Jesaja 49:13-17
De bedoeling van deze verzen is aan te tonen dat de terugkeer van Gods volk uit de gevangenschap, en de eeuwige verlossing, die door Christus zou gewrocht worden, en waarvan de eerste een type was, aanleidingen van grote vreugde zouden zijn voor de kerk, en grote bewijzen van Gods tedere zorg voor haar.
I. Niets kan ons beter stof geven voor lofzangen en dankzeggingen, vers 13. De gehele schepping moet instemmen met onze lofliederen, want zij deelt in de voordelen van de verlossing, en al hetgeen zij tot deze geheiligde melodie bijdragen kan is weinig genoeg in ruil voor dat onwaardeerbare voorrecht, Psalm 96:11. Laat er vreugde zijn in de hemelen, dat de engelen Gods de eer van de grote Verlosser verheffen, laat de aarde en de bergen, voornamelijk de groten van de aarde, verheugd zijn en gedreun maken met vrolijk geschal, "want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods," Romeinen 8:19, 20. Die zal nu vervuld worden. Gods volk is de zegen en het sieraad van de aarde en daarom moet er algemene vreugde zijn, want God heeft Zijn volk vertroost en Hij zal zich ontfermen over Zijn ellendigen, omdat die ellendigen met Hem in verbond staan.
II. Niets kan ons overtuigender bewijzen geven van de tederste belangstelling, die God voor Zijn kerk koestert.
1. De beproevingen van de kerk hebben soms aanleiding gegeven om Gods belangstelling en zorg voor haar in twijfel te trekken, vers 14. Zion, in haar bedruktheid, zegt: De Heere heeft mij verlaten, en ziet niet weer naar mij om, de Heere heeft mij vergeten en zal dus niet meer zich met mij bemoeien. Zie hier hoe droevig het er soms kan uitzien met het lot van Gods volk, zodat het schijnt alsof het door zijn God verlaten en vergeten is, en hoe dringend en heftig in zulks tijden de verzoekingen zijn kunnen. De ongelovigen zeggen aanmatigend: "De Heere heeft het land verlaten" Ezechiël 8:12, en:"Hij vergeet onze zonden" Psalm 10:11. Zwakke gelovigen zijn in hun wanhoop geneigd om te zeggen dat God zijn kerk verlaten en de ellenden van zijn volk vergeten heeft. Maar wij hebben niet meer reden om Gods belofte en genade te betwijfelen, als om Zijn voorzienigheid en gerechtigheid in twijfel te trekken Hij is even zeker een beloner als een wreker. Daarom, weg met deze bedroefdheid en jaloezie, die de dood voor alle vriendschap zijn!
2. De zegepraal van de kerk na haar beproevingen zal op de juiste tijd de zaak boven alle bedenking stellen. Ons wordt gezegd wat God voor Zion doen zal, vers 17.
a. Haar vrienden, die haar verlaten hebben, zullen tot haar verzameld worden, en alles doen wat zij kunnen om haar bij te staan en te vertroosten: Uwe zonen zullen zich haasten. Bekeerden tot het geloof in Christus zijn de kinderen van de kerk, zij zullen zich met grote tederheid en bereidvaardigheid bij haar voegen, en vliegen tot de gemeenschap van de heiligen gelijk duiven tot haar vensters. Uwe bouwlieden zullen zich tot u haasten, zo lezen sommigen het. Zij zullen uw huizen en uw muren, en voornamelijk uw tempel zo spoedig mogelijk weer opbouwen. Het werk voor de kerk gaat gewoonlijk langzaam, maar wanneer het Gods tijd is, geschiedt het vlug.
b. Haar vijanden, die haar bedreigd en aangevallen hebben, zullen genoodzaakt worden zich terug te trekken. Uw verstoorders en verwoesters, die zich meester gemaakt hebben van uw land en het in een wildernis veranderd hebben, zullen van u uitgaan. Door Christus de Koning van de aarde, is de grote verwoester buitengeworpen en ontzeteld, zijn macht is gebroken en zijn aanslagen worden verijdeld.
