Psalm 11:4-7
Als een boom geschud wordt, zegt men, zal hij zoveel dieper en vaster wortel schieten. De pogingen van Davids vijanden om zijn vertrouwen op God te doen wankelen, brengen hem er toe om zoveel sterker aan zijn eerste beginselen vast te houden en die weer te beschouwen, hetgeen hij hier doet tot zijn eigen grote voldoening, en alle verzoekingen tot ongeloof af te weren en tot zwijgen te brengen. Hetgeen een struikelblok was voor zijn geloof, zoals het dit geweest is voor het geloof van velen, was de voorspoed van de goddelozen op hun boze weg, en de tegenspoed en ellende, die soms het deel zijn van de besten van de mensen vandaar dat boze gedachten als deze: het is tevergeefs God te dienen, en: wij kunnen de hovaardigen gelukkig achten, gemakkelijk opkomen, maar ten einde al zulke gedachten te beschamen en te onderdrukken, worden wij hier geroepen om te bedenken:
1. Dat er één God is, één God in de hemel: de Heere is in het paleis van Zijn heiligheid hierboven-daar is Hij buiten ons gezicht, maar wij zijn niet buiten het Zijne. Laat de vijanden van de heiligen niet honend over hen juichen, alsof zij verward en verlegen zijn, ten einde raad zijn gekomen, neen, zij hebben een God, en weten waar Hem te vinden, en hoe hun gebeden tot Hem te richten, als hun Vader in de hemel. Of: Hij is in het paleis van Zijn heiligheid Zijn heilige tempel, dat is: Zijn kerk, Zijn gemeente. Hij is een God in verbond en gemeenschap met Zijn volk, door een Middelaar van wie de tempel een type was. Wij behoeven niet te zeggen "Wie zal opklimmen naar de hemel, om vandaar een God te halen op wie men kan vertrouwen?" Neen, het woord is nabij ons, en God is in het woord, Zijn Geest is in Zijn heilige, deze levende tempels en die Geest is de Heere.
2. Dat deze God de wereld regeert, de Heere woont niet slechts in de hemel, maar Hij heeft daar Zijn troon en Hij heeft de heerschappij daarvan op de aarde besteld, Job 38:33, want Zijn "troon in de hemelen bevestigd-hebbende heerst Zijn koninkrijk over" "alles," Psalm 103:19. Vandaar dat "de hemel" gezegd wordt "te heersen," Daniël 4:26. Laat ons door het geloof God zien op Zijn troon van de heerlijkheid, zeer ver de pracht en glans en majesteit van aardse vorsten overtreffende, op Zijn troon van de regering, wet, en beweging en doel gevende aan alle schepselen, op Zijn troon van het gericht, vergeldende een ieder naar zijn werken, en op Zijn troon van de genade, tot dewelken Zijn volk met vrijmoedigheid mag toegaan om genade te verkrijgen, dan zullen wij geen reden zien om ontmoedigd te wezen door de hoogmoed en de macht van verdrukkers of door enigerlei beproevingen, die de rechtvaardigen kunnen treffen.
3. Dat die God ieders aard en karakter volkomen kent Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. Hij ziet hen niet slechts maar Hij doorziet hen, weet niet slechts alles wat zij zeggen en doen, maar wat zij denken, wat zij voornemens zijn, hoe zij gezind zijn, werkelijk gezind zijn, niettegenstaande alles wat zij voorgeven. Wij kunnen weten wat de mensen schijnen te zijn, maar Hij weet wat zij zijn, zoals de louteraar weet wat de waarde van het goud is, dat hij gelouterd heeft. God wordt gezegd met Zijn ogen te aanschouwen en met Zijn oogleden te proeven, omdat Hij de mensen kent, niet zoals aardse vorsten de mensen kennen, naar gerucht en voorstelling, maar door Zijn eigen nauwkeurige beschouwing, waarin Hij niet kan dwalen en waarbij Hij niet misleid of bedrogen kan worden. Het kan ons troosten als wij in de mensen bedrogen worden, zelfs in de mensen, die wij dachten beproefd te hebben, dat wij er zeker van kunnen zijn dat Gods oordeel van de mensen naar waarheid is. 4. Dat, zo God de rechtvaardigen smart aandoet, het is om hen te beproeven en dus tot hun welzijn, vers 5. De Heere proeft alle mensenkinderen, ten einde hun recht te doen, maar Hij proeft de rechtvaardigen om "hun ten slotte wel te doen," Deuteronomium 8:16. Laat dit dus onze fundamenten niet doen wankelen, noch ons ontmoedigen in onze hoop en vertrouwen op God.
5. Dat de vervolgers en verdrukkers, hoe zij ook voor een tijdje schijnen voorspoedig te zijn en te overwinnen, thans toch reeds onder de toorn Gods liggen en daar voor eeuwig onder zullen omkomen.
