Psalm 135:5-14
De psalmist had ons de goedheid van God voorgesteld als gepaste stof voor onze blijmoedige lof, hier stelt hij ons de grootheid van God voor als een gepaste reden voor onze eerbiedige lofzeggingen, en daarover weidt hij het meest uit, omdat wij hier het minst aan denken.
l. Hij stelt de leer vast van Gods grootheid vers 5. De Heere is groot, in waarheid groot, die geen perk kent aan tijd noch plaats. Hij verklaart dit met volle verzekerdheid: "ik weet dat Hij dit is, weet het niet slechts door de blijken en bewijzen ervan waar te nemen, maar door geloof in de openbaring ervan. Ik weet het, ik ben er zeker van, ik weet het door mijn eigen ervaring van de Goddelijke grootheid, werkende in mijn ziel." Hij verklaart het met een heilige uittarting van alle voorgewende goden, al zouden zij zich ook tegen Hem verbinden, Hij is niet slechts boven een god, deze of die god, maar boven alle goden, oneindig ver boven hen, tussen Hem en hen is geen vergelijking te maken.
II. Hij bewijst dat Hij een groot God is door de grootheid van Zijn macht.
1. Hij heeft een volstrekte macht en kan doen wat Hij wil. Al wat de Heere behaagde, deed Hij, vers 6 en niemand kon Hem in bedwang houden of tot Hem zeggen: Wat doet Gij. Hij doet wat Hem behaagt omdat het Hem behaagt, en geeft geen rekenschap van Zijn daden.
2. Hij heeft een almachtige kracht en kan doen wat Hij wil, als Hij wil werken, kan niemand Hem hinderen.
3. Deze volstrekte almacht, dit alvermogen is van algemene uitgestrektheid, Hij doet wat Hem behaagt in de hemelen en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden, die op de bodem van de zee of in de ingewanden van de aarde zijn. De goden van de heidenen kunnen niets doen, maar onze God kan alles doen en doet alles.
III. Hij geeft voorbeelden van Zijn grote macht.
1. In het rijk van de natuur, vers 7.
a. Al de krachten van de natuur bewijzen de grootheid van de God van de natuur, aan wie zij ontleend zijn en van wie zij afhankelijk zijn. De keten van natuurlijke oorzaken was niet slechts door Hem in den beginne geformeerd, maar wordt nog door Hem bewaard. Het is door Zijn macht dat de dampen uit de aarde opstijgen, het is de hitte van de zon, die ze doet opgaan, maar die kracht heeft zij van God, en daarom wordt er op gewezen als een voorbeeld van de heerlijkheid Gods, dat niets voor de hitte van de zon verborgen is, Psalm 19:7. Hij doet de dampen opklimmen niet alleen zonder daarbij door ons geholpen te worden, maar zonder door ons gezien te worden van de einden van de aarde dat is: van de zeeën, door welke de aarde omringd is.
b. Hij is het, die uit deze dempen die alzo opgeklommen zijn, de regen formeert zodat de aarde niets verliest door de dampen die er uit opgegaan zijn, want zij keren met voordeel terug in vruchtbaar makende regenbuien. c. Uit diezelfde dampen (zodanig is Zijn wondervolle macht) maakt Hij de bliksemen voor de regen, vers 7, door hen opent Hij de flessen van de hemel en schudt de wolken, opdat zij de aarde bewateren. Hier zijn door de Goddelijke almacht vuur en water volkomen met elkaar verzoend. Zij komen tezamen, en toch blust het water het vuur niet uit, en het vuur lekt het water niet op, zoals het vuur van de hemel dat gedaan heeft, toen God het zo wilde, 1 Koningen 18:38.
d. Tot een ander doeleinde worden diezelfde uitwasemingen veranderd in winden, die blazen waarheen zij willen, van welk punt van het kompas zij willen, en het is er zo ver vandaan, dat wij ze besturen, dat wij niet eens weten vanwaar zij komen en waar zij henengaan, maar God brengt de wind uit Zijn schatkameren voort met evenveel nauwkeurigheid en plan als een voorzichtig vorst last geeft om geld uit zijn schatkist uit te geven.
