Genesis 4:3-5
Hier is:
I. De Godsdienstoefening van Kaïn en Abel. Ten einde van enige dagen, toen zij enige vorderingen hadden gemaakt in hun verschillende beroepen, hetzij aan het einde van het jaar, toen zij hun oogstfeest vierden, of misschien bij gelegenheid van een jaarlijkse vastendag ter gedachtenis van de val, of aan het einde van de dagen van de week, op de zevende dag, die de sabbat was-op de een of andere tijd, brachten Kaïn en Abel tot Adam, als de priester van het gezin, ieder een offer voor de Heere, waarvoor, naar wij reden hebben te denken, een Goddelijke aanwijzing aan Adam was gegeven, als een teken van Gods gunst jegens hem, en Zijn gedachten van liefde voor hem en de zijnen, niettegenstaande hun afval. God wilde aldus Adams geloof in de belofte beproeven, en zijn gehoorzaamheid aan de wet ter herstelling, hiermede wilde Hij een gemeenschap onderhouden tussen de hemel en de aarde, en een schaduw geven van toekomende goederen.
Merk hier op:
1. Dat de Godsverering geen nieuw verzinsel is, maar een aloude instelling. Dat is "hetgeen van de beginne was," 1 Johannes 1, het is de goede weg, Jeremia 6:16. De stad onzes Gods is in waarheid "de vrolijk huppelende stad, welker oudheid wel van oude dagen af is," Jesaja 23:7. De waarheid was voor de dwaling en de Godsvrucht voor de goddeloosheid.
2. Dat het goed is voor kinderen, om in hun jeugd wel onderwezen te worden, reeds op tijd te worden gewend aan het bijwonen van de Goddelijke eredienst, opdat zij, wanneer zij in staat worden om voor zich zelf te handelen, uit eigen beweging Gode een offer brengen. In deze lering en vermaning des Heeren moeten ouders hun kinderen opvoeden, Efeze 6:4, Genesis 18:19.
3. Dat wij, een ieder van ons God, moeten eren met hetgeen wij hebben, naardat wij welvaren van Hem verkregen hebben. Naar dat hun beroep en hun bezittingen waren, brachten zij hun offerande, 1 Corinthiërs 16:1,2. "Onze koophandel en ons loon-waarin dit ook moge bestaan- moet de Heere heilig zijn," Jesaja 23:18. Hij moet ontvangen wat Hem er van toekomt in werken van de Godsvrucht en van de barmhartigheid, tot instandhouding van de eredienst en tot ondersteuning van de armen, aldus moeten wij thans een offer brengen met een oprecht hart, en aan zulke offers heeft God een welbehagen.
4. Dat geveinsden en boosdoeners bevonden kunnen worden even ver te gaan in de uitwendige zaken van de Godsdienst, als de beste van Gods volk. Kaïn bracht een offer met Abel, ja, Kaïns offer wordt het eerst genoemd, alsof hij de ijverigste was van de twee. Een geveinsde kan even dikwijls naar de kerk gaan, evenveel bidden, en evenveel aalmoezen geven als een goed Christen, en toch wegens gebrek aan oprechtheid Gode niet welbehaaglijk zijn. De Farizeeër en de tollenaar gingen op in de tempel om te bidden, Lukas 18:10.
II. Het verschillend gevolg van hun Godsdienstige handeling. Hetgeen wij in al onze Godsdienstige daden op het oog moeten hebben is Gods welbehagen, als wij dit verkrijgen, hebben wij voorspoed, maar onze aanbidding is te vergeefs, als wij dit niet verkrijgen, 2 Corinthiërs 5:9. Voor een toeschouwer zouden de offers van Kaïn en Abel beide even goed geschenen hebben. Adam heeft beide aangenomen, maar God niet, want Hij ziet niet zoals de mens ziet, God zag Abel en zijn offer aan, en toonde er Zijn welbehagen in, waarschijnlijk door vuur van de hemel, maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Wij zijn er zeker van, dat er een goede reden was voor dit verschil, de Regeerder van de wereld is wel een vrijmachtig soeverein, maar handelt toch niet willekeurig ten opzichte van Zijn goedkeuring of Zijn afkeuring van wat mensen doen.
1. Er was verschil in het karakter van hen, die de offers brachten. Kaïn was een slecht man, die een slecht leven leidde, onder de heerschappij was van de wereld en het vlees, en daarom was zijn offer "de Heere een gruwel" Spreuken 15:8, een vergeefs offer, Jesaja 1:13. God zag Kaïn zelf niet aan, en daarom zag Hij ook zijn offer niet aan, zoals de wijze van uitdrukking te kennen geeft. Maar Abel was een rechtvaardig man, hij wordt de rechtvaardige Abel genoemd, Mattheus 23:35. Zijn hart was oprecht, en zijn leven Godvruchtig, hij was een van hen, "die Gods aangezicht aanschouwt," Psalm 11:7, en wier gebed daarom "Zijn welgevallen is," Spreuken 15:8. God zag hem aan als een heilig man, en daarom zag Hij zijn offer aan als een heilige offerande. De boom moet goed zijn, anders kunnen de vruchten de hart doorgrondende God niet welbehaaglijk zijn.
