Richteren 14:1-9
I. Onder de buitengewone leiding van Gods voorzienigheid zoekt Simson een aanleiding om met de Filistijnen te twisten, door in verwantschap met hen te komen. Een vreemde methode, maar Simson zelf was een raadsel een paradox van een man, die deed wat werkelijk groot en goed was, door middelen, die schijnbaar zwak en slecht waren, omdat hij bestemd was, niet om een voorbeeld voor ons te zijn (wij moeten wandelen naar wet en regel, niet naar voorbeelden) maar om een type te zijn van Hem, die, hoewel Hij geen zonde gekend heeft, zonde voor ons gemaakt is en verschenen is in gelijkheid van het zondige vlees ten einde de zonde in het vlees te veroordelen en teniet te doen.
1. Als wij de onderhandelingen over Simsons huwelijk als een gewoon geval beschouwen kunnen wij opmerken:
a. Dat het een zwakheid en dwaasheid van hem was om zijn genegenheid te vestigen op een dochter van de Filistijnen, de zaak scheen zeer onbetamelijk. Zal een man, die niet slechts een Israëliet is maar een nazireër, toegewijd aan God, begeren één te worden met een aanbidster van Dagon? Zal een man, die gestempeld is als een vurig beminnaar van zijn vaderland, een huwelijk aangaan met een vrouw, die tot de gezworen vijanden er van behoort? Hij zag deze vrouw, vers 1, en zij was bevallig in zijn ogen, vers 3. Het blijkt niet dat hij reden had om haar hetzij voor verstandig of deugdzaam te houden of dat zij op enigerlei wijze een hulpe kon zijn als tegenover hem, maar hij zag iets in haar gelaat, dat naar zijn smaak was, en daarom kon hij niet tevreden wezen, of zij moest zijn vrouw worden. Hij, die zich in de keus van een huisvrouw alleen laat leiden door zijn oog, en zich laat beheersen door zijn verbeelding zal het zichzelf te danken hebben indien hij later een Filistijnse in zijn armen houdt.
b. Toch was het wijs en goed van hem gehandeld, om zelf geen stap bij haar te doen om haar te verkrijgen, voordat hij zijn ouders bekend had gemaakt met de zaak. Hij deelde het hun mede, en verzocht hun haar tot een vrouw voor hem te nemen, vers 2. Hierin is hij een voorbeeld voor alle kinderen, in overeenstemming met de wet van het vijfde gebod. Kinderen behoren niet te huwen, geen stap te doen om tot een huwelijk te komen, zonder de raad en de toestemming van hun ouders, die dit wèl doen, zegt bisschop Hall, beroven zich van hun kindschap, en stellen hartstocht in de plaats van natuurlijke genegenheid. Ouders hebben een eigendomsrecht op hun kinderen, als zijnde een deel van henzelf. In het huwelijk wordt dit recht van eigendom overgedragen, want aldus luidt de wet voor deze betrekking, dat een man zijn vader en zijn moeder zal verlaten, en zijn vrouw aankleven, daarom is het niet slechts zeer onvriendelijk en ondankbaar, maar zeer onrechtvaardig, om dit eigendomsrecht te vervreemden zonder hun toestemming. Die zijn vader of zijn moeder berooft, zich aan hen ontsteelt, die hun nader en dierbaar is dan hun bezittingen, en zegt: het is geen overtreding, die is van de verdervende man een gezel, Spreuken 28:24.
c. Zijn ouders hebben wel gedaan met hem af te raden om aldus een ander juk aan te trekken met de ongelovigen. Laat hen, die de Godsdienst belijden, maar naar verwantschap haken met de onheiligen, een huwelijk aangaande met iemand uit een gezin, waarin, naar zij reden hebben te denken, de vreze Gods noch de aanbidding Gods is, luisteren naar de redenering van Simsons ouders, en haar toepassen op zichzelf: "Is er geen vrouw onder de dochteren van uw broederen, of, zo er geen is van onze eigen stam, geen onder mijn volk, geen Israëlietische, die u behagen kan, of die gij uw genegenheid waardig kunt achten, dat gij een vrouw van de Filistijnen moet huwen? In de oude wereld hebben Gods zonen zichzelf en hun geslacht verdorven en ten ondergang gebracht, en met hen geheel die waarlijk oorspronkelijke kerk, door te huwen met de dochteren van de mensen, Genesis 6:2. God had aan het volk van Israël verboden om huwelijken aan te gaan met hen, die tot aan de vloek gewijde volken behoorden, en tot deze behoorden de Filistijnen, Deuteronomium 7:.3.
