29. En het geschiedde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht,1) die zo dringend voor de rechtvaardigen, die er zich mochten bevinden, gebeden had, en Hij leidde Lot, ondanks zijn talmen en dralen, dat des Heren geduld had kunnen vermoeien, uit het midden van deze omkering, van deze verwoesting, in het omkeren van die steden, in welke Lot gewoond had 2) en in welke hij zeker ware omgekomen, zo de Heere hem niet als brandhout uit het vuur had gerukt.
1) De redding van Lot wordt hier in verband gebracht met de voorbede van Abraham. Lot wordt hier voorgesteld als een gegevene Abrahams: Ter wille van Abraham gedenkt God ten gunste aan Lot. Welk een bemoediging ligt hierin voor al Gods kinderen! De Heere spaart Lot om Abrahams wille; hoeveel temeer zal Hij dan alle uitverkorenen sparen van de geestelijke en eeuwige ondergang, om de wille van Hem, die te allen tijde de grote Voorbidder voor Zijn volk is!.
2) De merkwaardige zee, welke de plaats van het vroegere Siddimdal heeft ingenomen, aan de zuidoostelijke grenzen van Palestina, de Dode zee, in de Bijbel "de Zoutzee" genoemd, is 10 à 11 Duitse mijl lang, 2 à 3 mijl breed en heeft een omvang van zes dagreizen. Aan de oost- en westzijde is het omsloten door kalkrotsen, welke gedeeltelijk zeer nabij de oever en vol kloven zijn, waaruit beken voortkomen. Ten zuidwesten verheft zich een zoutberg (Usdum), ongeveer drie uur lang. Ten zuidoosten ligt een uitgestrekte, betrekkelijk vruchtbare vlakte, "het zoutdal." De bodem van de zee, gelijk een Noord-Amerikaan, Lynch, heeft nagevorst, bestaat uit twee verschillende delen, welke door een schiereiland, dat van de oostelijke oever zich diep in de zee uitstrekt, begrensd worden. Het noordelijk gedeelte is aanmerkelijk dieper, dan het zuidelijke; het laatste daarentegen heeft een met zoutachtig zee-slijk bedekte bodem hetwelk door de aanvoer van hete bronnen uit de diepte verhit wordt. Deze verschillende gesteldheid bevestigt opmerkelijk het Bijbels bericht, dat een geweldige omkering in geheel het zuidelijk gedeelte heeft plaats gehad. De vroeger reeds bestaande 1000 à 1200 voet diepe en zoet water bevattende zee breidde zich daardoor van het Noorden af verder uit, en verkreeg haar tegenwoordige omvang en gesteldheid. Het water is nu wel helder en klaar, maar buitengewoon zoutachtig en van een bittere samentrekkende smaak. Alles, wat er in geworpen wordt, neemt dadelijk een zoutkorst aan, en zelfs zware lichamen drijven makkelijk boven. Geen levend wezen kan daarin blijven, en wanneer vissen uit de Jordaan daarin gedreven worden, sterven zij spoedig. Rondom de zee heerst onvruchtbaarheid en dodelijke stilte; de grond ziet er als verbrand uit, en volstrekt geen groen, zelfs geen grasscheutje, spruit eruit voort.
Zelfs schrijvers uit de heidense oudheid, als Tacitus en Strabo, berichten iets van de bovenvermelde geschiedenis. Tacitus schrijft: "Zo ligt dan nu daar, een meer van ontzaglijke omvang, voor het oog een zee, walgelijk van smaak, door zijn dikke uitdampingen voor de nabij wonende verderfelijk; de wind beweegt het niet (wegens het drabbige van zijn wateren), en vissen of de gewone watervogels gedoogt het niet. Wat daarin geworpen wordt, draagt het op zijn oppervlakte, als ware het een vaste stof; zwemmenden en niet zwemmenden draagt het op dezelfde wijze. Op sommige tijden werpt het aardpek op. De omstreken worden gezegd eenmaal vruchtbaar en met grote steden bebouwd geweest te zijn: bliksemstralen moeten ze in brand gestoken, en het uitgedroogde land sedert zijn vruchtbaarheid verloren hebben; want al, wat er van zelf opschiet, of wat er gezaaid wordt, kruid of bloemen of hoger gewas, het is alles zwart en het verstuift als as."
IV. Vers 30-38. Lot verhuist uit eigen beweging van Zoar naar het vroeger versmade gebergte. Daar, van de wereld afgezonderd, menen zijn twee dochters, dat alle uitzicht op nakomelingschap haar ontnomen is, en leggen zij zich bij de dronken gemaakte vader. De vrucht van deze bloedschande zijn twee zonen: "Moab" en "Ammi", de stamvaders van de Moabieten en van de Ammonieten.