2. Er was een verschil in de offers, die zij brachten. Uitdrukkelijk wordt in Hebreeën 11:4 gezegd, dat Abel een meerdere offerande Gode geofferd heeft dan Kaïn, hetzij dat zij:
a. Meerder was in aard, of wezen. Kaïns offer was slechts een offer van de erkentenis, aangeboden aan de Schepper, de spijsoffers van de vruchten van het land waren niets meer, en zouden, voor zo veel ik weet, ook in de staat van de onschuld geofferd zijn kunnen worden, maar Abel bracht een zoenoffer, het bloed was gestort tot vergeving van zonde, waarmee hij zich als zondaar erkende, Gods toorn afbiddende, en om Zijn gunst smekende in een Middelaar, of:
b. In de hoedanigheid van het offer. Kaïn bracht van de vrucht van het land, wat hem voor de hand kwam, wat hij niet nodig had voor zich zelf of wat niet verkoopbaar was, maar Abel was kieskeurig in zijn offerande, niet het kreupele of het magere, of het uitschot, maar de eerstgeborenen van Zijn schapen, de beste die hij had, en van hun vet, het beste van die besten. Vandaar dat de Hebreeuwse wetgeleerden als algemene regel stellen, dat al hetgeen voor de naam is van de goede God, het schoonste en het beste moet wezen. Het is passend dat Hij, die de Eerste en de Beste is, het eerste en het beste heeft van onze tijd, van onze kracht, en van onze dienst.
3. Het grote verschil was dit: Abel offerde in het geloof, en dat deed Kaïn niet. Er was verschil in het beginsel, waaruit zij handelden. Abel offerde met het oog op Gods wil als zijn regel, en Gods eer als zijn doel, en in vertrouwen op de belofte van een verlosser, maar Kaïn deed wat hij deed, omdat hij zijn reputatie wilde ophouden, niet in geloof, en zo is het in zonde voor hem veranderd. Abel was een boetvaardige gelovige, zoals de tollenaar, die gerechtvaardigd afging in zijn huis. Kaïn was niet verootmoedigd, hij vertrouwde op zich zelf, hij was de Farizeeër, die in zichzelf roemde maar voor God niet gerechtvaardigd was.
III. Kaïns misnoegen wegens het onderscheid door God gemaakt tussen zijn offer en dat van Abel. Kaïn was zeer vertoornd, hetgeen zich weldra openbaarde in zijn blik, in geheel zijn voorkomen, want zijn aangezicht verviel, hetgeen niet zo zeer zijn verdriet en zijn ontevredenheid aanduidde, als wel zijn kwaadaardigheid en woede. Zijn somber, stug gelaat, zijn neergeslagen blik verrieden zijn hartstochtelijke toorn, hij droeg zijn boosaardigheid op zijn aangezicht, en het gelaat zijns aangezichts getuigde tegen hem. Deze toorn duidt aan:
1. Zijn vijandschap tegen God, en zijn verontwaardiging wegens het verschil, dat Hij gemaakt had tussen zijn offer en het offer van zijn broeder. Hij had vertoornd moeten wezen op zich zelf, om zijn ongeloof en zijn geveinsdheid, waardoor hij Gods welbehagen had verbeurd, en zijn aangezicht had moeten vervallen van berouw en heilig schaamtegevoel, zoals dat van de tollenaar, "die zelfs de ogen niet wilde opheffen naar de hemel" Lukas 18:13. Maar in plaats daarvan, vaart hij uit tegen God, alsof Hij partijdig en onbillijk was in Zijn goedkeuring en afkeuring, en alsof Hij hem zeer had verongelijkt. Het is een stellig teken van een niet verootmoedigd hart, om vertoornd te wezen wegens de bestraffing, die wij ons zelf door onze zonde op de hals gehaald hebben. De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren, en om dan het kwaad nog erger te maken, zal "zijn hart zich tegen de Heere vergrammen," Spreuken 19:3
2. Zijn afgunst op zijn broeder, die de eer had in het openbaar goedkeuring van God te verkrijgen. Hoewel zijn broeder er zelfs niet aan gedacht heeft om hem een blaam aan te wrijven, en ook nu niet over hem spotte om hem te tergen, koesterde hij toch haat tegen hem als tegen een vijand, of, hetgeen op hetzelfde neerkomt, als een mededinger. Het is iets heel gewoons, dat zij, die door hun trotsheden zich de gunst van God onwaardig hebben gemaakt, vertoornd zijn op hen, die er door verwaardigd en onderscheiden werden. De Farizeeën wandelden op deze weg van Kaïn, toen zijzelf niet ingegaan zijn in het koninkrijk Gods en die ingingen verhinderden, Lukas 11:52. Hun oog is boos, omdat hun meesters oog, en het oog van hun mededienstknechten goed is. Afgunst, nijd is een zonde, die zich gewoonlijk zelf ontdekt door het bleke, sombere gelaat, en haar eigen straf met zich brengt in de verrotting van de beenderen.