d. Indien er geen bijzondere reden voor geweest was, dan zou het zeker onvoegzaam in hem geweest zijn om op zijn keus aan te dringen, en in hen, om er ten slotte in toe te stemmen. Maar hun liefdevol toegeven, hun zich schikken naar zijn genegenheid, kan als een beeld beschouwd worden voor ouders, om niet op onredelijke wijze de keus van hun kinderen tegen te staan, hun toestemming niet te weigeren, inzonderheid niet aan hen, die plichtmatig en intijds er om gevraagd hebben, indien zij er geen gegronde reden voor hebben. Gelijk kinderen hun ouders gehoorzaam moeten zijn in de Heere, zo moeten ouders hun kinderen niet tergen opdat zij niet moedeloos worden. In zijn onderworpenheid aan zijn ouders, hun toestemming vragende, en niet handelende voordat hij haar verkregen had, was deze nazireër niet slechts een voorbeeld voor alle kinderen, maar ook een type van het heilig kind Jezus, die met Zijn ouders afging naar Nazareth (vanwaar Hij een Nazarener genoemd werd) en hun onderdanig was, Lukas 2:51.
2. Maar dit huwelijksverdrag wordt uitdrukkelijk gezegd van de Heere te zijn, vers 4. Niet slechts heeft God het later zo geleid en bestuurd, dat het Zijn doeleinden tegen de Filistijnen heeft gediend, maar Hij heeft het in Simsons hart gegeven om deze keus te doen opdat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen. Het was op zichzelf geen kwaad, dat hij een Filistijnse vrouw huwde. Het was verboden vanwege het gevaar van geschaad te worden door afgodendienaars, daar er nu niet alleen geen gevaar van die aard was, maar een gewenste gelegenheid geboden werd om hun die schade te veroorzaken, die goede dienst zou bewijzen aan Israël, kon hem zeer goed vrijstelling van de wet verleend worden. In hoofdstuk 13:25 was gezegd, dat de Geest van de Heere hem bij tijd en wijlen begon te drijven, en wij hebben reden te denken dat hij zelf bemerkte, dat die Geest hem dreef, toen hij die keuze deed, en dat hij anders toegegeven zou hebben aan de wens van zijn ouders, die hem dit huwelijk afraden, en dat zij ook ten slotte hun toestemming niet gegeven zouden hebben, indien hij hen er niet van overtuigd had, dat het van de Heere was. Dit zou hem in bekendheid brengen met de Filistijnen, hem omgang met hen bezorgen, en hierdoor zou hij zodanige gelegenheid krijgen om hen te kwellen, als hem anders niet geboden zou worden. Het schijnt dat de wijze, waarop de Filistijnen Israël verdrukten, niet was door grote legers maar door de geheime invallen van hun reuzen en kleine benden van plunderaars, op diezelfde wijze moest Simson dus met hen handelen. Laat hem door zijn huwelijk slechts toegang onder hen verkrijgen, en hij zal hun tot een prikkel worden in hun zijde. Daar Jezus Christus ons moest verlossen van de tegenwoordige boze wereld, en er de vorst van moest uitwerpen, heeft Hij haar zelf bezocht, hoewel zij vol was van besmetting en vijandschap, en, door een lichaam aan te nemen, heeft Hij er zich in zekere zin aan verwant, opdat Hij onze geestelijke vijanden zou verderven, en Zijn arm ons heil en verlossing zou werken.
II. Door een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid wordt Simson opgewekt en aangemoedigd om de Filistijnen aan te vallen. Daar dit de dienst was, waartoe hij door God was bestemd, heeft Hij, toen Hij hem er toe riep, hem door twee voorvallen er toe instaat gesteld. 1. Door hem op een reis naar Thimnath de kracht te geven, om een leeuw te doden vers 5, 6. Velen weigeren de dienst, die zij zouden kunnen doen, omdat zij zich niet bewust zijn van hun kracht. God laat aan Simson weten wat hij in de kracht van de Geest van de Heere zou kunnen doen, opdat hij nooit bevreesd zou zijn om zelfs de grootste moeilijkheden onder de ogen te zien. David die het verderf van de Filistijnen moest voltooien moest zijn kracht eerst aan een leeuw en een beer beproeven, waaruit hij dan kon afleiden wat wij veronderstellen, dat ook Simson er uit afgeleid heeft, dat de onbesneden Filistijnen gelijk een van die zullen zijn, 1 Samuël 17:36..
