5. Want haar zonden zijn in datgene, waartoe het met haar is gekomen, de een op de andere gevolgd tot de hemel toe (
Jeremia 51:9 Ezra 9:6) en God is, zoals in
Hoofdstuk 16:19 reeds is aangetoond, haar ongerechtigheden gedachtig geworden, om haar tot straf daarvoor de drinkbeker van de wijn van Zijn grimmige toorn te geven.
Het standpunt is hier enigszins anders dan in Vers 1-3 en het visioen van de Christus, die uit de hemel neerdaalt, moet nu worden beschouwd als voorbijgegaan; daar heeft zich het onweer reeds ontlast, hier staat het dreigend aan de hemel.
Logisch spreekt het vanzelf, dat de vermaning alleen voor dat geval toepasselijk is; er is dus hier in het visioen voorspellend voor afgebeeld een roepen van de Geest, dat nog vóór Babels val tot de kinderen van God komt, ten gevolge waarvan deze niet alleen zullen erkennen waar en wat Babel is, maar ook dat het plicht is geworden openlijk met haar te breken.
Omdat de stem van de hemel zegt "Mijn volk" is het de stem van de Heere zelf; want geen engel noch vorst van de engelen, noch een van de dienstknechten van God kan en mag zich zo uitdrukken. Hij zal dan Zijn getrouwen op een zeker voor hen hoorbare en ondubbelzinnige wijze, voordat de catastrofe over Babel zal komen, bevelen van haar uit te gaan. Hij zal dit bevel aan niemand anders toevertrouwen, maar zo ooit dan op deze tijd onmiddellijk in eigen persoon betuigen, wat zij doen en waarheen zij zich wenden moeten. Een analoog voorval hebben wij in de vlucht van de Christenen uit Jeruzalem onmiddellijk voor de verwoesting ervan. Toen de tijd was gekomen, waarvan Christus in Mattheus 24:15 v. gesproken had, ging door de rijen van de gelovigen de stem: "ga uit van haar, mijn volk! " door de Geest gesproken en zij trokken allen uit naar Pella, niemand was achtergebleven, de Heere had in Zijn voorzorg aan allen gedacht, wier namen geschreven stonden in het boek des levens.
Dit uitgaan heeft aan de zijde van God tot grondslag een genadig uitleiden. Het geschiedt 1) met het hart door waar geloof en echte kennis van de waarheid en door haat tegen de valse leer; 2) met de mond door openlijke belijdenis van de waarheid en tegenspreken van de dwalingen; 3) lichamelijk, door die plaatsen te ontwijken, waar Babel zijn troon heeft.
Als de tijd eerst daar is, dan zullen alle leden van de ware Kerk, die in Babel verborgen zijn, zich verenigen; wie zou dan, al is het ook maar in uitwendige gemeenschap, met een Kerk willen staan, wier zonden op die tijd tot de hemel reiken en wier misdaden God nu gedenkt?
Vooral zal nog in deze laatste periode van het pausdom zijn ware karakter, zijn afval van het heil, dat in Christus alleen is, in zo duidelijke feiten, vooral in het verbod met het dier te voorschijn komen, dat allen, die nog uit de waarheid zijn, de ogen moeten opengaan.
Dit is de schuld van alle gelovige katholieken, dat zij door zich niet openlijk van Rome los te scheuren, door gemeenschap ermee, zich ook van zijn zonden deelgenoten maken; zij boeleren met Rome en als zij dat niet laten varen zullen zij ook omkomen. De Heere zal hun echter te Zijner tijd door de roepstem van Zijn Geest de ogen openen en zij zullen moeten uitgaan.