A. Hij is een heilig God en daarom haat Hij hen en kan het niet verdragen hen aan te zien. De goddeloze en diegene, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel, want niets druist meer in tegen de rechtheid en goedheid van Zijn natuur. Het is er zo ver vandaan dat hun voorspoed een bewijs is van Gods liefde, dat hun misbruik ervan hen gewis tot het voorwerp maakt van Zijn haat. Hij, die niets haat dat Hij gemaakt heeft, haat toch hen die zichzelf zo slecht gemaakt hebben. Dr. Hammond geeft een andere lezing van dit vers: "De Heere proeft de rechtvaardigen en de goddelozen, " onderscheidt onfeilbaar tussen hen hetgeen meer is dan wij kunnen doen, en hij "die geweld liefheeft, haat zijn eigen ziel," dat is vervolgers brengen een gewis verderf over zichzelf, Spreuken 8:36.
B. Hij is een rechtvaardige Rechter en daarom zal Hij hen straffen, vers 6. Hun straf zal:
a. Onvermijdelijk wezen. Hij zal op de goddelozen strikken doen regenen. Hier is een dubbele metaphoor, om het onvermijdelijke aan te tonen van de straf van de goddelozen. Zij zal van de hemel op hen geregend worden Job 20:23, waartegen geen beschutting en waaraan geen ontkomen is, zie Jozua 10:11 Samuël 2:10. Het zal hen verrassen, hen overvallen, zoals een reiziger soms op een zomerdag plotseling door een regenbui overvallen wordt. Het zal als strikken op hen zijn om hen vast te houden, gevangen te houden tot aan de dag van de afrekening.
b. Zeer verschrikkelijk wezen, het is vuur en zwavel en een geweldige stormwind, een duidelijke toespeling op de verwoesting van Sodom en Gomorra, en een zeer gepaste, want die verwoesting was bedoeld als een voorbeeld van "de straf van het eeuwige vuur" Judas 7,
Het vuur van Gods toorn, vallende op de zwavel van hun eigen schuld, zal gewis zeer heftig branden, branden tot in de diepste hel en tot de uiterste lijn van de eeuwigheid. In welk een geweldige stormwind worden de goddelozen heengeslingerd naar de dood! In welk een poel van vuur en zwavel moeten zij voor altijd hun bed spreiden in de vergadering van de doden en verdoemden! Dat is het wat hier bedoeld wordt, dat zal het deel van hun beker wezen, dat is het deel van de goddeloze mensen van God, Job 20:29. Dat is de beker vol mengeling, waaruit zij de droesem zullen moeten drinken, Psalm 75:9. Aan een dergelijk mens is het deel van zijn beker toegewezen. Zij, die de Heere kiezen tot het deel van hun beker, zullen hebben wat zij gekozen hebben en voor eeuwig gelukkig zijn in hun keus, Psalm 16:5, maar Zij, die Zijn genade verwerpen, zullen van de beker van Zijn grimmigheden moeten drinken, Jeremia 25:15, Jesaja 51:17.
6. Dat eerlijke en Godvruchtige mensen wel terneergeworpen en vertreden kunnen worden, maar dat God hen toch zal erkennen en hun gunst zal betonen, en dat is de reden waarom God zo streng zal afrekenen met vervolgers en verdrukkers, namelijk dat zij die zij vervolgen en verdrukken, Hem dierbaar zijn, zodat wie hen aanraakt, Zijn oogappel aanraakt, vers 5.. a. Hij heeft hen lief. Hij heeft het werk van Zijn eigen genade in hen lief. Hij is zelf een rechtvaardig God en daarom bemint Hij gerechtigheid overal waar Hij haar vindt en staat de zaak voor van de rechtvaardigen, die belasterd en verdrukt worden. Hij verlustigt zich erin om gerechtigheid en gerichten te doen dengenen, die verdrukt worden, Psalm 103:6. Hierin moeten wij volgelingen zijn van God, gerechtigheid liefhebben, zoals Hij haar liefheeft, opdat wij altijd in Zijn liefde blijven. Hij ziet in gunst op hen. Zijn aangezicht aanschouwt de oprechten Hij is niet slechts met hen verzoend, maar Hij heeft een welbehagen in hen en Hij vertroost hen en geeft blijdschap in hun hart, door hun de bewustheid hiervan te geven. Als een teder Vader ziet Hij hen aan met welgevallen, en als gehoorzame kinderen zijn zij blij met Zijn goedkeuring. Zij wandelen in het licht des Heeren.
Bij het zingen van deze psalm moeten wij ons aanmoedigen en opwekken om te allen tijde op God te vertrouwen, op Hem te steunen om onze onschuld aan het licht te brengen en ons gelukkig te maken, Zijn misnoegen te vrezen als erger dan de dood en Zijn gunst te begeren als zijnde die beter dan het leven.