a Simsons ontmoeting van de leeuw was gevaarlijk. Het was een jonge leeuw, een van de meest woeste soort, die hem aanviel, brullende naar zijn prooi, en zijn oog inzonderheid op hem richtende, hij was brullende hem tegemoet. Hij was geheel alleen in de wijngaarden, waarheen hij van zijn vader en moeder was afgedwaald, (die op de grote weg waren gebleven) waarschijnlijk om druiven te eten. Kinderen bedenken niet hoe zij zich blootstellen aan de briesenden leeuw, die hen zoekt te verslinden, als zij uit dwaze zucht naar vrijheid wegdwalen van onder het oog en de bescherming van hun voorzichtige, vrome ouders. En jonge lieden bedenken ook niet welke leeuwen er in de wijngaarden schuilen, de wijngaarden van rode wijnen, even gevaarlijk als adders onder het groene gras. Had Simson die leeuw ontmoet op de weg, hij zou meer reden hebben gehad om beide van God en de mensen hulp te verwachten, dan hier in deze eenzame, afgelegen wijngaarden. Maar er was een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid in, en, hoe gevaarlijker de ontmoeting was:
b. Hoe heerlijker de overwinning is geweest. Zij werd zonder enige moeite verkregen, hij wurgde de leeuw en scheurde zijn keel even gemakkelijk als hij het een geitebokje zou gedaan hebben, maar toch zonder enig werktuig, niet slechts had hij geen zwaard of boog, maar niet eens een stok of een mes, er was niets in zijn hand. Christus is de briesenden leeuw aangevallen bij het begin van Zijn openbare bediening, en heeft hem overwonnen, Mattheus 4:1 en verv, en daarna heeft Hij de overheden en machten uitgetogen en in Hemzelf over hen getriomfeerd, zoals sommigen die tekst, Coloss. 2:15, lezen, door generlei werktuig. Hij is verhoogd in Zijn sterkte. Hetgeen zeer veel bijdroeg tot de glorie van Simsons overwinning over de leeuw, was dat, toen hij die heldendaad had verricht, hij er niet op snoefde, ja niet eens aan zijn vader en moeder te kennen gaf wat hij gedaan had, menigeen zou het spoedig door het gehele land bekend gemaakt hebben. Bescheidenheid en nederigheid vormen de schitterendste kroon voor grote heldendaden.
2. Door hem op de volgende reis te voorzien van honing uit het lichaam van de leeuw, vers 8, 9. Toen hij de volgende maal afkwam, om zijn bruiloft te gaan vieren, en zijn ouders hem vergezelden, had hij de nieuwsgierigheid om zich ter zijde af te wenden naar de wijngaard, waar hij de leeuw gedood had, misschien wel om door het zien van deze plaats, bewogen te worden door de zegen van die grote uitredding, en er Gode plechtige dankzegging voor te brengen. Het is goed om ons aldus Gods vroegere gunstbewijzen te herinneren. Daar vond hij nu het dode lichaam van de leeuw, de roofvogels of andere roofdieren hadden er waarschijnlijk het vlees van gegeten, en in het geraamte had een zwerm bijen een honigraat gemaakt en met honing gevuld, honing was een van de voornaamste voortbrengselen van Kanaän, er was daar zo'n overvloed van, dat van het land gezegd werd overvloeiende te zijn van melk en honing. Simson, die meer dan wie het ook zij recht had op die honigraat, grijpt hem met zijn handen. Dit veronderstelt een ontmoeting of botsing met de bijen, maar hij, die de klauwen van de leeuw niet vreesde, had geen reden om voor haar angels bevreesd te zijn. Evenals hij door zijn overwinning over de leeuw aangemoedigd was om de reuzen van de Filistijnen tegen te treden als er gelegenheid voor was, in weerwil van hun sterkte en woestheid, zo werd hem door zijn verdrijven van de bijen geleerd niet te vrezen voor de menigte van de Filistijnen, al "zouden zij hem omringen als bijen, zal hij hen toch in de naam van de Heere neerslaan," Psalm 118:12. Van de honing, die hij hier vond:
a. At hij zelf, niets ondervragende om des gewetens wil, want het dode gebeente van een onrein dier bracht niet, zoals het dode lichaam van een mens, ceremoniele onreinheid mede. Johannes de Doper, de nazireër van het Nieuwe Testament, leefde van wilde honing.
b. Gaf hij aan zijn ouders, en zij aten er van, hij heeft niet alles zelf opgegeten. "Hebt gij honing gevonden, eet dat u genoeg is, en niet meer," Spreuken 25:16. Hij liet zijn ouders met hem delen. Kinderen behoren hun oudere wedervergelding te doen met de vruchten van hun eigen vlijt, en aldus in hun eigen huis Godzaligheid oefenen 1 Timotheus 5:4. Laat hen, die door de genade Gods zelf lieflijkheid hebben gevonden in de Godsdienst, hun ervaring mededelen aan hun vrienden en betrekkingen, en hen uitnodigen om er met hen in te komen deren. Hij zei aan zijn ouders niet vanwaar hij deze honing had, uit vrees dat zij er dan uit gewetensbezwaar niet van zouden willen eten. Bisschop Hall merkt hier op dat diegenen minder wijs en meer nauwgezet zijn dan Simson die Gods gaven weigeren te gebruiken, omdat zij ze in slechte vaten vinden. Honing is nog honing, al is hij ook in een dode leeuw. Onze Heere Jezus Satan, die briesenden leeuw, overwonnen hebbende, vinden de gelovigen honing in het dode lichaam, overvloedige kracht en verzadiging uit die overwinning, genoeg voor henzelf en voor al hun vrienden.