gij het woord van God voor hebt."
Ten vierde. Zij zullen wijsheid hebben om hun gezin goed te besturen, hun zaken met beleid te regelen, en wèl toe te zien op de wegen van hun gezin, hetgeen hier genoemd wordt hun woning te bezoeken. Hoofden van gezinnen moeten geen vreemdelingen zijn in hun woning, zij moeten een waakzaam oog houden over hetgeen zij hebben en over hetgeen hun dienstboden doen.
Ten vijfde. Zij zullen genade hebben om de zaken van hun gezin op Godvruchtige wijze te bestieren en daarbij niet te zondigen. Zij zullen zonder drift of hartstocht, zonder hoogmoed, gierigheid of wereldsgezindheid, hun dienstboden ter verantwoording roepen, zij zullen hun zaken beschouwen en nagaan zonder ontevredenheid over hetgeen is, of wantrouwen van hetgeen zijn zal. De Godsvrucht van het gezin kroont de vrede en de voorspoed van het gezin. De grootste zegen, zowel in hetgeen wij doen als in hetgeen wij genieten, is bewaard te worden van er in te zondigen. Als wij uit zijn is het lieflijk en geruststellend te horen dat onze tent in vrede is, en als wij terugkomen is het troostrijk onze woning te bezoeken met voldoening over ons welslagen, daar wij niet gefeild hebben in onze zaken, en met een goed geweten omdat wij niet tegen God hebben overtreden.
H. Dat hun nageslacht talrijk en voorspoedig zal zijn. Job had al zijn kinderen verloren. "Maar," zegt Elifaz, indien gij terugkeert tot God, dan zal Hij uw gezin weer opbouwen, en uw zaad zal talrijk zijn en even groot als ooit, en uw spruiten bloeiend als het kruid van de aarde, vers 25, en gij zult het weten." God heeft voor het zaad van de gelovigen zegeningen weggelegd, die zij zullen ontvangen als zij niet zichzelf in het licht staan en ze door hun eigen dwaasheid verbeuren. Het is lieflijk voor ouders om de voorspoed, inzonderheid de geestelijke voorspoed, te zien van hun kinderen, indien zij wezenlijk goed zijn, dan zijn zij waarlijk groot, hoe klein een aanzien zij ook mogen hebben in de wereld.
I. Dat zij in goede ouderdom zullen sterven, en hun loop met blijdschap en ere zullen volbrengen, vers 26. Het is een groot voorrecht:
Ten eerste. Om tot de volle leeftijd te komen en het getal van onze maanden niet in het midden te zien afgesneden. Als God ons in Zijn voorzienigheid geen lang leven geeft, maar door Zijn genade ons tevreden maakt met de tijd, die ons toebedeeld is, dan kunnen wij gezegd worden tot een volle leeftijd te komen. Die mens leeft lang genoeg, die zijn werk volbracht heeft en geschikt is voor een andere wereld.
Ten tweede. Gewillig te zijn om te sterven, blijmoedig naar het graf te gaan, er niet heen gedreven te worden, zoals hij, wiens ziel van hem geëist werd.
Ten derde. Op goede tijd te sterven, zoals het koren gemaaid en in de schuur wordt gebracht, als het helemaal rijp is, niet eerder, maar de moet het ook geen dag langer staan blijven. Onze tijden zijn in Gods hand, en het is goed dat zij dit zijn, want Hij zal zorg dragen dat degenen, die de Zijnen zijn, op de beste tijd sterven, al schijnt ons hun dood ook ontijdig toe, zal het toch bevonden worden dat hij niet ontijdig is.
In het laatste vers beveelt hij deze beloften aan Job aan:
1. Als getrouwe woorden, van welker waarheid hij zich verzekerd kan houden. "Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo. wie hebben deze dingen wel is waar bij overlevering van onze vaderen ontvangen, maar wij hebben ze maar niet zo in goed vertrouwen op hun woord aangenomen, wij hebben ze zorgvuldig en nauwkeurig onderzocht, hebben geestelijke dingen met geestelijke dingen vergeleken, hebben ze vlijtig bestudeerd, en zijn bevestigd geworden in ons geloof er aan door hetgeen wij zelf waargenomen en ervaren hebben, en allen zijn wij van gevoelen dat het zo is." De waarheid is een schat, die wel waard is dat men er naar graaft, en wij zullen zelf haar weten te waarderen, en instaat zijn haar aan anderen mee te delen, als wij ons moeite hebben gegeven bij ons onderzoeken er naar.
2. Als alle aanneming waardig, en daar kan hij tot zijn eigen voordeel gebruik van maken. Hoor het en bemerk gij het voor u." Weet het u ten goede. Het is niet genoeg de waarheid te horen en te kennen, wij moeten haar gebruiken, en er wijzer en beter door gemaakt worden, er de indrukken van ontvangen, en ons aan de gebiedende kracht ervan onderwerpen. Bemerk, weet het voor u, zo is het in de grondtekst, met toepassing op uzelf en uw toestand. Niet alleen: Dit is waar, maar dit waar betreffende mij. Wat wij aldus horen en weten voor onszelf, horen en weten wij ons ten goede, zoals wij gevoed worden door de spijs, die wij gebruiken. Dat is waarlijk een goede preek, die ons goed doet.