Genesis 3:17-19
Wij hebben hier het vonnis over Adam, dat ingeleid wordt door het noemen van zijn misdaad, vers 17. Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw. Hij verontschuldigde zijn fout, door haar aan zijn vrouw te wijten. Zij heeft haar mij gegeven, maar God laat die verontschuldiging niet toe, zij kon hem er niet toe dwingen. Hoewel het haar fout was hem tot het eten er van te overreden, was het toch zijn fout, dat hij naar haar geluisterd heeft. Aldus zullen ten dage van Gods oordeel de onbeduidende pleitgronden van de mensen niet slechts te niet gedaan, maar tegen hen gekeerd worden, tot grond en oorzaak worden aangeduid van hun vonnis: Uit uw eigen mond zal Ik u oordelen. God heeft in drieërlei opzicht tekenen van Zijn ongenoegen op Adam gelegd.
I. Door dit vonnis is zijn woonstede vervloekt: het aardrijk zij vervloekt om uwentwil, en van die vloek is de uitwerking: dat het hem doornen en distels zal voortbrengen. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat zijn woonstede veranderd zal worden, hij zal niet langer in een onderscheiden, gezegend paradijs wonen, maar verplaatst worden naar de gewone aarde, en deze zal vervloekt zijn. De aarde, of het aardrijk, is hier genomen voor de gehele zichtbare schepping, die door de zonde van de mens van de ijdelheid onderworpen is, daar de verschillende delen er van niet zo dienstbaar zullen zijn aan de aangenaamheid en het geluk van de mens, als waartoe zij bij hun schepping bestemd waren, en ook geweest zouden zijn, indien hij niet gezondigd had. God heeft de aarde aan de kinderen van de mensen gegeven, om hun tot aangename woonstede te zijn, maar de zonde heeft er de eigenschap van veranderd, en zij is nu om de zonde van de mensen vervloekt, dat is: zij is een onterende woonplaats. Het duidt geringheid aan voor de mens, dat zijn grondslag is in het stof. Zij is een dorre onvruchtbare woonstede, haar spontane voortbrengselen zijn nu onkruid en distels, iets dat walglijk en schadelijk is. De goede vruchten, die zij nu voortbrengt, moeten haar door het vernuft en de vlijt van de mens ontwrongen worden. Vruchtbaarheid was haar zegen ten dienste van de mens, Hoofdstuk 1:11, 29, en nu is onvruchtbaarheid haar vloek tot straf van de mens. Zij is niet meer wat zij was, toen zij geschapen werd. De zonde heeft een vruchtbaar land in zoute grond veranderd, en de mens, als een wilde ezel geworden, heeft nu ook het lot van de wilde ezel, de wildernis is hem tot huis besteld Job 39:9, en hij woont in het dorre, Psalm 68:7. Indien deze vloek niet ten dele opgeheven was, dan zou, voor zoveel ik weet, de aarde voor altijd onvruchtbaar geweest zijn, nooit iets anders dan distels en doornen hebben voortgebracht. De aarde is vervloekt, dat is: ten verderve gewijd aan het einde der tijden, "wanneer de aarde en de werken, die daarin zijn zullen verbranden" om de zonde van de mensen van wie de mate van de ongerechtigheid dan vol zal zijn, 2 Petrus 3:7, 10. Let echter op, hoe ook in dit vonnis barmhartigheid gemengd is:
1. Adam zelf is niet vervloekt, zoals de slang, vers 14, alleen de aarde is om zijnentwil vervloekt. God had zegeningen in hem, namelijk het heilig Zaad: "Verderf het niet, want daar is een zegen in," Jesaja 65:8. En er waren nog zegeningen voor hem weggelegd daarom wordt hij niet terstond en direct vervloekt, maar, om zo te zeggen, slechts uit de tweede hand.
2. Hij is nog boven de grond, de aarde opent zich niet om hem te verzwelgen, slechts is zij niet meer wat zij geweest was. Gelijk hij, niettegenstaande hij van zijn oorspronkelijke reinheid en rechtheid is vervallen, toch blijft leven, zo blijft ook de aarde, niettegenstaande zij haar oorspronkelijke schoonheid en vruchtbaarheid heeft verloren, zijn woonstede. 3. Deze vloek op de aarde, die alle verwachting heeft afgesneden van geluk te vinden in de dingen hier beneden, kon hem er toe leiden en opwekken, om alleen van de dingen die Boven zijn, voldoening en zaligheid te verwachten.
II. Zijn werkzaamheden en zijn genietingen zijn hem vergald.
1. Zijn werkzaamheid zal van nu voortaan een zwoegen voor hem worden, hij zal werken in het zweet zijns aanschijns, vers 19. Vóór hij gezondigd had was zijn bezigheid een voortdurend genot voor hem, de hof werd toen gebouwd zonder zwaar werken, of harde arbeid en bewaard zonder verontrustende zorg, maar nu zal zijn arbeid een vermoeienis zijn, die zijn lichaam verslijt, zijn zorg zal hem een kwelling des geestes zijn. De vloek op de aarde, die haar onvruchtbaar maakte en doornen en distels deed voortbrengen, maakte dat zijn werkzaamheden aan de grond veel meer moeilijkheden opleverden, en zwaar werken vorderden. Indien Adam niet had gezondigd hij zou niet gezweet hebben.