Door dit alles zal het duidelijk blijken dat de veronderstelling van Zion in `t geheel geen grond had, dat God haar had verlaten en vergeten of zo iets ooit doen zou.
Zij kan verzekerd zijn:
A. Dat God een tedere genegenheid voor Zijn kerk en volk heeft, vers 15. In antwoord op Zions vrees, spreekt God als degene die voor zijn eigen verheerlijking zorgt, Hij neemt op zich daar acht op te slaan als Zion zegt: De Heere heeft mij verlaten, Hij zal het tegendeel daarvan vertonen. Ook Hij heeft belang bij de welstand van Zijn volk, en daarom zal Hij niet toelaten dat het neerslachtig en ontmoedigd wordt of plaats geeft aan verontrustende gedachten. Gij meent dat Ik u vergeten heb, maar kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten?
a. Het is niet waarschijnlijk dat zij dit kan. Een vrouw, wier eer het is zowel tot het tere als tot het schone geslacht te behoren kan enkel genegenheid gevoelen voor een kind, dat onschuldig en hulpeloos beide is, en dus een voorwerp van de grootste belangstelling. Vooral een moeder kan niets anders dan liefde gevoelen voor haar eigen kind, het is haar eigen, een deel van haarzelve, kort geleden nog één met haar. Een zogende moeder met name kan niet anders aan teder zijn voor haar zuigeling, haar volle borsten brengen het haar gestadig in gedachtenis, zodat zij het niet vergeten kan. Maar
b. Het is toch mogelijk dat zij het vergeet. Een vrouw kan wellicht zo ongelukkig zijn dat zij niet in staat is om zich haar kind te herinneren, zij kan ziek of stervende zijn en aan de grens van het land van de vergetenheid. Ja zij kan zo onnatuurlijk zijn dat "zij geen medelijden heeft met de zoon van haar schoot" Klaagliederen 4:10, Deuteronomium 28:57. Maar, zegt God, toch zal Ik u niet vergeten. Gods tederheid voor Zijn volk overtreft oneindig die van de beste ouders voor hun kinderen. Wat zijn de natuurlijke aandoeningen, vergeleken bij die van de God van de natuur!
B. Hij heeft onafgebroken zorg voor Zijn kerk en Zijn volk, vers 16. Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd Deze uitdrukking is geen zinspeling op de dwaze kunst van handlezerij, die zich verbeeldt het lot van iedere mens in de handpalmen te kunnen lezen, in de lijnen die daardoor lopen, maar ze ziet op de gewoonte van hen die een draad om hun hand of hun vingers winden, ten einde de dingen beter te onthouden, die zij vrezen anders te zullen vergeten, of op de gewoonte om een ring te dragen in herinnering aan een of anderen dierbare vriend. Het zetten van zo'n zegel op arm of hand betekent dan dat men hen als een zegel op het hart draagt en altijd aan hen en hun belangen gedachtig is, Hooglied 8:6. Indien wij Gods wet als een zegel op onze hand binden, Deuteronomium 6:8, 11:18, zal God onze belangen als een zegel op Zijn hand drukken en daarnaar zien als naar een herinnering aan het verbond. Hij voegt er bij: uw muren zijn steeds voor mij. Uw verwoeste muren, of schoon geen aangenaam gezicht, zijn steeds in mijne gedachten van medelijden. Hebben Zions vrienden medelijden met haar puin, Psalm 102:14, God niet minder. Of, het plan en de grondtekening, waarnaar uw muren moeten herbouwd worden, ligt voor mij, en zal zeker nauwkeurig uitgevoerd worden. Of, uw muren dat is: uw veiligheid, zijn het voorwerp van Mijn voortdurende zorg, als van een wachter op de muren. Sommigen passen het gegraveerd zijn van de kerk in de palmen van Zijn handen toe op de wonden in de handen van Christus toen Hij gekruisigd werd, Hij zal naar die littekenen zien en zich daardoor kunnen herinneren voor wie Hij leed en stierf.