2. In het rijk van de mensen, en hier maakt hij melding van de grote dingen, die God voormaals voor Zijn volk Israël gedaan heeft die blijken waren van Gods grootheid zowel als van Zijn goedheid, en bevestigingen van de waarheid van de Schriften van het Oude Testament, die begonnen geschreven te worden door Mozes, de persoon, die gebruikt werd om deze wonderen te werken. Let op Gods soevereine heerschappij en onweerstaanbare macht:
a. In Zijn uitvoeren van Israël uit Egypte, Farao vernederende door vele plagen waardoor Hij hem noodzaakte hen te laten trekken. Deze plagen worden tekenen en wonderen genoemd, omdat zij niet naar de gewone loop van de voorzienigheid kwamen, maar in ieder ervan iets wonderbaarlijke was. Zij werden gezonden tegen Farao en al zijn knechten, zijn onderdanen, maar de Israëlieten, die God riep om Zijn knechten, Zijn zonen Zijn eerstgeborenen, Zijn vrijgeborenen te zijn waren ervan vrijgesteld, en geen plaag heeft hun woning genaderd. De dood van de eerstgeborenen, beide van mensen en vee was de zwaarste van al de plagen, en die, door welke het doel bereikt werd.
b. In de vernietiging van de koninkrijken van Kanaän voor hun aangezicht. vers 10. Zij, die het land in bezit hadden, dat voor Israël bestemd was, hadden alles in hun voordeel om zich in het bezit ervan te kunnen handhaven: zij waren talrijk en krijgshaftig, saamverbonden tegen Israël, het waren grote volken. Maar als een groot volk een zwak en lafhartig vorst heeft, dan is het aan gevaar blootgesteld. Deze grote volken hadden echter machtige koningen en toch werden zij allen geslagen en gedood, Sihon en Og, en al de koninkrijken van Kanaän, vers 10, 11. Geen macht van hel of aarde kan de vervulling van Gods belofte verhinderen, als de tijd, de bestemde tijd ervoor gekomen is.
c. In hen te vestigen in het land van de belofte. Hij, die koninkrijken geeft aan wie het Hem behaagt ze te geven heeft Kanaän ten erfdeel gegeven aan Zijn volk Israël. Het kwam door erfrecht tot hen, want hun voorouders hadden er de belofte van, hoewel niet het bezit, en het ging als een erfdeel op hun nakomelingen over. Dit is lang tevoren geschied, maar God wordt er nu voor geloofd, en wel met goede reden, want de kinderen genoten er nu het voordeel van.
IV. Hij juicht in de bestendigheid van Gods heerlijkheid en genade.
1. Van Zijn heerlijkheid. O Heere, Uw naam is in eeuwigheid. Gods openbaringen van zichzelf aan Zijn volk hebben eeuwige vruchten en gevolgen. Al "wat God doet, zal in eeuwigheid zijn," Prediker 3:14. Zijn naam is in eeuwigheid in de gestadige en eeuwige lof van Zijn volk, Zijn gedachtenis is tot nu toe bewaard gebleven, en zal van geslacht tot geslacht in Zijn kerk bewaard blijven. Dit schijnt te verwijzen naar Exodus 3:15, waar, als God zich de God noemt van Abraham, Izak en Jakob Hij er bij voegt: Dit is Mijn naam eeuwiglijk en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. God is altijd dezelfde voor Zijn kerk en zal dit altijd zijn, een genadig getrouw en wonderdoend God, en Zijn kerk is en zal altijd dezelfde zijn voor Hem: een dankbaar, Hem lovend volk, en aldus is Zijn naam tot in eeuwigheid.
2. Van Zijn genade. Hij zal vriendelijk wezen voor Zijn volk.
a. Hij zal hun zaak voorstaan tegen anderen, die met hen twisten, Hij zal Zijn volk richten, richten voor hen, niet toelaten dat zij ternedergeworpen worden.
b. Hij zelf zal niet eeuwiglijk met hen twisten, maar het zal Hem over Zijn knechten berouwen, Hij zal door hen verbeden worden, Hij zal in genade tot hen wederkeren, en er zich in verlustigen om hun goed te doen. Dit vers is genomen uit het lied van Mozes, Deuteronomium 32:36.