Merk hier op a. Dat arbeiden onze plicht is, die wij getrouw moeten volbrengen, wij zijn verplicht te werken, niet alleen omdat wij schepselen, maar omdat wij misdadigers zijn, het is een deel van ons vonnis, dat door luiheid op drieste wijze getrotseerd wordt.
b. Dat onrust en vermoeienis bij ons werk de rechtvaardige straf zijn, waaraan wij ons geduldig hebben te onderwerpen, maar niet over hebben te klagen, daar zij altijd nog minder zijn dan wij verdienen. Laten wij echter door ongeregelde zorg en arbeid onze straf niet zwaarder maken dan God haar gemaakt heeft, maar er ons veeleer op toeleggen onze last te verlichten en ons zweet af te wissen door in alles Gods voorzienigheid op te merken en weldra onze rust te verwachten.
2. Zijn voedsel zal voortaan-in vergelijking met hetgeen het geweest is-onaangenaam voor hem worden.
a. De stof, waaruit zijn voedsel bestaat, is veranderd: hij moet nu het kruid des velds eten, en niet langer onthaald worden op de lekkernijen van de hof van Eden. Daar hij zich door de zonde als de beesten gemaakt heeft, die vergaan, wordt hij nu met hen tot een medegerechtigde op de weide gemaakt, zal het kruid te smaken krijgen als de ossen, totdat hij bekend zal hebben, dat de hemel heerst.
b. Er is een verandering in de manier, waarop hij het eet, met smart, vers 17, en in het zweet zijns aanschijns, vers 19, moet hij er van eten. Adam kon niet anders dan al de dagen zijns levens met smart eten, gedenkende aan de verbodene vrucht, die hij had gegeten, en de schuld en de schande, die hij er door op zich geladen heeft.
Merk hier op: a. Dat het menselijk leven blootgesteld is aan velerlei rampen en ellende, die de armelijke overblijfselen van zijn genot en genoegen zeer vergallen, er zijn sommigen, die nooit met genoegen eten, Job 21:25 vanwege ziekte of droefgeestigheid, allen, zelfs de beste, hebben reden om te eten met smart vanwege de zonde, en allen, zelfs de gelukkigste in deze wereld, hebben bittere bijmengselen in hun vreugde, gehele troepen van krankheden, rampen, de dood in allerlei gestalten, zijn met de zonde in de wereld gekomen, en blijven haar verwoesten. b. Dat in al de treurige gevolgen van de zonde de rechtvaardigheid Gods erkend moet worden: Wat klaagt dan een levend mens? Toch is er ook in dit deel van het vonnis nog een mengsel van barmhartigheid. Hij zal zweten, maar zijn arbeid en zwoegen zullen zijn rust te zoeter maken, als hij wederkeert tot zijn aarde, als tot zijn bed, hij zal treuren, maar hij zal niet verhongeren, hij zal smart hebben, maar in die smart zal hij brood eten, dat zijn hart zal versterken onder zijn smart. Hij is niet veroordeeld, om, gelijk de slang, stof te eten, alleen om het kruid des velds te eten.
3. Zijn leven zal ook slechts kort zijn. In aanmerking genomen hoe vol van moeite zijn dagen zijn, is het een gunst voor hem, dat zij weinige zijn. Daar echter de dood schrikkelijk is voor de natuur, (ja, al is ook het leven onaangenaam) wordt hiermede het vonnis besloten. "Gij zult wederkeren tot de aarde, waaruit gij genomen zijt, uw lichaam, dat deel van u, dat uit de aarde genomen was, zal ertoe wederkeren, want gij zijt stof." Dat verwijst naar:
a. De eerste oorsprong van zijn lichaam, het was gemaakt uit stof, ja het was stof gemaakt, en was dit nog, zodat er niets meer nodig was dan het herroepen van de schenking van de onsterfelijkheid, en een terugtrekken van de kracht, die gegeven was, om het te ondersteunen, en dan zal hij natuurlijkerwijs tot stof wederkeren. Of:
b. Naar de tegenwoordige verdorvenheid en ontaarding van zijn geest. Gij zijt stof, dat is: uw kostelijke ziel is nu verloren en begraven in het stof van het lichaam, in het slijk van het vlees, zij was geestelijk en hemels gemaakt, maar zij is vleselijk en aards geworden. Zijn oordeel luidt dus: tot stof zult gij wederkeren. Uw lichaam zal verlaten worden door uw ziel, en zelf een klomp stof worden, en dan zal het in het graf worden gelegd, de geschikte plaats er voor, en zich met het stof van de aarde vermengen, ons stof, Psalm 104:29.