Wij kunnen een gissing wagen, wanneer omstreeks die tijd zal komen. In Hoofdstuk 17 is het aan de ene zijde de macht van de wereld en aan de andere zijde het pausdom, beiden in hun laatste vorm, waarop onze ogen worden gevestigd. Nu heeft de macht van de wereld, volgens hetgeen bij Daniël 2:38 is opgemerkt, als het ware haar geboortejaar in de slag bij Circesium 606 voor Christus 2 Koningen 24:1; het pausdom heeft het in het jaar 606 na Christus, waarin paus Bonifacius III van de kroonrover en moordenaar Phocas, die reeds Gregorius de Grote met zijn troonsbeklimming, in het vermeende belang van de Kerk had gelukgewenst, de erkenning verkreeg, dat de apostolische stoel te Rome het opperhoofd van alle kerken was. Is er nu, nadat beiden zolang met elkaar hebben geboeleerd, in Hoofdstuk 17:1, sprake van een werkelijke verbintenis, dan zou slechts het jaar 1960 iets bijzonders, beslissends hoeven aan te brengen, dat dit huwelijk aankondigt en dat alle harten, die het nog enigszins oprecht menen met de Kerk van Christus, zozeer ergert, dat zij met Rome breken en het verlaten, zodat nog alleen de onreine, onverbeterlijke, verstokte en voor het oordeel rijp geworden leden daarin blijven, dan zou de plaats in beide bovengenoemde getallen in Hoofdstuk 13:18 genoemd, begonnen zijn vervuld te worden. In het jaar 66 na Christus vertrok eerst de Christelijke gemeente te Jeruzalem. Is dan de vroeger aangeduide vereniging van het pausdom met het dier gesteld in een jaar, dat zo opmerkelijk op de 666 in Hoofdstuk 13:18 zinspeelt, dan zullen ook zij allen, die tot Gods volk behoren, uit Babel uittrekken, om geen deel te krijgen aan haar plagen. Daarentegen zullen niet uittrekken, nu des te sterker aan Rome hangen en te heviger voor haar ijveren, de Jezuïeten. En als Rome zal verwoest en verteerd en verbrand zijn, zal toch zijn treurig overblijfsel in deze orde nog aanwezig zijn en zich met het dier uit de zee, het dier van de aarde en de valse profeten verenigen, zoals wij reeds bij Hoofdstuk 13:11, hebben opgemerkt. Het heet niet: "ik hoorde een andere engel", maar: "een andere stem"; deze is die van Christus, niet die van God; want zij zegt in het volgende vers: "God is haar ongerechtigheden gedachtig geworden"; zij spreekt zo van God in de derde persoon; maar hier noemt zij het volk van de Allerhoogste "mijn" volk. Jeremia roept Israël toe: "Vlucht uit het midden van Babel en redt een ieder zijn ziel en wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van de Heere, die haar de verdienste betaalt"; en weer: "ga uit, Mijn volk! uit het midden van hen en red een ieder zijn ziel vanwege de heiligheid van de toorn van de Heere". Evenzo Zacharia, zoals de engel aan Lot beval, ijlings Sodom te verlaten, zeggende: "behoud u omwille van uw leven en zie niet achter u om. " Zo ook roept de Heere Jezus Christus hier de Zijnen; het Romeinse rijk toe, ten einde hen te vervullen met het vaste vooruitzicht, dat een onfeilbare vernieling het nieuwe Babel dreigde en opdat zij geheel zouden bevrijd worden van vrees voor Romeinse macht en vijandschap; een vrees, die zij nu nog zo beangstigend koesterden. Maar dit hoefden zij niet te doen; want wat zouden zij te duchten hebben van vijanden, aan wie zelf het geduchtste boven het hoofd hing? Hoe zouden Gods geliefde kinderen te vrezen hebben, omdat zij het vreselijk lot van Rome even zeker ontgaan zouden, als Lot eenmaal door Gods bestuur ontkwam aan de verwoesting van Sodom? De geschiedenis van de verwoesting van het Romeinse rijk door de wilde horden levert een menigte proeven van bewaring van de Christenen te midden van de algemene ellende. Heil ons, nog leeft Hij, die machtig was hen te beschermen! Hem kunnen wij gerust onze belangen aanbevelen, vertrouwend dat Hij niet zal laten varen het werk van Zijn handen. Wij hebben buiten Hem niemand om onze hoop op te vestigen en dwaasheid was het, als wij vlees stelden tot onze arm; want mensenheil is ijdelheid. Op God en Christus willen wij hopen en die dat doen nee, nooit zullen zij beschaamd worden!
Er is nog een Rome, dat afgoderij en bijgeloof leert en in zonde ligt verdronken, dat de zetel is van geestelijke heerschappij en schuldig aan het vergieten van het bloed van de heiligen, dat door de koningen der aarde gedienstig en bijgelovig wordt geëerd, dat het Koninkrijk van Christus tot hinder en ergernis is door allerhande pracht en trotsheid, dat de heiligen moeten schuwen en vlieden, dat vromen en waarheid-minnaars reeds hebben beginnen te verlaten en te verfoeien, dat door vele godvruchtige mannen, nadat gebleken is dat het niet kon worden genezen, voorzien werd ten gronde toe te zullen vergaan. Laat nu, die bezorgd zijn voor de waarheid en de zaligheid van hun zielen, eens zien, of de vervulling van deze profetie nog niet in de toekomende tijd voor deze grote stad te wachten is en als zij dat zien, of zij geen reden hebben om de vermaning van de Heere in acht te nemen, als Hij zegt: "Ga uit Babel, Mijn volk! "