Merk hier op:
a. Dat de mens een gering, broos wezen is, klein als stof, het stofje aan de weegschaal, licht als stof, lichter, dat is minder, dan de ijdelheid, zwak als stof, en van geen vastigheid-onze sterkte is niet de sterkte van stenen, Hij die ons gemaakt heeft, neemt dit in aanmerking en "gedenkt, dat wij stof zijn,' Psalm 103:14. De mens is voorzeker het "hoofddeel van het stof van de wereld," Spreuken 8:26, maar toch is hij stof.
b. Dat hij een sterfelijk, stervend schepsel is, dat zich heen spoedt naar het graf. Het stof kan voor een wijle opgeheven worden tot een wolkje, en zolang het dan opgehouden wordt door de wind, die het opgeheven heeft, kan het groot en van belang schijnen, maar als de kracht daarvan uitgeput is, dan valt het weer, en keert terug tot de aarde, vanwaar het opgeheven werd, zo'n ding is de mens, een groot man is slechts een grote massa stof, en moet wederkeren tot zijn aarde.
c. Dat de zonde de dood in de wereld gebracht heeft, indien Adem niet had gezondigd, hij zou niet gestorven zijn, Romeinen 5:12. God heeft aan Adam een vonk van onsterfelijkheid toevertrouwd, die hij door een geduldig volharden in goed doen, tot een eeuwigdurende vlam zou hebben kunnen aanblazen, maar door moedwillig te zondigen heeft hij haar dwaas uitgedoofd, en nu is de dood de bezoldiging van de zonde, en de zonde de prikkel des doods. Wij moeten van dit onderwerp, nl. het vonnis, uitgesproken over onze eerste ouders, waarbij wij allen zo nauw betrokken zijn, en waaronder wij tot op de huidige dag nog lijden, niet afstappen, voor wij nog twee dingen overwogen hebben.
Ten eerste. Hoe juist en gepast de treurige gevolgen van de zonde op de ziel van Adam en zijn zondig nageslacht zijn voorgesteld en afgebeeld door dit vonnis, waarin ook misschien meer opgesloten ligt dan wij wel weten. Hoewel slechts de smart en ellende genoemd worden, die het lichaam betreffen, waren zij toch een voorbeeld van geestelijke ellende, van de vloek die doordrong tot de ziel.
1. De smarten van een vrouw in barensnood stellen de verschrikkingen en folteringen voor van een schuldig geweten, dat ontwaakt is tot het besef van de zonde, door de ontvangenis van lusten worden deze smarten zeer vermenigvuldigd, en vroeg of laat, zullen zij de zondaar overvallen als de weeën van een vrouw in barensnood, die niet vermeden kunnen worden.
2. De staat van onderworpenheid, waartoe de vrouw gebracht was, stelt het verlies voor van de geestelijke vrijheid, en de vrijheid van wil, dat de uitwerking is van de zonde. De heerschappij van de zonde in de ziel wordt vergeleken bij die van een man over zijn vrouw, Romeinen 7:1 5, des zondaars begeerte gaat er naar uit, want hij bemint zijn slavernij, en zij heerst over hem.
3. De vloek van de onvruchtbaarheid, die over de aarde gebracht was, en haar voortbrengen van distels en doornen, zijn een juiste voorstelling van de onvruchtbaarheid van een verdorven en zondige ziel in hetgeen goed, en haar vruchtbaarheid in hetgeen kwaad is. Zij is geheel overgroeid met doornen en distels, en daarom is zij "nabij de vervloeking," Hebreeën 6:8.
4. Het zwoegen en zweten duiden de moeilijkheid aan, waaronder de mens, door de zwakheid van het vlees, in de dienst van God arbeidt en het werk van de Godsdienst verricht, zó zwaar en moeilijk is het nu geworden, om "in te gaan tot het koninkrijk van de hemelen."
5. Het bitter worden van zijn voedsel duidt aan hoe de ziel gebrek heeft aan de liefelijkheid van Gods gunst, die leven is en het brood des levens.
6. Evenals het lichaam keert de ziel weer tot het stof van deze wereld, haar neiging is daarheen, zij is aardsgezind, Johannes 3:31.
Ten tweede. Hoe bewonderenswaardig de genoegdoening van onze Heere Jezus door Zijn dood en lijden beantwoord heeft aan het vonnis, dat hier over onze eerste ouders werd geveld!
1. Zijn met de zonde smarten als die van een vrouw in arbeid in de wereld gekomen? Wij lezen van de arbeid van Christus' ziel, Jesaja 53:1 de smarten des doods, die Hij had geleden worden genoemd, Handelingen 2:24, de smarten van een vrouw in barensnood.
2. Is met de zonde onderworpenheid gekomen? Christus is geworden onder de wet, Galaten 4:4.
3. Is met de zonde de vloek gekomen? Christus is een vloek voor ons gemaakt, Hij is een vloekdood gestorven, Galaten 3:13. 4. Zijn met de zonde de doornen gekomen? Hij is om onzentwil met doornen gekroond.
5. Is met de zonde zweet gekomen? Hij heeft voor ons gezweet als grote droppelen bloeds.
6. Is met de zonde smart gekomen? Hij was een Man van smarten, in Zijn doodsbenauwdheid was Zijn ziel geheel bedroefd.
7. Is met de zonde de dood gekomen? Hij is gehoorzaam geworden tot de dood. Aldus is de pleister zo groot als de wonde, geloofd zij God voor Jezus Christus.